Jozua 11:10-14
Wij zien hier hoe van deze overwinning hetzelfde gebruik werd gemaakt als van die, vermeld in het vorige hoofdstuk.
1. Er wordt inzonderheid melding gemaakt van de verwoesting van Hazor, omdat in die stad en door haar koning deze vermetele aanslag tegen Israël beraamd was, vers 10, 11. De koning van Hazor schijnt aan de slag ontkomen te zijn, waarna hij wederkeerde naar zijn stad en dacht er veilig te zijn, daar Jozua de verstrooide benden vervolgde in een andere richting, maar het bleek, dat hetgeen hij dacht zijn veiligheid te zijn, een strik voor hem was, hij was er gevangen met het boze net, hij werd gedood, en zijn stad om zijnentwil verbrand. Toch bevinden wij dat de overblijfselen ervan waarop Israël niet genoegzaam acht sloeg, door de Kanaänieten herbouwd werden onder een anderen koning van dezelfde naam, Richteren 4:2.
2. Van de overige steden van dat deel des lands wordt alleen in het algemeen gesproken, en gezegd dat zij allen in Jozua's handen kwamen, maar dat hij ze niet verbrandde, zoals hij Hazor verbrand heeft, want Israël moest wonen "in grote en goede steden, die zij niet gebouwd hebben," Deuteronomium 6:10, en onder andere in deze. En hier zien wij Israël zich badende in bloed en schatten.
a. In het bloed hunner vijanden, zij sloegen alle ziel, vers 11, zij lieten niets overblijven, dat adem had, vers 14, opdat er niemand zou zijn om hen te besmetten met de gruwelen van Kanaän, en niemand om hen te verontrusten in het bezit er van. De kinderen werden gedood, opdat zij later geen aanspraak zouden maken op enig deel des lands uit hoofde hunner geboorte.
b. In de schatten hunner vijanden, de roof en het vee roofden zij voor zich, vers 14. Gelijk zij verrijkt waren met de roof hunner verdrukkers, toen zij uit Egypte kwamen, teneinde er gedurende hun leerjaren in de woestijn van te kunnen leven, zo werden zij ook verrijkt met de roof hunner vijanden, teneinde er de onkosten hunner vestiging in Kanaän mee te bestrijden. Aldus is het vermogen des zondaars weggelegd voorden rechtvaardige. 14080-970414-2250-Jos11.15 Jozua 11:15-23
Wij hebben hier het besluit van deze gehele zaak. I.Er wordt een kort bericht gegeven van hetgeen gedaan werd in vier opzichten.
1. De hardnekkigheid van de Kanaänieten in hun tegenstand van de Israëlieten. Het was vreemd dat zij, hoewel het toch zo duidelijk bleek dat God voor Israël streed en de Kanaänieten in elk gevecht de nederlaag leden, toch tot het laatste toe volhard hebben in hun tegenstand. Geen enkele stad, behalve de Gibeonieten, die beter verstonden hetgeen tot hun vrede diende dan hun naburen, heeft vrede met Israël gesloten. Er wordt te kennen gegeven dat andere steden even gunstige voorwaarden hadden kunnen verkrijgen, ook zonder haveloze klederen en bevlekte schoenen, indien zij zich slechts hadden verootmoedigd, maar zij hebben zelfs nooit begeerd hetgeen tot vrede dient. Er wordt ons gezegd vanwaar deze onverklaarbare verdwaasdheid gekomen is, het was van de Heere hun harten te verstokken, vers 20. Gelijk in het eerst Farao's hart verhard was door zijn hoogmoed en eigenzinnigheid, en later door het rechtvaardig oordeel Gods, tot zijn verderf, zo werden ook de harten van deze Kanaänieten verhard. Om hen te straffen voor al hun andere dwaasheden, heeft God hen aan deze dwaasheid overgelaten om diegenen tot hun vijanden te maken, die zij tot hun vrienden hadden kunnen maken. Dit was het, dat hen in het verderf stortte: zij zijn Israël met oorlog tegemoet gegaan, zij gaven de eersten slag, en daarom mocht hun geen gunst worden betoond. Zij weten niet wat zij doen, die de Goddelijke gerechtigheid uittarten of de verordineerde werktuigen er van. Zijn wij sterker dan God?
