Johannes 9:1-7
Wij hebben hier het verhaal hoe aan een blindgeboren bedelaar het gezicht werd geschonken. Merk op:
I. Hoe onze Heere Jezus notitie nam van den beklagenswaardigen toestand van dezen armen blinde, vers 1. Voorbijgaande zag Hij - Jezus-een mens, blind van de geboorte af. De eerste woorden schijnen te verwijzen naar de laatste van het vorige hoofdstuk, en ondersteunen de mening van hen, die deze gebeurtenis onmiddellijk na de voorgaande plaatsen. Dáár werd gezegd parêgen, Hij ging voorbij, en hier, zonder zelfs Zijn naam te herhalen kai paragoo voorbijgaande.
1. Hoewel de Joden Hem zo schandelijk mishandeld hadden, Hem door woord en daad ten uiterste hadden getergd, heeft Hij toch gene gelegenheid laten voorbijgaan om goed onder hen te doen, maar niet het besluit genomen, dat Hij rechtvaardiglijk had kunnen nemen, om hen nooit meer door Zijn goede diensten te begunstigen. De genezing van dezen blinde was ene vriendelijkheid jegens het publiek, daar hij er door instaat werd gesteld om te werken voor zijn brood, terwijl hij vroeger ten laste was van den staat of van de burgerij. Het is edel en grootmoedig en in den geest van Christus om het publiek -het algemeen -te willen dienen, zelfs als wij er door veronachtzaamd of er onbeleefd door bejegend worden, of dit denken te zijn.
2. Hoewel Hij vlood voor het Hem dreigende gevaar, vlood om Zijn leven te redden, is Hij toch bereidwillig voor ene wijle staan gebleven, om dezen armen man barmhartigheid te bewijzen. Wij maken meer haast dan spoed als wij de gelegenheden voorbijlopen om goed te doen.
3. Toen de Farizeeën Christus van zich wegdreven, ging Hij naar dezen armen blinden bedelaar. Sommigen der ouden zien hier een beeld, of type, in van het brengen van het Evangelie tot de heidenen, die in duisternis waren gezeten, toen de Joden het verwierpen en van zich weg hadden gedreven.
4. Christus vond dezen armen blinde op Zijn weg, en genas hem in transitu -voorbijgaande. Zo moeten wij alle gelegenheden aangrijpen om goed te doen, waar wij ook zijn, zelfs in het voorbijgaan.
a. De toestand van dien armen man was zeer treurig. Hij was blind, en wel van zijne geboorte af. Indien het licht lieflijk is, hoe treurig moet het dan niet wezen voor den mens om al zijne dagen in duisternis te eten! Die blind is heeft geen genot van het licht, maar die blindgeboren, is, heeft er geen denkbeeld van. Mij dunkt, zo iemand zou er zeer veel om geven om, al is het dan maar op een enkelen dag, zijne nieuwsgierigheid te bevredigen omtrent licht en kleuren, vormen en gestalten, al zou hij ze dan ook later nooit meer zien. Waarom is het licht des levens gegeven aan den ellendige, die beroofd is van het licht der zon, wiens weg aldus verborgen is, en dien God overdekt heeft? Job 3:20-23. Laat ons God danken, zo dit met ons niet het geval is. Het oog is een der verwonderlijkste delen van het lichaam, zijn samenstelling uiterst teer, kunstig en schoon. Men zegt, dat het het eerste is, dat bij de formering van dieren duidelijk waargenomen kan worden. Welk een zegen, welk een grote genade, dat er bij onze formering geen ongeluk voorkwam! Christus genas velen, die blind waren geworden door ziekte, of door een ongeval, maar hier genas Hij een blindgeborene. a. Om een voorbeeld te geven van Zijne macht om ook in de wanhopigste gevallen hulp en uitkomst te kunnen geven, te helpen als niemand anders helpen kan. b. Om ene proeve te geven van het werk Zijner genade in de zielen van zondaars, hetwelk het gezicht geeft aan hen, die van nature blind zijn.
b. Zeer teder was Jezus' medelijden met hem. Hij zag hem, dat is: Hij nam kennis van zijn toestand, en zag hem aan met hartelijke, belangstellende liefde. Als God op het punt is van verlossing te werken, dan wordt er van Hem gezegd, dat Hij de verdrukking ziet, en zo zag Christus de verdrukking, of beproeving van dezen armen man. Anderen zagen hem ook, maar niet zoals Hij. Deze arme man kon Christus niet zien, maar Christus zag hem, en voorkwam zijne bede en zijne verwachting met een verrassende genezing. Christus wordt dikwijls gevonden van hen, die Hem niet zochten en Hem niet zagen, Jesaja 65:1. En als wij iets van Christus weten of begrijpen, dan is het, omdat wij eerst van Hem gekend zijn, Galaten 4:9, en door Hem gegrepen zijn, Filippenzen 3:12.
