Johannes 9:13-34
Men zou gedacht hebben, dat een wonder, zoals Christus aan den blinde gewrocht had, Zijn roem voor goed gevestigd en allen tegenstand beschaamd en tot zwijgen gebracht zou hebben. Maar het had een tegenovergestelde uitwerking, in plaats van er door erkend te zijn geworden als profeet, werd Hij er als een misdadiger om vervolgd.
I. Het bericht, dat aan de Farizeeën van die zaak werd gegeven: zij brachten hem tot de Farizeeën, hem namelijk, die tevoren blind geweest was, vers 13. Zij brachten hem naar het groot sanhedrin, dat hoofdzakelijk uit Farizeeën bestond, tenminste waren het de Farizeeën, die het werkzaamst in het sanhedrin tegen Christus optraden.
1. Sommigen denken dat zij, die dezen man naar de Farizeeën brachten, het met goede bedoeling gedaan hebben, om hun te tonen, dat deze Jezus, dien zij vervolgden, niet was wat zij zich van Hem voorstelden, maar dat Hij een wezenlijk groot man was en iemand, die gewichtige blijken gaf van een Goddelijke zending te hebben. Wat ons van de waarheid en voortreffelijkheid van den Godsdienst overtuigd heeft, en ons vooroordeel er tegen heeft weggenomen, moeten wij gaarne, en zodra wij er de gelegenheid toe hebben, aan anderen voorhouden ter hunner overtuiging.
2. Maar het schijnt veeleer, dat zij het uit kwaadwilligheid gedaan hebben, om de Farizeeën nog meer tegen Christus te verbitteren, hetgeen toch waarlijk niet nodig was, want zij waren reeds bitter genoeg. Zij brachten hem tot de Farizeeën, om hun, evenals in Hoofdstuk 11:47, 48. te zeggen: Indien wij hem alzo laten geworden, zij zullen allen in hem geloven. Regeerders, die vervolgziek zijn, zullen altijd wel boze werktuigen ter hunner beschikking hebben, die het vuur aanblazen en hen nog erger maken dan zij al zijn.
II. De grond voor hun aanklacht, en hun voorstelling er van. Nooit heeft men het goede in diskrediet kunnen brengen, dan onder voorgeven dat het kwaad is. En de misdaad, waartegen men hier opkwam, vers 14, was, dat het de sabbat was. als Jezus het slijk maakte en zijne ogen opende. Voorzeker is de ontheiliging van den sabbat goddeloos, en geeft den mens een slecht karakter, maar de inzettingen der Joden hadden tot ene overtreding van de wet op den sabbat gemaakt, hetgeen het in de verste verte niet was. Zeer dikwijls was dit een onderwerp van strijd tussen Christus en de Joden, opdat het ten nutte der kerk van alle eeuwen voor goed beslist zou worden. Maar nu zou men kunnen vragen: "Waarom heeft Christus niet alleen op den sabbatdag wonderen willen doen, maar ze willen doen op zulk ene wijze, dat het, naar Híj wist, den Joden ergernis zou geven? Waarom heeft Hij, toen Hij den geraakte genas, hem bevolen zijn bed te dragen? Zou Hij dezen blinde niet hebben kunnen genezen, zonder slijk te maken?" Ik antwoord:
1. Hij wilde den schijn niet h ebben van toe te geven aan de macht, die de schriftgeleerden en Farizeeën zich ten onrechte hadden aangematigd. Hun regering was onwettig, hun oplegging van wetten willekeurig, en hun ijver voor uitwendige plechtigheden verteerde het eigenlijke wezen van den Godsdienst, en daarom wilde Christus hen ook niet een uur met onderwerping wijken. Christus is geworden onder de wet Gods, maar niet onder hun wet.
2. Hij deed dit, om door woord en daad de wet van het vierde gebod te verklaren, en haar tegenover hun verdorven uitleggingen te handhaven in haar oorspronkelijke betekenis en bedoeling, en ons aldus te leren, dat een wekelijkse sabbat steeds in de kerk gehouden moest worden, een dag in de zeven (immers, waartoe zou het nodig zijn die wet te verklaren, indien zij weldra opgeheven zou worden?) en dat hij door ons niet op ceremoniële wijze waargenomen moet worden, zoals hij door de Joden werd waargenomen. Werken van noodzakelijkheid en barmhartigheid zijn geoorloofd, en de sabbatsrust moet gehouden worden, niet zozeer om den wille van haar zelve, als wel om den wille van het sabbatswerk.
3. Christus verkoos Zijne genezingen op den sabbat te werken, om den dag te heiligen en te eren, en om aan te duiden, dat geestelijke genezingen voornamelijk op den Christelijken sabbatdag gewerkt moeten worden. Hoeveel blinde ogen zijn geopend geworden door de prediking van het Evangelie, die gezegende ogenzalf, op den dag des Heeren! Hoeveel zieke, onmachtige zielen zijn op dien dag niet genezen!
III. Het onderzoek dezer zaak door de Farizeeën, vers 15. Wij zien hier zoveel hartstocht, vooroordeel en kwaadwilligheid, en zo weinig billijkheid en verstand, dat geheel hun onderzoek uit niets dan twistvragen bestaat. Men zou denken, dat, als iemand onder zulke omstandigheden voor hen gebracht wordt, zij zo vervuld zouden zijn van bewondering voor het wonder en blijdschap over het geluk van den armen man, dat zij niet gemelijk of bars met hem kunnen wezen. Maar hun vijandschap tegen Christus had hen van alle menselijkheid ontdaan. Laat ons zien hoe zij den man plaagden.
1. Zij ondervragen hem nopens de genezing zelf.
a. Zij betwijfelen of hij inderdaad blindgeboren was, en vragen naar bewijs van hetgeen door de vervolgers zelven erkend was, vers 18:Zij geloofden van hem niet, dat is: zij wilden niet geloven, dat hij blindgeboren was. Mensen, die ene gelegenheid zoeken om met de blijkbaarste waarheden te twisten, kunnen, als hun dit behaagt, die gelegenheid vinden, en zij, die besloten zijn aan bedrog vast te houden, zullen nooit verlegen zijn om een handvat, waarmee zij het kunnen vasthouden. Dit was geen wijze voorzichtigheid, maar een bevooroordeeld ongeloof. Toch slaan zij den rechten weg in om de zaak tot klaarheid te brengen: zij riepen de ouders degene, die ziende geworden was. Dit deden zij in de hoop van het wonder te kunnen wederleggen. Deze ouders waren arm en vreesachtig, en indien zij gezegd hadden, dat zij er niet zeker van waren, dat deze hun zoon was, of, dat hij slechts ietwat zwak van gezicht was geweest van zijne geboorte af, welke zwakheid reeds voorlang verdwenen zou zijn, zo zij slechts hulp van een arts hadden kunnen verkrijgen, of indien zij andere uitvluchten hadden gezocht uit vrees van het hof te mishagen, dan zouden de Farizeeën hun doel hebben bereikt, Christus van de eer van dit wonder hebben beroofd, waardoor de roem van alle andere getaand zou zijn. Maar God heeft hun raadslag zo geleid, dat er juist een krachtiger bewijs van het wonder door geleverd werd, waardoor zij in de noodzakelijkheid kwamen om of overtuigd of beschaamd te worden. In dit stadium van het onderzoek nu hebben wij de vragen, die hun gedaan werden, vers 19. Zij vroegen hun, op gebiedenden, dreigenden toon: Is deze uw zoon? Durft gij er een eed op doen? Zegt gij, dat hij blindgeboren is? Zijt gij er zeker van? Of heeft hij dit slechts voorgewend om te kunnen bedelen? Hoe ziet hij dan nu? Dat is onmogelijk, en daarom zoudt gij beter doen met het te ontkennen of te herroepen". Zij, die het licht der waarheid niet kunnen verdragen, doen al het mogelijke om het te verduisteren, en er de ontdekking van te verhinderen. Zo gebeurt het, dat de leiders van het getuigenverhoor, of liever de misleiders er van, de getuigen van den weg afvoeren, en hun leren de waarheid te verhelen of te vermommen, en aldus een dubbele schuld op zich te laden, zoals Jerobeam, die zondigde en Israël heeft doen zondigen. Hun antwoord op deze ondervraging, waarin zij: Ten eerste. Volmondig erkennen wat zij in deze zaak veilig konden erkennen, veilig, of gerust, van wege hun kennis er van, en veilig zonder zich aan gevaar van gevangenneming er door bloot te stellen, vers 20. Wij weten, dat deze onze zoon is, (want zij gingen dagelijks met hem om, en hadden zulk een genegenheid voor hem, als de ware moeder gehad heeft, 1 Koningen 3:26, waardoor zij wisten, dat hij hun eigen zoon was), en wij weten, dat hij blindgeboren is. Zij hadden wel reden dit te weten, daar het hun menige droevige gedachte gekost heeft en menige zorgvolle en moeitevolle ure. Hoe dikwijls hadden zij hem aangezien met smart, hebben zij getreurd over de blindheid van hun kind, meer dan over al de lasten en ongerieflijkheden van hun armoede, hebben zij gewenst, dat hij nooit ware geboren, veeleer dan tot zulk een droevig, troosteloos leven te zijn geboren! Zij, die zich schamen over hun kinderen of andere bloedverwanten, vanwege hun lichaamsgebreken, kunnen zich bestraft gevoelen door deze ouders, die volmondig erkenden: Dit is onze zoon, hoewel hij blindgeboren was en van aalmoezen moest leven.