Merk hier op dat hardheid van hart het verderf is van de zondaren. Zij, die dom en gerust zijn, geen achtgeven op de Goddelijke waarschuwingen, zijn reeds getekend voor het verderf. Welke hoop is er voor hen, van wie God gezegd heeft: Maak hun hart vet?
2. De standvastigheid van Israël in het voortzetten van deze oorlog, vers 18. Vele dagen voerde Jozua strijd, sommigen schatten de tijd op vijf jaren, anderen op zeven, die doorgebracht werden met de onderwerping dezes lands. Gedurende zo langen tijd wilde God Israël oefenen in de strijd, terwijl Hij hun herhaaldelijk voorbeelden gaf van Zijn macht en goedheid in elke nieuwe overwinning, die Hij hun gaf.
3. De tenonderbrenging van de Enakieten ten laatste, vers 21, 22. Sommigen denken dat dit gaandeweg geschiedde, als zij hen aantroffen op de plaatsen, waarheen zij verstrooid waren, maar het schijnt veeleer dat de Enakieten zich hadden teruggetrokken in hun sterkten, en daar ten laatste ontdekt en gedood werden, nadat al de andere vijanden verslagen en verdaan waren. De bergen van Juda en Israël waren de woonplaatsen van deze bergen van mensen, maar noch hun hoogte, noch de sterkte hunner spelonken, noch de moeilijkheid van de bergpassen, die toegang tot hen gaven, kon deze machtige mannen tegen Jozua's zwaard beveiligen. Van het uitroeien van de kinderen Enaks wordt inzonderheid melding gemaakt, omdat deze veertig jaren tevoren zulk een verschrikking waren voor de verspieders, daar zij hun grootte en kracht als een van de onoverkomelijke moeilijkheden beschouwden, die de verovering van Kanaän in de weg stond, Numeri 13:28,33. Zelfs die tegenstand, die onoverwinlijk scheen, waren zij nu teboven gekomen. Laat de kinderen Enaks nooit een verschrikking wezen voor het Israël Gods, want ook hun dag zal komen, wanneer zij vallen. Voor de Almacht zijn reuzen als dwergen, toch werd de strijd tegen de Enakieten bewaard voor het laatst van de oorlog, toen de Israëlieten meer bedreven waren geworden in de kunst van oorlog voeren en meer ervaring hadden van de macht en de goedheid van God. Soms bewaart God de zwaarste beproeving Zijns volks, beproeving van benauwdheid en verzoeking, voor het laatst van hun leven. Zo laat dan hem, die zich aangordt, zich niet beroemen als die zich losmaakt. De dood, deze ontzaglijke zoon Enaks, is de laatste vijand, die wij tegemoet hebben te treden, maar hij wordt teniet gedaan, 1 Corinthiers 15:26. Gode zij dank, die ons de overwinning geeft.
4. Het einde en de uitslag van deze langdurige oorlog. De Kanaänieten werden uitgeroeid, niet volkomen, (zoals wij later in het boek van de Richteren zien zullen) maar toch grotendeels. Zij waren niet bij machte Israël buiten het bezit des lands te houden, Jozua nam al dat land, vers 16, 17. En wij kunnen veronderstellen dat het volk zich met hun gezinnen verspreidde in de landstreken, die veroverd waren, in die tenminste, welke het dichtst bij het hoofdkwartier te Gilgal lagen, totdat er een ordelijke verdeling plaats zou hebben door het lot, opdat iedereen zou weten wat het zijne is. En evenmin konden zij de strijd met hen voortzetten, of hen verontrusten, vers 23. Het land rustte van de strijd Hij eindigde niet in vrede met de Kanaänieten, (dat was verboden) maar in vrede van hen. Er is een rust, een rust van de strijd, die daar overblijft voor het volk van God, waartoe zij zullen ingaan, als hun strijd vervuld is.