II. Het gesprek tussen Christus en Zijne discipelen over dezen mens. Toen Hij weg ging uit den tempel, gingen zij met Hem, want dezen waren het, die steeds met Hem gebleven zijn in Zijne verzoekingen, en Hem volgden waar Hij ook heenging, en zij hebben door hun aanhankelijkheid aan Hem niets verloren, maar wel zeer veel ervaring gewonnen. Merk op:
1. De vraag van de discipelen aan den Meester betreffende het geval van dezen blinde, vers 2. Toen Christus hem aanzag, hebben ook zij op hem gezien, Christus' mededogen moet ook het onze opwekken. Waarschijnlijk heeft Christus hun gezegd, dat deze arme man blindgeboren was, of wellicht wisten zij het, omdat het algemeen bekend was, maar zij hebben Christus niet bewogen hem te genezen. In plaats hiervan komen zij met een zeer vreemdsoortige vraag tot Hem: Rabbi! wie heeft er gezondigd, deze of zijne ouders, dat hij blind zou geboren worden? Deze hun vraag nu was:
a. Liefdeloos streng. Zij nemen het aan als een bewezen zaak, dat die ongemene ramp de straf was voor een ongemene slechtheid en dat deze man een zondaar was boven allen, die te Jeruzalem woonden, Lukas 13:4. Dat de barbaren tot de gevolgtrekking kwamen: Deze mens is gewis een doodslager, was niet vreemd, maar het was onverschoonbaar in hen, die de Schriften kenden, die gelezen hadden dat alle ding wedervaart hun gelijk aan alle anderen, en wisten, dat het in Jobs geval beslist was, dat de grootste lijders vanwege hun lijden niet als de grootste zondaars beschouwd moeten worden. De genade van berouw en bekering noemt onze eigen beproevingen straffen, maar de genade der liefde noemt de wederwaardigheden van anderen beproevingen, tenzij het tegendeel duidelijk blijkt.
b. Zij was onnodig nieuwsgierig. Tot de gevolgtrekking komende, dat deze ramp het gevolg was van de ene of andere gruwelijke misdaad, vragen zij: "Wie waren de misdadigers, deze man of zijne ouders?" En wat ging hun dit aan? Welk goed kon het hun doen dit te weten? Wij zijn maar al te zeer geneigd om nieuwsgieriger te zijn naar de zonden van anderen, dan weetgierig omtrent onze eigen zonden, terwijl het voor ons toch van meer belang is te weten waarom God met ons twist, dan waarom Hij met anderen twist, want ons zelven te oordelen is onze plicht, maar onzen broeder te oordelen is onze zonde. Zij vragen: Of die man aldus gestraft was voor ene zonde, die hij zelf bedreven had, bedreven, of wel voorzien voor zijne geboorte. Sommigen denken, dat de discipelen besmet waren met het Pythagorische idee van het voorbestaan der zielen, en haar overgang van het ene lichaam in het andere. Was de ziel van dezen mens veroordeeld tot den kerker van dit blinde lichaam om haar te straffen voor de ene of andere grote zonde, bedreven in een ander lichaam, waarin zij tevoren gewoond had? De Farizeeën schijnen dezelfde mening gehad te hebben omtrent zijn toestand, toen zij zeiden: Gij zijt geheel in zonden geboren, vers 34, alsof allen, die door de natuur geschandvlekt waren-en dezen alleen-in zonden waren geboren.