Ten tweede. Voorzichtig weigeren zij ieder getuigenis omtrent zijne genezing, deels omdat zij er gene ooggetuigen van waren, en er dus niets uit hun eigen weten van konden zeggen, en deels omdat zij bemerkten, dat het een teer punt raakte, waarmee zij niets te doen wilden hebben. Zij hebben erkend, dat hij hun zoon was, en dat hij blind was geboren, maar nu wilden zij zich verder over niets uitlaten.
A. Merk op hoe behoedzaam zij zich uitdrukken, vers 21. Hoe hij nu ziet, weten wij niet, of wie zijne ogen geopend heeft, weten wij niet. "Wij weten het niet anders dan van horen zeggen, wij zouden niet kunnen zeggen door welk middel of door wiens hand het geschied is". Zie hoe de wijsheid dezer wereld de mensen leert om in moeilijke ogenblikken de zaak te schikken en te plooien. Christus was beschuldigd van een sabbatschender en bedrieger te zijn. Hoewel nu deze ouders van den blinde gene ooggetuigen waren geweest van zijne genezing, waren zij er toch volkomen zeker van, en dankbaarheid had hen moeten verplichten om hun getuigenis te geven tot eer van den Heere Jezus, die hun zoon zo groot ene weldaad had bewezen. Maar zij hadden er den moed niet toe: en zij dachten, dat hun niet spreken ten Zijnen gunste vergoed werd door hun niets zeggen ten Zijnen nadele, terwijl toch ten dage des oordeels hij, die niet blijkbaar en openlijk voor Christus is, terecht aangemerkt wordt als in werkelijkheid tegen Hem te zijn, Lukas 9:23, Markus 8:38. Om nu verder niet lastig gevallen te worden in deze zaak, verwijzen zij het hof naar hem: Hij heeft zijn ouderdom, vraagt hem zelven. Hierin ligt opgesloten, dat zolang kinderen minderjarig zijn (zolang zij nog kinderen zijn, die niet kunnen spreken) het de plicht der ouders is om voor hen te spreken, voor hen te spreken tot God in het gebed, voor hen te spreken tot de gemeente in den doop, maar als zij hun leeftijd hebben, dan voegt het, dat hun gevraagd wordt, of zij bereid zijn gestand te doen wat hun ouders voor hen beloofd hebben, en hen voor zich zelven te laten spreken. Deze man, hoewel blindgeboren, scheen een vlug verstand te hebben boven velen, waardoor hij instaat was beter te kunnen spreken voor zich zelven dan zijne vrienden voor hem konden spreken. Zo heeft God dikwijls door Zijn vriendelijke voorzienigheid vergoeding geschonken in den geest, of het verstand, voor wat in het lichaam tekort kwam, 1 Corinthiërs 12:23, 24. Dat zijne ouders hen naar hem verwezen, geschiedde slechts om zich zelven moeilijkheden te besparen, maar hierdoor hebben zij hem aan gevaar blootgesteld, terwijl zij toch zoveel belang hadden bij den zegen en de goedertierenheid, die hem waren bewezen, dat zij ook in zijne gevaren hadden moeten delen voor de eer van dien Jezus, die zoveel voor hen gedaan had. B. Zie de reden, waarom zij zo omzichtig waren, vers 22, 23, omdat zij de Joden vreesden. Het was niet om hun zoon te eren, door hem voor zich zelven te laten spreken, of omdat zij de zaak opgehelderd wilden hebben door hem, die er het best toe instaat was, maar omdat zij, zoals de meeste mensen, die in zorg verkeren, doen, de moeilijkheid van zich af wilden schuiven, zonder er zich om te bekommeren, wie anders er door in ongelegenheid zal komen. Na staat mij mijn vriend, en na staat m ij mijn kind, en wellicht ook mijn Godsdienst, maar ik ben mij zelven het naast - Proximus egomet mihi. Maar het Christendom leert ons een andere les, 1 Corinthiërs 10:24, Esther 8:6. Hier is:
a. De wet, onlangs door het sanhedrin uitgevaardigd. Er was een besluit genomen en door hen bekrachtigd, dat, zo iemand binnen hun rechtsgebied beleed, dat Jezus de Christus is, hij uit de synagoge zou geworpen worden. Merk op: De misdaad in deze wet omschreven, die gestraft en voorkomen moest worden, was Jezus van Nazareth aan te nemen als den beloofden Messias, en dit te doen blijken door een openlijke daad, gelijkstaande met Hem te belijden. Zij zelven verwachtten een Messias, maar zij konden het denkbeeld niet verdragen, dat het Jezus zou zijn, en zij konden niet eens de vraag toelaten of Hij het al of niet was, en wel om twee redenen.
Ten eerste. Omdat Zijne geboden zo tegenovergesteld waren aan hun traditionele wetten. De geestelijke aanbidding, door Hem voorgeschreven, wierp hun vormendienst omver, en er was niets. dat zo verwoestend werkte op hun eenzijdigheid en bekrompenheid, dan de liefde jegens ieder, die door Hem gepredikt werd. Ootmoed en zelfverzaking, bekering en zelfverloochening waren leringen, die gans nieuw voor hen waren, hun hard en vreemd in de oren klonken. Ten tweede. Omdat Zijne verschijning en Zijne beloften zo volstrekt tegenovergesteld waren aan hun traditionele verwachtingen. Zij verwachtten een Messias in uitwendigen glans en heerlijkheid, die de natie niet slechts van het Romeinse juk zou bevrijden, maar de grootheid van het sanhedrin zou bevorderen, er al de leden van tot prinsen en rijksgroten zou verheffen. En nu te horen van een Messias, wiens uiterlijke omstandigheden allen even gering en armelijk waren, wiens eerste verschijning en voornaamste verblijfplaats in Galilea waren, dus in een geminachte provincie, die hun nooit het hof had gemaakt, nooit naar hun gunst had gedongen, wiens volgelingen noch mannen waren van het zwaard, noch mannen van den tabbaard, noch mannen van enigerlei aanzien, maar geringe vissers, die gene verlossing voorstelde, noch beloofde, dan van de zonde, gene vertroosting Israël's, dan die geestelijk en Goddelijk is, en intussen Zijnen volgelingen zei, dat zij het kruis moesten verwachten en op vervolging moesten rekenen, dit alles was zulk een smaad voor al de denkbeelden, die zij zich hadden gevormd, en waarmee zij den geest des volks hadden vervuld, zulk een slag voor hun macht en hun belangen, zulk ene teleurstelling van hun hoop, dat zij er zich nooit mede konden verzoenen, ja er zelfs niet met geduld naar konden luisteren, maar dat, terecht of te onrecht, verpletterd en vernietigd moest worden. De straf, die zij op dit misdrijf hadden gesteld. Indien iemand zich als een discipel van Jezus zou bekennen, die zou geacht worden een afvallige te zijn van het geloof der Joodse kerk, en een weerspanneling en verrader tegen de overheid er van. Daarom moest hij uit de synagoge geworpen worden, als iemand, die zich de eer en de voorrechten der kerk onwaardig had gemaakt, hij moest in den ban gedaan worden, buitengesloten van de gemeenschap Israël's. En dit was niet slechts een kerkelijke censuur, die door iemand, die niet gaf om hun gezag, gering geacht kon worden, maar het was een wezenlijke vogelvrijverklaring, waardoor men van den maatschappelijken omgang werd uitgesloten, en van vrijheid en eigendom werd beroofd. Christus' heilige Godsdienst is van zijn ontstaan af, tegengestaan door strafwetten, die tegen de belijders er van uitgevaardigd werden, alsof de consciëntie der mensen hem anders natuurlijkerwijze omhelsd zou hebben, is deze onnatuurlijke dwang er op gelegd geworden. Als het bevel over de wapenen der kerk in verkeerde handen is gekomen, dan zijn die wapenen dikwijls tegen haar zelve gekeerd geworden, en de kerkelijke censuur is dikwijls dienstbaar gemaakt aan vleselijke, wereldse belangen. Het is niets nieuws diegenen uitgeworpen te zien uit de synagoge, die er het grootste sieraad en de grootste zegen van geweest zijn, en degenen, die hen uitwierpen te horen zeggen: Dat de Heere heerlijk worde, Jesaja 66:5. Van dit edict nu wordt gezegd:
1. Dat de Joden tezamen een besluit hadden gemaakt, of samen gespannen hadden. Hun samen beraadslagen hierover was een samenspanning tegen de kroon en de waardigheid van den Verlosser, tegen den Heere en Zijn Gezalfde.