II. Hetgeen nu gedaan was, wordt hier vergeleken bij hetgeen tot Mozes gezegd was. Gods woord en Zijn werken zullen, als zij tezamen beschouwd worden, elkaar ophelderen. Bij het einde wordt hier opgemerkt:
1. Dat al de geboden, die God aan Mozes had gegeven betreffende de verovering van Kanaän, door het volk gehoorzaamd zijn, tenminste zolang Jozua leefde. Zie met hoeveel plechtigheid dit wordt opgemerkt, vers 15. Gelijk als de Heere Mozes, Zijn knecht, geboden had, door wiens hand de wet gegeven werd, alzo gebood Mozes aan Jozua, want Mozes was getrouw als wetgever, aan Hem, die hem gesteld heeft, hij deed het zijne, en toen stierf hij, maar zijn de bevelen van Mozes opgevolgd, toen hij in zijn graf was? Zeker, want, alzo deed Jozua, die in zijn plaats even getrouw was als Mozes in de zijne geweest is. Hij deed er niet een woord van af, van alles dat de Heere Mozes geboden had Zij, die hun plicht ongedaan laten, doen wat zij kunnen om het gebod Gods weg te doen of teniet te maken, dat hen er toe verplicht, maar Jozua heeft door het gebod te volbrengen het bevestigd, zoals de uitdrukking luidt in Deuteronomium 27:26. Jozua was zelf een groot gebieder, en toch was er niets meer tot zijn lof dan zijn gehoorzaamheid. Zij, die naar hun wil over anderen heersen, moeten zelf bestuurd en beheerst worden door de Goddelijken wil, dan is hun macht, in waarheid hun eer, maar anders niets. De Godvruchtige gehoorzaamheid, waarvoor Jozua hier geprezen wordt, geldt voornamelijk het gebod om de Kanaänieten uit te roeien hun altaren af te werpen, en hun opgerichte beelden te verbreken, Deuteronomium 7:2-5, Exodus 23:24, 34:13. In zijn ijver voor de Heere van de heirscharen heeft Jozua noch de afgoden, noch de afgodendienaars gespaard. Sauls ongehoorzaamheid, of liever zijn gedeeltelijke of halve gehoorzaamheid, aan het gebod van God om de Amalekieten ten enenmale uit te roeien, heeft hem zijn koninkrijk gekost. Het schijnt dat Jozua zelf dit bericht geeft van zijn nauwgezet waarnemen van zijn orders in de uitvoering van zijn opdracht, dat hij in alle opzichten gedaan had wat Mozes hem heeft geboden, en dan geeft dit te kennen dat hij meer voldoening smaakte in de gedachte, dat hij in geheel deze oorlog gehoorzaam is geweest aan de geboden Gods, dan in al het gewin, dat hij verkregen, en de roem, die hij behaald heeft.
2. Dat al de beloften, die God aan Mozes gegeven heeft betreffende deze verovering door Hem vervuld zijn, vers 23. Jozua nam al dat land in, hij veroverde het, nam er bezit van naar alles, dat de Heere tot Mozes gesproken had. God had beloofd de volken voor hun aangezicht uit te drijven, Exodus 33:2, 34:11, hen neer te werpen, Deuteronomium 9:3. En nu is het geschied. Geen enkel woord van de belofte heeft gefaald. Onze voorspoed en onze bezittingen zullen lieflijk en troostrijk voor ons zijn, als wij ze zien voortvloeien uit de belofte, dit is overeenkomstig met hetgeen de Heere gezegd heeft, gelijk ook onze gehoorzaamheid Gode welbehaaglijk is als zij overeenkomstig het gebod is. En als wij nauwgezet onze plicht vervullen, dan behoeven wij niet te twijfelen aan de vervulling van de belofte.