Of: Was hij ook gestraft om de slechtheid zijner ouders, die God soms bezoekt aan de kinderen? Het is een goede reden. waarom ouders zich moeten wachten voor de zonde, opdat hun kinderen er niet voor te lijden hebben. Laat ons niet wreed worden voor de onzen, gelijk de struisen in de woestijn. Wellicht vroegen de discipelen dit, niet als gelovende, dat dit de straf was voor ene zonde van hem zelven of van zijne ouders, maar, daar Christus aan een anderen lijder te kennen had gegeven, dat zijne zonde de oorzaak was van zijne ziekte, Hoofdstuk 5:14, zeggen zij: "Meester, wiens zonde is de oorzaak van deze onmacht?" of van deze ziekte. Niet wetende hoe zij deze beschikking van Gods voorzienigheid zullen verklaren, wensen zij hieromtrent ingelicht te worden. Het billijke van Gods beschikkingen is altijd zeker, staat altijd vast, want Zijne gerechtigheid is als de bergen Gods, maar kan niet altijd verklaard worden, want Zijne oordelen zijn een grote afgrond.
2. Christus' antwoord op deze vraag. Hij was altijd bekwaam om te leren, en de dwalingen Zijner discipelen te herstellen.
a. Hij geeft de reden op van de blindheid van dien armen man: Noch deze heeft gezondigd, noch zijne ouders, maar hij is blindgeboren, en is tot nu toe blind gebleven, opdat nu ten laatste de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden, vers 3. Christus, die volkomen bekend was met de verborgen drijfveren der Goddelijke raadsbesluiten, zegt hun hier twee dingen ten opzichte van zulke buitengewone rampen: Dat zij niet altijd toebeschikt worden als straf voor zonde. De zondigheid van geheel het menselijk geslacht rechtvaardigt God voorzeker in al de ellende van het menselijk leven, zodat zij, die er het minst in delen, moeten zeggen, dat God vriendelijk is, en zij, die er het meest in delen, niet moeten zeggen, dat Hij onrechtvaardig is, maar velen hebben veel meer ellende te verduren in hun leven dan anderen, die toch volstrekt niet zondiger zijn. Wel was deze man een zondaar, en waren zijne ouders zondaren, maar het was geen buitengewone schuld, waarop God het oog had, toen Hij deze beproeving over hem bracht. Wij moeten er ons voor wachten te oordelen dat mensen grote zondaars zijn, omdat zij grote lijders zijn, opdat wij niet bevonden worden te vervolgen, die God geslagen heeft, Psalm 69:27, en beschuldiging in te brengen tegen hen, die Hij heeft gerechtvaardigd, en te verdoemen hen, voor wie Christus gestorven is, hetgeen vermetel en gevaarlijk is, Romeinen 8:33, 34. Dat zij soms zuiver en alleen bedoeld zijn tot heerlijkheid Gods, en om Zijne werken te openbaren. God heeft soevereiniteit over al Zijne schepselen en uitsluitend recht in hen, Hij kan hen dienstbaar maken aan Zijne eer en heerlijkheid op de wijze, die Hij geschikt oordeelt, in doen of in lijden, en zo God in ons of door ons wordt verheerlijkt, dan zijn wij niet tevergeefs geschapen. Deze man was blindgeboren, en voor hem was het wel der moeite en der smart waard dit te zijn, en zo lang in duisternis te zijn, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden. Dat is: Ten eerste. Opdat de eigenschappen Gods in hem geopenbaard zouden worden: Zijne gerechtigheid, door den zondigen mens onderhevig te maken aan zo zware rampen, Zijn gewone macht en goedheid, door dien armen mens onder zo smartelijke, verdrietelijke beproeving te ondersteunen, en inzonderheid, opdat Zijn buitengewone macht en goedheid openbaar zouden worden door hem te genezen. De moeilijkheden omtrent de leiding van Gods voorzienigheid, waarvan men anders gene verklaring kan geven, kunnen aldus opgelost worden-het is Gods bedoeling om er zich in te tonen, er Zijne heerlijkheid in te openbaren, opdat men op Hem lette. Zij, die bij den gewonen loop der dingen geen acht op Hem slaan, worden soms opgeschrikt door buitengewone dingen. Hoe welgemoed kan dus een godvruchtige wezen onder verlies van lieflijkheid in het leven, als hij er zeker van is, dat God er op de een of andere wijze door zal winnen in heerlijkheid! Ten tweede. Opdat de raad Gods ten opzichte van den Verlosser in hem geopenbaard zou worden. Hij was blindgeboren, opdat onze Heere Jezus de eer zou hebben van hem te genezen, en zich daarin zou betonen van God gezonden te zijn, om het ware licht der wereld te wezen. Aldus is de val des mensen toegelaten, en de blindheid, die er op volgde, opdat de werken Gods geopenbaard zouden worden in het openen van de ogen der blinden. Het was nu al lang geleden sedert die man blindgeboren was, en toch is het niet voor dit ogenblik gebleken waarom hij het was. De bedoelingen van Gods voorzienigheid zullen gewoonlijk niet blijken dan lang na de gebeurtenis, wellicht pas vele jaren daarna. De volzinnen in het boek der voorzienigheid zijn soms lang, en gij moet veel er van lezen, eer gij er den zin van begrijpt.