2. Dat zij er voor overeengekomen waren. Hoewel Hij slechts enkele maanden in een openbare hoedanigheid onder hen verkeerd had, en Hij- naar men zou denken-in zo korten tijd hen niet afgunstig op zich gemaakt kon hebben, waren zij zich toch spoedig bewust van Zijn toenemenden invloed, en waren zij reeds overeengekomen het uiterste te doen om dien te stuiten. Kort tevoren was Hij uit den tempel ontkomen, en toen zij zich teleurgesteld zagen in hun pogingen om Hem gevangen te nemen, namen zij nu den maatregel om het strafbaar te maken voor ieder om Hem te bekennen of te belijden. Zo eenstemmig en zo vaardig zijn de vijanden der kerk in hun raadslagen, maar die in den hemel zit zal lachen, de Heere zal hen bespotten, en dat kunnen ook wij.
b. De invloed, dien deze wet had op de ouders van den blinde. Zij weigerden iets van Christus te zeggen, en schoven het op hun zoon, omdat zij de Joden vreesden. Om hun zoon ene weldaad te bewijzen had Christus zich aan het misnoegen der oversten blootgesteld, maar zij wilden zich hier niet aan blootstellen om Hem te eren. De siddering des mensen legt een strik, Spreuken 29:25, en doet de mensen dikwijls Christus en Zijne waarheid verloochenen en tegen hun geweten handelen. De ouders hebben zich dan nu uit de moeilijkheid gered, zij kunnen heengaan, laat ons nu het onderzoek met den man zelven voortzetten. De twijfel der Farizeeën of de man wel blindgeboren was, is door hen buiten twijfel gesteld, en daarom:
b. Vroegen zij hem, hoe hij ziende geworden was, en maakten er hun aanmerkingen op, vers 15, 16. Dezelfde vraag, die zijne geburen hem hadden gedaan, werd hem wederom door de Farizeeën gedaan: hoe hij ziende was geworden. Dit vroegen zij niet in de oprechte begeerte om de waarheid te vernemen, maar met de begeerte om ene gelegenheid tegen Christus te vinden, want, zo de man het verhaal volledig deed, zouden zij bewijzen, dat Christus een sabbatschender is. Week hij echter af van zijn oorspronkelijk verhaal, dan zouden zij een schijn of voorwendsel hebben om het geheel tot een bedrieglijke afspraak tussen hen te verklaren. Hetzelfde antwoord, dat hij zijnen geburen had gegeven, herhaalt hij voor de Farizeeën: Hij legde slijk op mijne ogen, en ik wies mij, en ik zie. Hij spreekt hier niet van het maken van het slijk, want hij had het ook niet zien maken. Die bijzonderheid was van geen essentieel belang, en zou de Farizeeën wellicht gelegenheid tegen Hem gegeven hebben, en daarom zwijgt hij hierover. In het vorig verhaal had hij gezegd: Ik wies mij en werd ziende, maar opdat zij nu niet zouden denken, dat het slechts een schijn, ene flikkering van licht was, die hij in zijn verhitte verbeelding meende te hebben, zegt hij nu: Ik zie. Het is een volkomen en duurzame genezing. De aanmerkingen, die er op gemaakt werden, waren zeer verschillend, en veroorzaakten een debat in het hof, vers 16. Ten eerste. Sommigen maakten gebruik van deze gelegenheid om hun afkeuring van Christus uit te spreken, en Hem te veroordelen om hetgeen Hij gedaan had. Sommigen der Farizeeën zeiden: Deze mens is van God niet -zoals hij voorgeeft-want hij houdt den sabbat niet.
1. De leer, waarop die afkeuring gegrond is, is zeer waar-dat diegenen niet van God zijn -die voorwenders van profetie niet van God gezonden zijn, die voorwenders van heiligen te wezen, niet van God zijn geboren -die den sabbat niet houden. Zij, die van God zijn, zullen de geboden van God houden, en dit is Zijn gebod, dat wij den sabbatdag heiligen. Zij, die van God zijn, houden gemeenschap met God, verlustigen er zich in van Hem te horen en tot Hem te spreken, en daarom zullen zij den sabbat waarnemen, die een dag is, bestemd om gemeenschap te oefenen met den hemel. De sabbat wordt een teken genoemd, want de heiliging er van is een teken van een geheiligd hart, en het ontheiligen er van een teken van een onheilig hart. Maar:
2. De toepassing er van op onzen Zaligmaker is zeer onrechtvaardig, want Hij heeft den sabbatdag godsdienstig waargenomen, en hem nooit geschonden, Hij heeft nooit anders dan goed gedaan op den sabbat. Hij heeft den sabbat niet gehouden volgens de inzetting der ouden en de bijgelovige wijze van hem waar te nemen der Farizeeën, maar Hij hield hem overeenkomstig het gebod van God, en Zijne wonderen bewezen Hem een Heere te zijn ook van den sabbat. Veel onrechtvaardig en liefdeloos oordelen wordt veroorzaakt doordat de mensen de regelen van den Godsdienst strikter en strenger maken dan God ze gemaakt heeft, en door aan Gods verordeningen hun eigen grillen toe te voegen, zoals de Joden hier ten opzichte van de sabbatsheiliging. Wij kunnen voor ons zelven dit of dat op den sabbat nalaten, als wij bemerken, dat het ons anders zou afleiden, en daar doen wij wèl aan, maar daarom mogen wij anderen niet aan diezelfde strikte regelen binden. Alles wat wij ons ten regel van handelen hebben gesteld, moet niet terstond tot een regel om naar te oordelen worden gemaakt.
