23. Zo nam Jozua al dat land in 1) naar alles, wat de Heere tot Mozes gesproken had, en Jozua gaf het veroverde land, zoals in 13vv. meer uitvoerig verteld zal worden, Israël tot erfgoed, tot een blijvende, van vader op zoon overgaande bezitting, naar hun afdelingen,naar hun stammen. 2) En het land rustte van de strijd; volgens onze berekening in het jaar 1445 v. Chr.
1) Met de uitdrukking hierboven "Jozua nam al dat land in", schijnt te strijden hetgeen in 13:1vv. wordt gezegd, dat er nog veel land overbleef om in te nemen. Niettemin zijn beide wijzen van beschouwing zeer goed met elkaar overeen te brengen. In 23:4,5 23:4,5 staan deze twee schijnbaar tegenstrijdige uitdrukkingen onmiddellijk naast elkaar. Israël moet zowel alle volken als reeds overwonnen beschouwen, als gedenken aan de verplichting om de nog overgeblevenen te verdrijven. De eerste is hier de denkbeeldige, de tweede de wezenlijke wijze van beschouwing van de dingen. Eerst wordt het doel als bereikt beschouwd, daarna wordt opgegeven, wat er nog ontbreekt aan de gehele voltooiing van het werk, en nu wensen wij deze verschillende wijzen van beschouwing met elkaar overeen te brengen. Allereerst was de uitroeiing van de Kanaänieten en de verovering van hun land zo ver voltooid, dat hetgeen nog gebeuren moet, niet noemenswaard is in vergelijking met hetgeen reeds gedaan was; al waren de Kanaänieten ook nog in het bezit van vele steden, zij waren toch niets meer dan machteloze vluchtelingen, die niets meer tegen Israël konden uitvoeren, zo lang het de Heere getrouw bleef en naar het gebod van de Heere voortging de verstrooide Kanaänieten langzamerhand te verdelgen. Bovendien hadden de kinderen van Israël in de machtige bijstand, die de Heere hun God hun tot hiertoe bij alles geschonken had, een zeker onderpand dat Hij hun ook in de kleine oorlogen die zij nog te voeren hadden, niet zou verlaten en hun het gehele land tot een erfelijk bezit zou doen toekomen, zoals Hij, hun stellig beloofd had in Exodus 23:29vv. en Deuteronomium 7:22. Deze dubbele wijze van beschouwing komt geheel overeen met de wijze van beschouwing, waarop de Apostelen spreken van de overwinning van onze geestelijke vijanden, wanneer zij op de ene plaats betuigen. "Dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof" (1 Johannes 5:4), en op de andere plaats vermanen tot een gedurige strijd tegen de wereld en tegen alle machten van de duisternis. Evenzo is de gehele kerk na de overwinning van het heidendom (later het pausdom, het ongeloof) geboden, de overwinning van het evangelie over alle vijanden tot de laatste toe voort te zetten; haar ontrouw in dit opzicht, haar vermenging met de heidense geest van de wereld veroorzaken haar dan moeilijke strijd en grote vernedering, die haar wel veel nood en ellende bereiden, maar ook door de goddelijke genade dienen tot loutering en versterking van het geloof..
2) Naar hun afdelingen, naar hun stammen, is een andere uitdrukking, voor "geslachten, vaderhuizen en families"..