b. Hij geeft de reden op van Zijn eigen voortvarendheid en bereidwilligheid om hem te helpen en te genezen, vers 4, 5. Het was niet uit praalzucht, maar ingevolge van Zijne onderneming: Ik moet werken de werken degene, die Mij gezonden heeft, (en dit is er een van) zolang het dag is, en werktijd, de nacht komt, wanneer niemand werken kan. Dat is niet alleen een reden, waarom Christus aanhield in goeddoen aan de zielen en lichamen der mensen, maar waarom Hij inzonderheid dit deed, hoewel het de sabbatdag was, waarop werken van noodzakelijkheid gedaan mochten worden, en Hij bewijst, dat dit een werk der noodzakelijkheid is. Het was de wil Zijns Vaders: Ik moet werken de werken degene, die Mij gezonden heeft. Toen de Vader Zijn Zoon in de wereld zond, gaf Hij Hem werk te doen. Hij is niet in de wereld gekomen om een prachtigen staat te voeren, maar om zaken te doen, wie God zendt, gebruikt Hij, want Hij zendt niemand om lui en ledig te wezen. De werken, die Christus te doen had, waren de werken van Hem, die Hem had gezonden, niet slechts door Hem aangewezen, maar voor Hem gedaan, Hij was een medearbeider Gods. Het heeft Hem behaagd zich onder de sterkste verplichtingen te stellen om het werk te doen, waartoe Hij was gezonden. Ik moet werken. Hij is in het verbond der verlossing met Zijn hart borg geworden om als Middelaar tot God te genaken, Jeremia 30:21. Zullen wij los, vrij, willen wezen, als Christus gewillig was om gebonden te zijn? Zich onder de verplichting gesteld hebbende om Zijn werk te doen, heeft Christus er zich met de uiterste kracht en naarstigheid op toegelegd. Hij werkte de werken, die Hij te doen had. Hij heeft ergazesthai ta erga, Hij heeft werk gemaakt van hetgeen Zijn werk was. Het is niet genoeg ons werk aan te zien en er over te spreken, wij moeten het werken. Hij had er nu de gelegenheid voor: Ik moet werken, zolang het dag is, terwijl de tijd er is, die bestemd is om er in te werken, en zolang het licht er is, dat gegeven is om er bij te werken. Christus zelf had Zijn dag. Ten eerste. Al het werk van het Middelaars koninkrijk moest binnen de perken des tijds gedaan worden, en in deze wereld gedaan worden, want aan het einde der wereld, wanneer er geen tijd meer is, dan zal het koninkrijk aan God en den Vader overgegeven zijn, en de verborgenheid Gods vervuld worden. Ten tweede. Al het werk, dat Hij hier op aarde in persoon te doen had, moest voor Zijn dood gedaan zijn, de tijd van Zijn leven op aarde is de dag, waarvan hier gesproken wordt. De tijd onzes levens is onze dag, waarin het voor ons van belang is het werk van den dag te doen. De dag eigent zich het best om er in te werken, Psalm 104:22, 23. Gedurende den levensdag moeten wij bezig zijn, geen dagtijd verliezen, en bij geen daglicht spelen, het zal tijd genoeg voor ons wezen om te rusten, als onze dag voorbij is, want het is slechts een dag. De tijd Zijner gelegenheid was er, en daarom wilde Hij werken: De nacht komt wanneer niemand werken kan. De gedachte aan het naderen van onzen dood moet ons opwekken om alle gelegenheden des levens waar te nemen, zowel om goed te doen, als om goed te verkrijgen. De nacht komt, hij zal gewis komen, hij kan plotseling komen, hij komt al nader en nader. Wij kunnen niet berekenen hoe nabij onze zon is, zij kan des middags ondergaan, en wij kunnen ons ook gene schemering beloven tussen den dag van ons leven en den nacht van onzen dood. Als de nacht komt, kunnen wij niet werken, omdat het licht, dat ons geschonken is om er bij te werken, dan uitgeblust is. Het graf is het land der