Ten tweede. Anderen spraken ten Zijnen gunste, en zeiden zeer gepast: Hoe kan een mens, die een zondaar is, zulke tekenen doen? Het schijnt, dat zelfs in dezen raad der goddelozen er sommigen waren, die een vrije gedachte konden hebben en getuigen waren voor Christus, zelfs temidden Zijner vijanden. Het feit was duidelijk, dat dit een waar wonder was, hoe scherper onderzoek men er naar instelde, hoe duidelijker dit in het licht trad, en dit bracht Zijn vroegere gelijksoortige werken in de herinnering terug, en gaf aanleiding om er met groten lof van te spreken, toiauta sêmeia -zulke grote tekenen, zo vele, zo blijkbare. En zeer natuurlijk is de gevolgtrekking, die er uit afgeleid wordt: Zulke dingen konden niet gedaan worden door een mens, die een zondaar is, dat is: niet door een bloot mens in zijn eigen naam en door zijn eigen kracht, of liever, niet door iemand, die een bedrieger is, een zondaar in dien zin. Zo iemand kan wel enige "tekenen en wonderen der leugen" tonen, maar niet zulke tekenen en wezenlijke wonderen, als die door Christus gewrocht werden. Hoe zou iemand zulke Goddelijke geloofsbrieven kunnen tonen, als hij geen Goddelijke opdracht had? Zo was er dan tweedracht onder hen, een schisma, zoals het woord is. Hun denkbeelden druisten in tegen elkaar, een warme woordenwisseling ontstond, en zo kwam er verdeeldheid. Aldus doet God de raadslagen Zijner vijanden teniet door verdeeldheid onder hen te brengen, en door getuigenissen als deze, gegeven tegen de boosaardigheid der vervolgers, en de hinderpalen, die zij ontmoeten, worden hun boze plannen tegen de kerk soms onvruchtbaar, en altijd onverschoonbaar gemaakt. 2. Na hun onderzoek, dat zij instelden omtrent de genezing, hebben wij nu te letten op hun onderzoek betreffende den werker er van. Merk hier op:
a. Wat de man van Hem zei in antwoord op hun vraag. Zij vragen hem, vers 17:Gij, wat zegt gij van hem, dewijl hij uwe ogen geopend heeft? Wat is uwe mening omtrent zijn doen? Wat denkt gij van hem, die het gedaan heeft?" Indien hij nu minachtend van Christus zou spreken, zoals hij in verzoeking kon wezen van te doen om hen te behagen, nu hij zich in hun macht bevond, en zoals ook zijne ouders gedaan hebben-indien hij zou zeggen: "ik weet niet wat van hem te denken, voor zoveel ik weet, zou hij een goochelaar of een kwakzalver kunnen zijn-dan zouden zij hierin getriomfeerd hebben. Niets bevestigt Christus' vijanden zozeer in hun vijandschap tegen Hem, als de minachting, waarmee diegenen van Hem spreken, die voor Zijne vrienden gehouden werden. Indien hij echter met lof en eerbied van Hem zou spreken, dan zouden zij hem vervolgen uit kracht van hun nieuwe wet, waarvan niemand, dus ook Zijn eigen patiënt niet, uitgezonderd was. Zij zouden hem tot een voorbeeld stellen, en aldus anderen er van afschrikken om zich tot Christus te wenden om genezing, waarvoor zij hen-hoewel goedkoop genoeg van de zijde van Christus-duur zouden laten betalen. Of wellicht hebben Christus' vrienden voorgesteld om des mans eigen gevoelen omtrent zijn Geneesmeester te vragen, omdat zij, daar hij een verstandig man bleek te zijn, dit gaarne zouden vernemen. Zij, wier ogen door Christus geopend zijn, weten het best wat van Hem te zeggen, en grote reden hebben zij om voor alles bij elke gelegenheid goed van Hem te spreken. Wat dunkt ons van Christus? Op deze vraag geeft de arme man een kort, duidelijk, rechtstreeks antwoord: Hij is een profeet. Hij is iemand, door God bezield en gezonden om te prediken en wonderen te doen, en aan de wereld een Goddelijke boodschap te brengen". Er waren nu gedurende drie honderd jaren geen profeten onder de Joden geweest, maar zij hebben daar niet uit opgemaakt, dat zij er geen meer hebben zouden, want zij wisten, dat Hij nog komen moest, die het gezicht en de profeten zou verzegelen, Daniël 9:24. Het schijnt dat deze man er geen denkbeeld van had, dat Christus de Messias was, de grote Profeet, hij stelde zich voor, dat Hij er een was van dezelfden rang als de andere profeten. De Samaritaanse vrouw kwam op het denkbeeld, dat Hij een profeet was, voordat zij er aan dacht, dat Hij de Messias kon zijn, Hoofdstuk 4:19. En zo heeft deze man goede gedachten van Christus, naar het licht, dat hij had, hoewel zijne gedachten omtrent Hem niet goed genoeg waren, maar, getrouw zijnde in hetgeen hij reeds verkregen had, heeft God hem zelfs dat geopenbaard. Deze arme blinde bedelaar had een helderder oordeel omtrent de dingen, belangende Gods koninkrijk, en sloeg een dieper blik in de bewijzen van een Goddelijke zending, dan de leraren in Israël, die zich het gezag aanmatigden om de profeten te oordelen.
a. Wat zij van Hem zeiden in antwoord op des mans getuigenis. Tevergeefs gepoogd hebbende het bewijs van het feit krachteloos te maken, en bevindende, dat er werkelijk een bekend teken geschied was, dat zij niet konden loochenen, vernieuwen zij hun poging om er den spot mede te drijven, het als iets nietigs voor te stellen, en de goede mening aan het wankelen te brengen, die de man koesterde van Hem, die zijne ogen had geopend, en hem er van te overtuigen, dat Christus een slecht mens is, vers 24. Geef God de eer, wij weten dat deze mens een zondaar is. Dit wordt verstaan op tweeërlei wijze: Als raadgeving, om er zich voor te wachten den lof zijner genezing toe te schrijven aan een zondigen mens, maar hem geheel alleen aan God toe te brengen, aan wie hij toekomt. Onder schijn dus van ijver voor de ere Gods, beroven zij Christus van Zijne eer, zoals zij, die Christus niet als God willen aanbidden onder voorwendsel van deze grote waarheid, dat er slechts een God is, die aangebeden moet worden, terwijl het toch Zijn geopenbaarde wil is, dat allen den Zoon zullen eren, gelijk zij den Vader eren, en door te belijden, dat Christus de Heere is, wij ere geven aan God den Vader. Als God mensen, die zondaren zijn, gebruikt als Zijne werktuigen om ons goed te doen, dan moeten wij God de ere geven, want ieder schepsel is datgene voor ons, wat Hij het voor ons maakt, of doet zijn, en toch zijn wij ook aan die werktuigen dank verschuldigd. Het was een goed woord: Geef God de ere, maar het werd hier verkeerd toegepast, en er schijnt ook dit in opgesloten te zijn: "Deze mens is een zondaar, een slecht mens, geef dus zoveel te meer eer aan God, die door zulk een werktuig heeft kunnen werken." Als bezwering, zoals sommigen het opvatten. "Wij weten (hoewel gij het niet weet, die zo kortelings als in een nieuwe wereld zijt gekomen) dat deze mens een zondaar is, een groot bedrieger, die het land misleidt. Wij zijn daar zeker van, geef dus Gode eer" (zoals Jozua zei tot Achan) door een oprechte bekentenis te doen van de bedrieglijke afspraak, die, naar wij vast geloven, hier heeft plaatsgehad. In den naam van God, o mens, spreek de waarheid. Evenzo wordt Gods naam misbruikt door de pauselijke inquisitie, wanneer zij door eden ex officio aan de onschuldigen beschuldigingen ontwringen tegen zich zelven, en aan de onwetenden tegen anderen. Zie hoe laag zij spreken van den Heere Jezus: Wij weten dat deze mens een zondaar is, een mens der zonde. Waarbij wij kunnen opmerken: Ten eerste. Hun onbeschaamdheid en hoogmoed. Toen zij den man vroegen, wat hij van Hem dacht, wilden zij niet, dat men zou menen dat zij inlichtingen behoefden. Neen, zij weten zeer goed, dat hij een zondaar is, en niemand kan hen van het tegendeel overtuigen. Hij had hen zelven in hun bijzijn getart Hem van zonde te overtuigen, Hoofdstuk 8:46, en zij hadden toen niets t e zeggen gehad, maar nu spreken zij achter Zijn rug van Hem als van een kwaaddoener, die schuldig was verklaard door een openbaar getuigenis van het feit. Zo trachten de valse beschuldigers het gebrek aan bewijs te verhelpen door overvloed van brutale vermetelheid. Ten tweede. De belediging hierdoor den Heere Jezus aangedaan. Toen Hij mens is geworden, heeft Hij niet alleen de gestaltenis eens dienstknechts, maar ook die eens zondaars aangenomen, Romeinen 8:3, en ging Hij evenals de overigen van het menselijk geslacht, door voor een zondaar. Ja meer, Hij werd voorgesteld als een zondaar boven alle andere mensen, en zonde voor ons gemaakt zijnde, heeft Hij zelfs die schande veracht.