duisternis, en ons werk kan niet in duisternis verricht worden. En behalve dat: de tijd, ons toebedeeld voor ons werk, zal dan voorbij zijn. Toen onze Meester ons heeft gebonden aan plicht, heeft Hij ons ook gebonden aan tijd, als de nacht komt worden de arbeiders opgeroepen, dan moeten wij ons werk tonen, en ontvangen al naar er gedaan is. In de wereld der vergelding zijn wij niet meer in den proeftijd. Christus gebruikte dit als ene drangreden voor zich zelven om naarstig te zijn, hoewel Hij met geen tegenstand van binnen had te worstelen. Veel nodiger is het ons dus om deze en dergelijke overwegingen op ons hart te laten werken om ons tot arbeiden aan te sporen. Zijn werk in de wereld was haar te verlichten, vers 5. Zolang Ik in de wereld ben, -en dat zal niet lang wezen- zo ben Ik het Licht der wereld. Hij had dit tevoren gezegd, Hoofdstuk 8:12. Hij is de Zon der gerechtigheid, die niet slechts licht heeft onder Zijne vleugelen voor hen, die zien kunnen, maar ook genezing onder Zijne vleugelen voor hen, die blind zijn en niet zien kunnen, hierin het grote licht verre overtreffende in kracht, dat tot heerschappij is van den dag. Christus wilde genezing schenken aan dien blinde, die de vertegenwoordiger is ener blinde wereld, omdat Hij gekomen is om het Licht der wereld te wezen, niet slechts om licht te geven, maar om het gezicht te geven. Dit geeft ons nu: Ten eerste. Een grote aanmoediging om tot Hem te komen als tot een leidend, levenwekkend, verkwikkend Licht. Op wie anders zullen wij zien dan op Hem? Waarheen zullen wij onze ogen richten? Waarheen anders dan naar het licht? Wij delen in het licht der zon, en zo kunnen wij delen in Christus' genade, zonder geld en zonder prijs.
Ten tweede. Een goed voorbeeld van nuttigheid in de wereld. Wat Christus zei van zich zelven, zei Hij van Zijne discipelen. Gij zijt het licht der wereld, en, is dit zo, laat dan uw licht schijnen. Waar zijn kaarsen anders voor gemaakt dan om te branden?
III. De wijze van genezing van den blinde, vers 6, 7. De omstandigheden van het wonder zijn merkwaardig, en ongetwijfeld ook veelbetekenend. Dit gezegd hebbende, tot onderrichting Zijner discipelen en ter opening van hun verstand, gaat Hij nu over tot het openen van de ogen des blinden. Hij stelde het niet uit tot Hij het, hetzij meer in het verborgen ter meerdere veiligheid, of wel nog meer in het openbaar ter Zijner meerdere eer, doen kon, of totdat de sabbat voorbij was, wanneer het minder aanstoot zou geven. Het goed, dat wij in de gelegenheid zijn te doen, behoren wij spoedig te doen. Hij, die nooit een goed werk wil doen voordat er gene bezwaren tegen ingebracht kunnen worden, zal menig goed werk voor altijd ongedaan laten blijven, Prediker 11:4. In de genezing valt op te merken:
1. De bereiding der ogenzalf. Christus spoog op de aarde, en maakte slijk uit dat speeksel. Hij zou hem hebben kunnen genezen met een woord, zoals Hij anderen genezen heeft, maar Hij verkoos het op die wijze te doen om te tonen, dat Hij aan generlei methode gebonden is. Hij maakte slijk van Zijn eigen speeksel, omdat er geen water bij de hand was, en Hij wilde ons leren niet kieskeurig te zijn, maar als het nodig is, tevreden te zijn met hetgeen voorhanden is, zo het slechts aan het doel beantwoordt. Waarom zouden wij een langen weg gaan voor iets, dat dichtbij te krijgen is? Christus, Zijn eigen speeksel gebruikende, geeft te kennen, dat er genezende kracht is in alles wat Christus toebehoort. Slijk uit Christus' speeksel gemaakt, was veel kostelijker dan de balsem van Gilead.