3. In het twistgesprek tussen de Farizeeën en dezen armen man betreffende Christus, zeggen zij: Hij is een zondaar. Hij zegt: Hij is een profeet. Gelijk het ene bemoediging is voor hen, die bezorgd zijn om de zaak van Christus, te hopen, dat zij nooit te gronde zal gaan uit gebrek aan getuigen, als zij zien hoe een arme blinde bedelaar, als van den weg opgeraapt, tot een getuige van Christus gemaakt wordt tegenover Zijn onbeschaamde vijanden, zo is het ook ene bemoediging voor hen, die geroepen worden om van Christus te getuigen, te zien met hoeveel beleid en moed deze man zich heeft verdedigd, overeenkomstig de belofte: het zal u in dezelve ure gegeven worden, wat gij spreken zult. Hoewel hij Jezus nooit gezien had, had hij Zijne genade gevoeld. Nu kunnen wij in de woordenwisseling tussen de Farizeeën en dezen armen man drie dingen opmerken.
a. Hij houdt vast aan het feit, waarvan zij het bewijs zoeken omver te werpen. Het is het best om hetgeen twijfelachtig is, op te lossen in hetgeen duidelijk is, en daarom blijft hij bij hetgeen voor hem zelven ten minste, en voor zijn eigen overtuiging, onbetwistbaar was, vers 25. Of hij een zondaar is, weet ik niet. "Daarover wil ik in geen twist komen, en dat behoeft ook niet, de zaak is duidelijk, en al zou ik ook zwijgen, zou zij voor zich zelf spreken". Of, gelijk men het beter zou weergeven: "Of hij een zondaar is weet ik niet. Ik heb geen reden om het te zeggen, wèl het tegendeel, want dit ene ding weet ik, en daarvan kan ik zekerder zijn dan gij van hetgeen gij zo vast gelooft, dat ik blind was en nu zie. En daarom moet ik niet slechts zeggen, dat hij een goed vriend voor mij geweest is, maar dat hij een profeet is. Ik kan goed voor hem spreken en ik behoor goed van hem te spreken". Zie nu hier: Ten eerste. Hoe hij stilzwijgend deze hun grote verzekerdheid van de slechtheid, die zij den gezegenden Jezus toeschrijven, bestraft. "Gij zegt, te weten dat hij een zondaar is, ik, die hem even goed ken als gij, kan hem zulk ene hoedanigheid niet toeschrijven". Ten tweede. Vrijmoedig steunt hij op zijn eigen ervaring van de macht en goedheid van den heiligen Jezus, en hij besluit zich daaraan te houden. Met ervaring valt niet te twisten, en men kan iemand niet wegredeneren van zijne zinnen. Hier is iemand, die wel waarlijk een ooggetuige is van de macht en de genade van Christus, hoewel hij Hem nooit had gezien. Gelijk Christus' weldaden het meest gewaardeerd worden door hen, die er het gemis van gekend hebben, die blind geweest zijn en nu zien, zo is het de sterkste en duurzaamste liefde voor Hem, die voortkomt uit een bevindelijke kennis van Hem, 1 Johannes 1, Handelingen 4:20. De arme man geeft hier geen opgesmukt verhaal van zijne genezing. hij wil er ook geen wijsgerige beschrijving of beschouwing van geven, kortweg zegt hij: Ik was blind, en nu zie ik. Zo is het ook met het werk der genade in de ziel, ofschoon wij niet kunnen zeggen wanneer en hoe, door welke middelen de gezegende verandering in ons gewrocht werd, en hoe er de voortgang of toeneming van was, kunnen wij er toch de vertroosting van genieten, indien wij door genade instaat zijn te zeggen: Ik was blind, en nu zie ik. Ik heb een vleselijk, werelds, zinnelijk leven geleid, maar, Gode zijn dank, nu is het anders met mij". Efeze 5:8. Zij pogen het getuigenis te verijdelen en te smoren door een nodeloze herhaling van hun vragen, vers 26.
Wat heeft hij u gedaan? hoe heeft hij uwe ogen geopend? Zij doen deze vragen: Ten eerste. Omdat zij toch iets wilden zeggen, en nog liever wilden spreken op ene wijze, die vreemd was aan de zaak, er niets aan af of toedeed, dan tot zwijgen gebracht en verslagen te schijnen. Zo zullen onstuimige twistredenaars, die het laatste woord willen hebben, door zulke ijdele herhalingen, ten einde de schande van tot zwijgen gebracht te zijn te ontgaan, menig ijdel woord voor hun rekening nemen. Ten tweede. Omdat zij hoopten door den man zijn getuigenis te laten herhalen, hem op ene onjuistheid of ene tegenspraak met zich zelven te betrappen, en dan, denken zij, zouden zij al veel gewonnen hebben.
b. Hij verwijt hun hun hardnekkig ongeloof en onverwinbare vooroordelen, en zij smaden hem als een discipel van Jezus, vers 27-29, waar de man vrijmoediger is tegenover hen, en zij scherper zijn tegenover hem dan tevoren. De man verwijt hun vrijmoedig hun moedwillig, onredelijk tegenstaan van het getuigenis van dit wonder, vers 27. Hij wilde hun het genoegen niet geven van nog eens hetzelfde verhaal te doen, maar antwoordde kloekmoedig: Ik heb het u alrede gezegd, en gij hebt het niet gehoord, wat wilt gij het wederom horen? wilt gijlieden ook zijne discipelen worden? Sommigen denken, dat hij in ernst sprak, en wezenlijk verwachtte dat zij overtuigd zouden worden. "Hij heeft vele discipelen, ik zal er een zijn, wilt ook gij onder hen komen?" Sommige ijverige jonge Christenen zien zo veel reden voor den Godsdienst, dat zij denken, dat iedereen weldra van hun mening zal zijn. Maar hij schijnt veeleer ironisch gesproken te hebben: Wilt gijlieden ook zijne discipelen worden? Neen, ik weet dat gij het denkbeeld verafschuwt, waarom begeert gij dan te horen hetgeen u of zijne discipelen zal maken, of u zonder verontschuldiging zal laten indien gij het niet zijt?" Zij, die moedwillig hun ogen sluiten voor het licht, zoals deze Farizeeën hier gedaan hebben, maken zich: Ten eerste, laag en verachtelijk, zoals dezen hier, die met recht door dezen armen man tentoongesteld worden, wegens hun weigeren, of niet toelaten van de conclusie, als zij toch niets tegen de premissen hebben in te brengen. Ten tweede, verbeuren zij al het voordeel van verder onderricht en middelen ter overtuiging of kennis. Waarom zou men aan hen, aan wie het eens gezegd werd, en die toen niet wilden horen, het nog eens zeggen? Jeremia 51:9. Zie Mattheus 10:14. Ten derde: Ontvangen zij hierdoor de genade Gods tevergeefs. Dat ligt opgesloten in dit: "Wilt gij ook zijne discipelen worden? Neen, gij wilt dit niet, waarom wilt gij het dan wederom horen? Alleen maar om zijne beschuldigers en vervolgers te zijn?" Men zou zo denken dat zij, die gene reden zien om Christus te omhelzen, toch wel reden genoeg moesten zien om Hem en de Zijnen niet te haten en te vervolgen. Hierom verachten en smaden zij hem, vers 28. Toen zij de wijsheid niet konden weerstaan, waarmee hij sprak, werden zij driftig en gaven hem scheldwoorden. Zie wat Christus' getrouwe volgelingen moeten verwachten van de tegenstanders van Zijne zaak en waarheid, laat hen verwachten, dat alle kwaad tegen hen gesproken zal worden, Mattheus 5:11. De methode, die gewoonlijk door den onredelijken mens gevolgd wordt, is des te overvloediger te zijn in smaadredenen, naarmate er minder billijkheid aan hun zijde is.