2. De aanwending er van. Hij streek dat slijk op de ogen des blinden. Hij deed het zelf, met Zijn eigen hand, hoewel de patiënt een bedelaar was. Nu heeft Christus dit gedaan: a. Om Zijn eigen macht te verheerlijken door aan een blinde het gezicht te geven op ene wijze, waarvan men zou denken, dat een ziende er blind door zou worden. Door slijk op de ogen te strijken, moeten zij gesloten worden, maar nooit zou dit de ogen kunnen openen. De macht van God werkt dikwijls door het tegenovergestelde, en Hij laat de mensen hun blindheid gevoelen, voor Hij hun het gezicht schenkt.
b. Om aan te duiden, dat het Zijn machtige hand was, die het eerst den mens uit het slijk, het stof der aarde, geformeerd heeft, want door Hem heeft God ook de wereld gemaakt, beide de grote wereld, en den mens, de kleine wereld. De mens was geformeerd uit leem, en Christus gebruikt hier dezelfde materialen, om het gezicht te geven aan het lichaam, die Hij eerst gebruikt heeft om aan het lichaam bestaan te geven.
c. Om de genezing en opening der ogen van den geest voor te stellen door de genade van Jezus Christus. Het doel van het Evangelie is der mensen ogen te openen, Handelingen 26:18. De ogenzalf nu, die dat werk verricht, is door Christus bereid, zij bestaat, niet gelijk deze uit Zijn speeksel, maar uit Zijn bloed, het bloed en het water, dat uit Zijn doorstoken zijde vloeide, voor die ogenzalf moeten wij tot Christus komen, Openbaring 3:18. Hij alleen is instaat, en Hij alleen is bestemd om haar te bereiden, Lukas 4:18. De middelen voor dit werk gebruikt, zijn zeer zwak, en zij worden alleen krachtig door de macht van Christus, toen een duistere wereld verlicht moest worden en aan ganse volken van blinde zielen de ogen geopend moesten worden, heeft God het dwaze, en het zwakke, en verachte gekozen om dit te doen. En de methode, die Christus volgt, is om de mensen eerst te doen gevoelen dat zij blind zijn, zoals deze arme man, wiens ogen met slijk werden bestreken, en hun dan het gezicht te geven. Bij zijn bekering werd Paulus met blindheid geslagen, drie dagen lang, en toen vielen hem de schellen van de ogen. De wijze, voorgeschreven om geestelijke wijsheid te verkrijgen is: dwaas te worden om wijs te mogen worden, 1 Corinthiërs 3:18. Onze blindheid moet ons, evenals aan dezen man hier, hinderlijk gemaakt worden, en dan worden wij genezen.
3. De voorschriften aan den patiënt, vers 7. Zijn Geneesheer zei tot hem: Ga heen, was u in het badwater Siloam. Niet, dat deze wassing nodig was om de genezing te werken, maar:
a. Christus wilde hiermede zijne gehoorzaamheid op de proef stellen, of hij met een onbepaald geloof en vertrouwen de orders zou opvolgen van iemand, die hem zo volkomen vreemd was.
b. Hij wilde ook zien in welke verhouding hij stond tot de inzettingen der ouden, die leerden, en ook wellicht hem hadden geleerd (want vele blinden hebben veel kennis), dat het niet geoorloofd was om zich geneeskundig de ogen te wassen op den sabbat, zelfs niet met speeksel, en nog veel minder om naar een badwater te gaan om ze te wassen.