Ten eerste. Zij smaden dien man wegens zijne genegenheid voor Christus. Gij zijt zijn discipel, zeiden zij, alsof dat reeds schande genoeg was, en zij hem niets ergers konden zeggen. "Wij verachten het zijne discipelen te zijn, en zullen die eer overlaten aan u en aan zulke schurken als gij zijt". Zij doen wat zij kunnen om Christus' Godsdienst in een kwaad gerucht te brengen, en het belijden er van als iets verachtelijks en ergerlijks voor te stellen.
Zij gaven hem scheldwoorden. De Vulgata geeft er deze lezing van: maledixesunt eum -zij vervloekten hem. En wat was hun vloek? Deze: Wees gij zijn discipel. "Moge zulk een vloek", zegt Augustinus hier, "voor altijd over ons zijn en over onze kinderen!" Als wij onze eer of onze schande naar het gevoelen, of liever naar het geschreeuw, ener verblinde, misleide wereld afmeten, dan zullen wij roemen in onze schande en ons schamen voor onzen roem. Zij hadden geen reden om dezen man een discipel van Christus te noemen, hij had Hem noch gezien, noch Hem horen prediken, hij had slechts gunstig gesproken van ene weldaad, die Christus hem had bewezen, en dat konden zij niet dragen.
Ten tweede. Zij roemden in hun betrekking tot Mozes als hun meester: "Wij zijn discipelen van Mozes, en wij behoeven noch begeren een anderen meester." Vleselijk-gezinde belijders van den Godsdienst zijn zeer geneigd om te vertrouwen en trots te zijn op de waardigheid en de voorrechten van hun belijdenis, terwijl zij vreemdelingen zijn voor de beginselen en de kracht van hun Godsdienst. Tevoren hadden deze Farizeeën geroemd op het voortreffelijke van hun afkomst: Wij zijn Abrahams zaad, hier roemen zij op hun goede opvoeding en opleiding: Wij zijn de discipelen van Mozes, alsof dat hen zou behouden en zalig maken. Het is treurig te zien hoe het ene deel van den Godsdienst tegengestaan wordt onder schijn van ijver voor een ander deel. Er was een volkomen harmonie tussen Christus en Mozes, Mozes bereidde den weg voor Christus, en Christus vervolledigde Mozes, zodat zij discipelen van Mozes konden zijn, en ook de discipelen van Christus konden worden. En toch stellen zij hen hier tegenover elkaar, en zij konden Christus ook niet vervolgen dan onder den dekmantel van den misbruikten naam van Mozes. Zo achten zij, die de leer der vrije genade tegenspreken, zich bevorderaars te zijn van den plicht des mensen: Wij zijn discipelen van Mozes, terwijl, van den anderen kant, zij, die de verplichting der wet tenietdoen, zich de voorstanders en handhavers achten der vrije genade, en alsof niemand anders dan zij discipelen van Jezus zijn. Hebben wij echter een recht inzicht in de zaak, dan zullen wij bevinden, dat Gods genade en des mensen plicht elkaar ontmoeten, elkaar omhelzen en begunstigen.
Ten derde. Zij geven een reden op voor hun aanhankelijkheid aan Mozes tegen Christus, vers 29:Wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft, maar dezen weten wij niet, van waar hij is. Maar wisten zij dan niet, dat onder andere dingen, die God tot Mozes gesproken heeft, dit er een was, dat zij een anderen profeet moesten verwachten, en een nadere bekendmaking van den wil en de bedoelingen Gods? Maar toch hebben zij, toen onze Heere Jezus ingevolge van hetgeen God tot Mozes gezegd heeft, verschenen is, en er voldoende bewijzen van gegeven heeft, dat Hij die profeet was, onder voorwendsel van den ouden Godsdienst te blijven aankleven en bij de gevestigde kerk te blijven, hun eigen zegeningen niet slechts verbeurd, maar verlaten. In hun redenering valt op te merken:
1. Hoe ongepast zij, ter verdediging van hun vijandschap jegens Christus, aanvoeren wat door geen Zijner volgelingen wordt ontkend: Wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft. Gode zij dank, wij weten dit ook, duidelijker tot Mozes dan tot een der andere profeten, maar wat volgt hier nu uit? God sprak tot Mozes: volgt hier nu uit, dat Jezus een bedrieger is? Mozes was een profeet, het is waar, kan Jezus nu ook niet een profeet zijn? Mozes heeft op eervolle wijze van Jezus gesproken, Hoofdstuk 5:46, en Jezus heeft op eervolle wijze van Mozes gesproken, Lukas 16:29:beiden zijn zij getrouw geweest in hetzelfde huis Gods, Mozes als een dienstknecht, Christus als een Zoon. Daarom was hun beroep op Mozes' goddelijke volmacht tegenover Christus een kunstgreep, om onnadenkende mensen te doen geloven, dat het even zeker was dat Jezus een valse profeet was, als dat Mozes een waar profeet geweest is, terwijl beiden ware profeten waren.
2. Hoe ongerijmd het was om hun onwetendheid omtrent Christus aan te voeren als een reden voor hun minachting van Hem.
Dezen -zo minachtend laten zij zich uit over den gezegenden Jezus, alsof zij het niet der moeite waard achten hun geheugen te bezwaren met zo onbeduidend een naam. Zij drukken zich even smadelijk uit over den Herder Israël's, alsof Hij niet waardig was om bij de honden van hun kudde gesteld te worden. Wat dezen, dien armzaligen mens, betreft, wij weten niet van waar hij is. Zij beschouwden zich zelven als den sleutel der kennis bezittende, zodat niemand mocht prediken, dan die van hen verlof daartoe had bekomen onder het zegel van hun hof. Zij verwachtten dat ieder, die zich als leraar wilde vestigen, zich tot hen zou wenden om toelating. Dat had Jezus nooit gedaan, Hij had hun gezag nooit in dier voege erkend, dat Hij hun om verlof vroeg om te mogen prediken en leren. Daarom beschouwen zij Hem als een indringer, als iemand, die niet door de deur binnengekomen was. Zij wisten niet van waar noch wat Hij was, en daarom maken zij de gevolgtrekking, dat Hij een zondaar is, terwijl wij toch hen, van wie wij weinig weten, in liefde moeten beoordelen. Maar hoogmoedige en bekrompen zielen denken, dat niemand goed is dan zij zelven en zij, die hun belangen voorstaan. Niet lang tevoren hadden de Joden het tegenovergestelde hiervan als een bezwaar tegen Christus ingebracht, Hoofdstuk 7:27. Van dezen weten wij, van waar hij is, maar de Christus, wanneer hij komen zal, zo zal niemand weten van waar hij is. Zo konden zij met de grootste verzekerdheid dezelfde zaak bevestigen of ontkennen, al naarmate zij dachten, dat dit met hun belangen strookte. Zij wisten niet van waar Hij was, en wiens schuld was dat?
a. Het is zeker, dat zij er een onderzoek naar hadden moeten instellen. De Messias moest omstreeks dien tijd komen, en het was van het grootste belang voor hen om rond te zien, en op elk teken te letten, maar deze priesters zeiden niets evenals die in Jeremia 2:2:Waar is de Heere?
b. Het is zeker, dat zij hadden kunnen weten van waar Hij was, het niet slechts hadden kunnen weten door de registers na te zien, dat Hij in Bethlehem was geboren, maar door Zijne leer, Zijne wonderen en Zijn wandel na te gaan, hadden zij kunnen weten, dat Hij van God was gezonden, en betere orders, een betere opdracht, en veel betere instructies had, dan zij Hem konden geven. Zie de ongerijmdheid van het ongeloof. De mensen willen de leer van Christus niet kennen, omdat zij vast besloten zijn haar niet te willen geloven, en dan geven zij voor haar niet te geloven, omdat zij haar niet kennen. Zulke onwetendheid en zulk ongeloof, die elkaar ondersteunen, verzwaren en verergeren elkaar.
c. Hij redeneert met hen over deze zaak, en zij doen hem in den ban. De man, bemerkende dat het recht aan zijne zijde was, waarop zij niet konden antwoorden, wordt vrijmoediger, en brengt hen door zijne redenering in het nauw.
Ten eerste. Hij verwondert zich over hun hardnekkig ongeloof, vers 30. Gans niet verschrikt door hun toornige blikken, noch aan het wankelen gebracht door hun stoutheid, antwoordt hij kloekmoedig: "Hierin is immers wat wonders, het aller vreemdste voorbeeld van moedwillige onwetendheid, waarvan men ooit gehoord had onder mensen, die op gezond verstand aanspraak maken, dat gij niet weet van waar hij is, en nochtans heeft hij mijne ogen geopend." Over twee dingen verwondert hij zich:
1. Dat zij vreemd waren aan een zo bekend en beroemd man. Hij, die de ogen der blinden kon openen, moet toch voorzeker wel een persoon van gewicht zijn, wel waardig om bekend met hem te worden. De Farizeeën waren weetgierige mensen, hadden veel omgang met vele andere mensen, achtten zich de ogen der kerk en hare wachters te zijn, en dat zij nu toch spraken, alsof het beneden hen was om met zulk een man bekend te zijn en omgang met hem te hebben, dat voorwaar is vreemd! Er zijn velen, die voor geleerde en verstandige mensen doorgaan, en over hun zaken en andere dingen verstandig kunnen spreken, maar toch verbazend onbekend zijn met de leer van Christus, en zich er niet in het minst aan laten gelegen liggen om bekend te worden met hetgeen de engelen begerig zijn in te zien.
2. Dat zij de Goddelijke zending in twijfel trokken van iemand, die ongetwijfeld een Goddelijk wonder had verricht. Toen zij zeiden: Wij weten niet van waar hij is, bedoelden zij: "Wij weten van geen enkel bewijs, dat zijne leer en prediking van den hemel zijn." "Dit nu is vreemd", zei de man, "dat het wonder aan mij gewrocht u niet overtuigd heeft en de zaak voor u buiten twijfel heeft gesteld, -dat gij, die door uwe opleiding en uwe studie meer dan anderen instaat moest zijn om de dingen Gods te onderscheiden, aldus u we ogen sluit voor het licht." Het is wonderlijk en wonderbaarlijk, als de wijsheid der wijzen aldus vergaat, Jesaja 29:14, dat zij de waarheid ontkennen, waarvan zij het blijkbare niet kunnen tegenspreken. Het ongeloof van hen, die de middelen hebben tot kennis en overtuiging is inderdaad iets verbazingwekkends, Markus 6:6. Zij inzonderheid, die zelven de kracht en de genade van den Heere Jezus hebben ervaren, verwonderen zich over de eigenzinnigheid van hen, die Hem verwerpen, en, zelven zulke goede gedachten over Hem hebbende, verbazen zij er zich over, dat anderen ze niet hebben. Had Christus de ogen der Farizeeën geopend, zij zouden er niet aan getwijfeld hebben, dat Hij een profeet is.
Ten tweede. In zijne redenering staat hij zeer sterk tegenover hen, vers 31-33. Zij hadden omtrent Jezus beslist, dat Hij niet van God was, vers 16, maar dat Hij een zondaar was, vers 24, en hierop bewijst de man niet slechts, dat Hij geen zondaar was, vers 31, maar ook dat Hij van God was. A. Hij argumenteert hier:
a. Met grote kennis. Hoewel hij geen letter kon lezen, was hij toch wel bekend met de Schrift en de dingen Gods, hij miste het zintuig van het gezicht, maar hij had een goed gebruik gemaakt van het zintuig des gehoors, waaruit het geloof is, toch zou hem dit niet gebaat hebben, indien hij thans niet op buitengewone wijze de tegenwoordigheid Gods ervoer, en geen zeer bijzondere hulp van Zijn Geest had ontvangen.
b. Met groten ijver voor de eer van Christus, hij kon het niet dragen Hem in minachting te horen brengen, of kwaad van Hem te horen spreken.
c. Met grote vrijmoedigheid en onversaagdheid, zonder zich door de hoogmoedigsten van zijne tegenstanders te laten overbluffen of verschrikken. Zij, die de gunst van God begeren, moeten niet bevreesd zijn voor de donkere, dreigende blikken der mensen. "Zie hier", zegt Dr. Whitby, "een blinde, ongeleerde man, die juister over de dingen Gods oordeelt, dan geheel de geleerde raad der Farizeeën, waaruit wij kunnen leren, dat wij ons niet altijd hebben te laten leiden door het gezag van conciliën, van pausen of bisschoppen, en dat het voor leken volstrekt niet ongerijmd is om in mening van hen te verschillen, daar deze opzieners soms schuldig zijn aan zeer verkeerd zien".
B. Zijn argument kan in een vorm uitgedrukt worden, enigszins gelijkende op dat van David in Psalm 66:18-20. De stelling in David's argument is: Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou niet gehoord hebben. Wij hebben hier diezelfde mening: "God hoort de zondaars niet": Dáár neemt David aan: "Maar zeker, God heeft gehoord, " hier is het: Voorzeker God heeft Jezus gehoord, Hij is geëerd door te kunnen doen, wat nooit tevoren gedaan kon worden. Dáár is het besluit, of de gevolgtrekking tot eer van God: Geloofd zij God", hier tot eer van den Heere Jezus: Hij is van God.
a. Hij stelt als een ontwijfelbare waarheid, dat geen anderen dan Godvruchtigen de gunstgenoten des hemels zijn, vers 31: wij weten -gij zowel als ik-dat God de zondaars niet hoort, maar zo iemand Godvruchtig is en Zijn wil doet, dien hoort Hij. Die stellingen, recht verstaan, zijn waar. Ten eerste. Het zij gezegd tot verschrikking der bozen: "God hoort de zondaars niet", dat is: zulke zondaars, als door de Farizeeën bedoeld werden, toen zij van Christus zeiden: Hij is een zondaar, een, die onder beschutting van Gods naam, des duivels belangen bevordert. Dit is gene ontmoediging voor berouwvolle, tot God wederkerende zondaars, maar wel voor hen, die in hun zonden volharden, die hun gebeden niet slechts doen bestaan met hun zonden, maar ze er aan dienstbaar maken, zoals de geveinsden doen. God zal hen niet horen, Hij zal hen niet erkennen, geen antwoord des vredes geven op hun gebed. Ten tweede. Het zij gezegd tot vertroosting der rechtvaardigen: Zo iemand Godvruchtig is en Zijn wil doet, dien hoort Hij. Hier is:
1. Het volledig karakter van een goeden mens, hij is Godvruchtig, d.i. hij aanbidt God, en doet Zijn wil. Hij is geregeld en standvastig in zijne oefeningen der Godsvrucht op gezette tijden, regelmatig in zijn gedrag en wandel op alle tijden. Hij legt er zich op toe om zijn Schepper te verheerlijken door de plechtige aanbidding Zijns naams, en een oprechte gehoorzaamheid aan Zijn wil en Zijne wet, beiden moeten samengaan. 2. De onuitsprekelijke vertroosting van zulk een man, hem hoort God. Hij hoort zijn klagen en komt hem te hulp, Hij hoort zijn geroep, en doet hem recht, Hij hoort zijne lofzegging en neemt haar aan, Hij hoort zijne gebeden en verhoort ze, Psalm 34:16. De toepassing van deze waarheden is zeer gepast om te bewijzen, dat Hij, van wiens woord zulk een Goddelijke kracht uitging, als waardoor een blindgeborene werd genezen, geen slecht mens kon zijn, maar blijkbaar zoveel bij den heiligen God vermocht, dat Hij Hem altijd hoorde, Hoofdstuk 11:41, 42, en dus ook een heilig man was.