c. Hij wilde hiermede de methode van geestelijke genezing voorstellen, waarbij wij plichten hebben te volbrengen, hoe- wel de uitwerking zuiver en alleen aan Zijne macht en genade moet toegeschreven worden. Ga heen, onderzoek de Schriften, heb omgang met de wijzen, woon de prediking des Woords en de bediening der sacramenten bij, dat is als het wassen in het badwater Siloam. De beloofde gaven der genade moeten verwacht worden in den weg der van God verordineerde genademiddelen. Voor hen, die in duisternis waren opgevoed, waren de wateren van den doop als het badwater van Siloam, waarin zij zich niet slechts konden wassen en rein zijn, maar zich konden wassen en hun ogen geopend krijgen. Vandaar, dat zij, die gedoopt waren, gezegd werden phootisthentes -verlicht te zijn, en de ouden noemden den doop phootismos -verlichting. Merk op betreffende dit badwater van Siloam: Dat het van water werd voorzien van den berg Zion, zodat dit wateren waren van het heiligdom, Psalm 46:5, levende wateren, die genezend waren, Ezechiël 47:9. Dat de wateren van Siloam vanouds den troon en het koninkrijk van het huis van David betekenden, wijzende op den Messias, Jesaja 8:6, en de Joden, die de wateren van Siloa verachtten, d.i. de leer en de wet van Christus, zich verheugden in de inzettingen der ouden. Christus wilde dezen man op de proef stellen, en zien of hij al of niet zich aan de wateren van Siloam wilde houden. De evangelist neemt nota van de betekenis van den naam, die overgezet wordt door gezonden. Christus wordt dikwijls de Gezondene Gods genoemd, de Engel- of Bode des verbonds, Maleachi 3:1, zodat Christus door hem tot het badwater Siloam te zenden, hem feitelijk tot zich zond, want Christus is alles in alles ter genezing der zielen. Als profeet wijst Christus ons op zich zelven als priester. Ga heen, was u in de fontein, die geopend is, ene fontein des levens, geen badwater, geen vijver.
4. Des lijders gehoorzaamheid aan deze bevelen: Hij dan ging heen, waarschijnlijk geleid door een vriend, of wellicht was hij zo bekend met Jeruzalem, dat hij er zelf den weg kon vinden. Het gemis van het gezicht wordt door de natuur dikwijls vergoed door een buitengewone schranderheid. En hij wies zich. De discipelen, of wellicht andere bijstanders, hebben hem waarschijnlijk meegedeeld, dat Hij, die hem dit gebood, Jezus was, van wie hij zoveel had gehoord, want anders zou hij wel niet op Zijn zeggen uitgegaan zijn, op hetgeen zozeer den schijn had van een vergeefse reis te zullen wezen, maar in vertrouwen op Christus' macht, zowel als in gehoorzaamheid aan Zijn bevel, ging hij, en wies zich.
5. De genezing volbracht: hij kwam, ziende. Er is groter heerlijkheid in dit beknopte verhaal: Hij ging, en wies zich, en kwam ziende, dan in Caesars Veni, vidi, vici -Ik kwam, ik zag, ik overwon. Toen het slijk afgewist was van zijne ogen, waren alle andere hindernissen er ook mede weggenomen, en als de weeën en worstelingen der nieuwe geboorte voorbij zijn, de smart en de verschrikking der overtuiging van zonde zijn weggenomen, dan zijn de banden der zonde ook daarmee verdwenen, en dan wordt dit alles door heerlijk licht en vrijheid gevolgd. Zie hier een voorbeeld van:
a. de macht van Christus. Wat kan Hij niet doen, die dit niet slechts doen kon, maar het zo kon doen? Met een weinig slijk, gelegd op ieder oog en er wederom afgewassen, heeft Hij onmiddellijk de staar gelicht, die de bekwaamste oogarts, met het fijnste instrument en de geoefendste hand niet vermocht weg te nemen. Ongetwijfeld is deze Hij, die komen zou, want door Hem ontvangen de blinden het gezicht.
b. Een voorbeeld van de kracht der geloofs en der gehoorzaamheid. Deze man liet Christus doen wat Hij wilde, en deed, wat Hij hem zei te doen, en aldus werd hij genezen. Zij, die door Christus genezen willen worden, moeten zich door Hem laten regeren en besturen. Hij kwam terug van het badwater tot zijne geburen en bekenden, zich verwonderende, en verwondering wekkende, hij kwam, ziende. Dit stelt het nut, het goed, voor, dat godvruchtige zielen vinden in het gebruikmaken van de door God verordineerde genademiddelen, naar Christus' bevel en aanwijzing, Zwak zijn zij naar het badwater van Siloam gegaan, versterkt zijn zij er van teruggekomen: met twijfel in het hart gingen zij, met overtuiging en voldoening zijn zij teruggekomen, treurende zijn zij heengegaan, zich verblijdende zijn zij wedergekeerd, zij gingen sidderend, triomferend kwamen zij terug, blind gingen zij, en komen weer ziende, komen weer juichende, Jesaja 52:8.