b. Hij verheerlijkt de wonderen, door Christus gewrocht, om aan het argument nog meer kracht bij te zetten, vers 32. Van alle eeuw is het niet gehoord, dat iemand eens blindgeborenen ogen geopend heeft. Dit is om aan te tonen:
a. of dat het een waar wonder was, hetwelk de krachten der natuur te boven ging. Het was nooit gehoord, dat iemand door het gebruik van natuurlijke middelen een blindgeborene had genezen. Deze man en zijne ouders hebben ongetwijfeld veel navraag gedaan naar gevallen van dien aard, of zo iemand ooit geholpen werd, maar zij hadden nooit van zo iemand gehoord, hetgeen hem in staat stelde om met volkomen zekerheid te spreken. Of:
b. dat het een buitengewoon wonder was, boven de wonderen, die tevoren geschied zijn. Noch Mozes, noch een ander der profeten heeft-hoewel zij grote dingen gedaan hebben-ooit zo iets gedaan, waarin de Goddelijke macht en goedheid als het ware wedijverden, welke het meest zou uitblinken. Mozes heeft wonderdadige plagen gewerkt, maar Christus wonderdadige genezingen. De grote werken van den Heere Jezus waren van zulk een aard als nooit tevoren geschied zijn. Het betaamt hun, die barmhartigheid van God verkregen hebben, de zegeningen en gunstbewijzen, die zij ontvangen hebben, groot te maken, er met lof en eer van te spreken, niet opdat hierdoor eer of heerlijkheid voor hen zelven er van zal komen, alsof zij buitengewone gunstgenoten des hemels zijn, maar opdat Gode er zoveel te meer ere door zal ontvangen
c. Daarom besluit hij: Indien deze van God niet ware, hij zou niets kunnen doen, dat is: niets buitengewoons, niets dat hierop gelijkt, en dus is Hij ongetwijfeld van God, al is het ook, dat Hij zich niet naar uwe inzettingen gedraagt met betrekking tot het houden van den sabbatdag. Wat Christus op aarde gedaan heeft, toonde genoegzaam aan wat Hij was in den hemel, want, indien Hij niet van God gezonden was, Hij zou zulke wonderen niet hebben kunnen werken. Wel is waar, de mens der zonde komt met wonderen der leugen, maar niet met wezenlijke wonderen, ook veronderstelt men, dat een valse profeet onder Goddelijke toelating een teken of wonder kan geven, Deuteronomium 13:1, 2, maar het geval is zo gesteld, dat het zijn eigen weerlegging meebrengt, want dat geschiedt dan tot versterking ener verzoeking om andere goden te dienen, en dus God tegen zich zelven te stellen. En evenzo is het waar, dat vele goddeloze lieden in den naam van Christus vele grote werken gedaan hebben, waardoor echter niet bewezen werd dat zij, die ze deden, van God waren, maar wel Hij, in wiens naam zij gedaan werden. Een iegelijk onzer kan hieraan weten, of wij al of niet van God zijn! Wat doen wij? Wat doen wij voor God, voor onze ziel in het werken onzer zaligheid? Wat doen wij meer dan anderen? Zich niet instaat ziende om zijne argumenten te beantwoorden of ze te dragen, vallen de Farizeeën hem aan, en maken driftig en trots een einde aan het gesprek, vers 34. Hier wordt ons meegedeeld: Ten eerste. Wat zij zeiden. Geen antwoord hebbende op zijn argument, maken zij aanmerkingen op zijn persoon: Gij zijt geheel in zonden geboren, en leert gij ons? Zij duiden ten kwade, wat zij alle reden hadden om vriendelijk op te nemen, en worden in woede ontstoken om hetgeen hun hart met berouw had moeten vervullen. Merk op: 1. Hoe zij hem verachtten, en welk een streng oordeel zij over hem uitspraken. "Niet alleen waart gij in zonde geboren zoals iedereen, maar geheel en al, gij zijt gans verdorven, en draagt in uw lichaam, zowel als in uwe ziel, de tekenen van dat bederf, gij zijt door de natuur geschandvlekt. Indien hij blind gebleven was, het zou barbaars geweest zijn het hem te verwijten, en er uit af te leiden, dat hij meer met zonde bevlekt was dan andere mensen, maar uiterst onrechtvaardig was het, dit te zeggen nu de genezing niet slechts den smaad zijner blindheid van hem had afgewenteld, maar hem heeft onderscheiden als een gunstgenoot des hemels. Sommigen nemen het aldus: "Gij waart totnutoe slechts een gemeen bedelaar, en de zodanige zijn dikwijls gemene zondaren, en gij zijt ongetwijfeld even slecht geweest als iemand hunner", terwijl hij toch door hetgeen hij zei het tegendeel had bewezen en diepe godsvrucht had aan den dag gelegd. Maar als trotse, heerszuchtige Farizeeën besloten hebben iemand in een slecht daglicht te stellen, dan kan alles hun als voorwendsel hiertoe dienen.
2. Hoe zij het versmaden van hem te leren, of onderricht van hem te ontvangen: Leert gij ons? Grote nadruk moet hier gelegd worden op gij en ons. "Hoe! gij, een domme, armzalige kerel, ongeletterd en onwetend, die nog geen vollen dag het licht der zon hebt aanschouwd, een bedelaar langs `s Heeren straten, uit de heffe des volks, gij matigt u aan ons te willen leren, ons, die de wijzen zijn der wet, de notabelen der kerk, die op den stoel van Mozes zitten en leraars zijn in Israël?" Hoogmoedige mensen verachten het om onderwezen te worden, inzonderheid door hun minderen, terwijl wij ons nooit te oud moeten achten, noch te wijs, noch te vroom, om te leren. Zij, die veel rijkdommen hebben, zouden nog meer willen hebben, waarom dan ook niet zij, die veel kennis hebben? En zij, van wie wij kunnen leren, zijn te waarderen. Welk een armzalige verontschuldiging was het voor het ongeloof der Farizeeën, dat het een blaam voor hen zou zijn om door zo nietig een mens onderwezen, ingelicht en overtuigd te worden! Ten tweede. Wat zij deden. Zij wierpen hem uit. Sommigen vatten dit slechts op als een ruwe, lompe wegzending van hem uit hun raadkamer. Zij wierpen hem de deur uit, en gaven wellicht bevel aan hun dienstknechten om hem vandaar weg te slaan. Zij dachten, dat het hoog tijd was om hem ver weg te zenden, die hun consciëntie zo van nabij had aangeraakt. Maar het schijnt veeleer een gerechtelijke daad geweest te zijn, zij deden hem in den ban, waarschijnlijk in den hoogsten trap der excommunicatie, zij sneden hem af als lid der kerk. "Deze arme man", zegt Dr. Lightfoot, "was de eerste belijder, zoals Johannes de Doper de eerste martelaar is geweest van de Christelijke kerk". Er was ene wet uitgevaardigd, dat zo iemand Jezus zou belijden de Christus te zijn, dat die uit de synagoge zou geworpen worden, vers 22. Maar deze man had van Jezus alleen gezegd, dat Hij een profeet was, dat Hij van God was, en nu strekten zij de wet nog verder uit, ten einde haar ook op hem toe te passen, alsof hij Hem had beleden de Christus te zijn. Rechtvaardiglijk uit een zuivere kerk gebannen te zijn, clave non errante -als de sleutel gene dwaling begaat -is een zeer vreselijke zaak, want hetgeen aldus op aarde gebonden is, is ook in den hemel gebonden, maar uitgeworpen te worden uit een verdorven kerk (het is onze plicht daar uit te gaan) en dat nog wel onrechtvaardiglijk, al is het ook met een anathema en alle afschrikkende plechtigheden, dat is iets, dat wij niet behoeven te vrezen en waarover wij ons niet behoeven te bedroeven, de vloek, die zonder oorzaak is, zal niet komen. Als zij Christus' volgelingen uit hun synagogen werpen, gelijk Hij voorzegt: Hoofdstuk 16:2, dan geschiedt hun geen leed, want dan zijn het synagogen des Satans geworden.