Deuteronomium 14:22-29
Wij hebben hier een deel van de wet op de tienden. De voortbrengselen van de grond werden twee maal vertiend, zodat beide tezamen voegende, een vijfde deel van hun inkomen aan God gewijd was, en slechts vier vijfden voor hun eigen gebruik aangewend mocht worden, en zij moesten wel erkennen, dat, zij een lichte pacht hadden te betalen, inzonderheid wijl Gods deel tot hun eigen bate werd besteed. Het eerste tiende was wel voor het onderhoud van de Levieten, die hun de goede kennis Gods leerden, en hen dienden in heilige zaken, dit wordt ondersteld als hun vanouds toekomende, en het is door die wet bij erfrecht op de Levieten vastgesteld, Numeri 18:24 en verv. Maar het is van het tweede tiende, dat hier gesproken wordt, en dat uit het overblijvende genomen moest worden, als de Levieten het hun hadden ontvangen.
I. Hun wordt hier bevolen het af te zonderen voor God, vers 22. Gij zult getrouwelijk vertienen al het inkomen uws zaads. De Levieten zorgden voor het hunne, maar het afzonderen hiervan was overgelaten aan de eigenaars zelf, de wet hen aanmoedigende tot eerlijkheid door vertrouwen in hen te stellen en aldus hun vreze Gods op de proef te steilen. Hun wordt geboden getrouwelijk te vertienen, dat is het zeker te doen en met nauwgezetheid opdat Gods deel niet, hetzij opzettelijk of door vergissing, verminderd worde. Wij moeten zeker en gewis aan God geven wat Hem toekomt uit onze bezittingen, want, daar wij er slechts de rentmeesters van zijn, wordt van ons geëist, dat wij getrouw zijn, als degenen, die rekenschap zullen hebben te geven.
II. Er wordt hun aangewezen hoe er over te beschikken, nadat zij het hebben afgezonderd. Een ieder legge iets bij zichzelf weg, naar dat hij van God welvaren verkregen heeft, en laat hem het dan besteden tot Godvruchtige doeleinden, naar dat God er hem de gelegenheid toe geeft, en het zal gemakkelijker uitgegeven worden, en het evenredige er van meer voldoening geven als wij het eerst weggelegd hebben. Over dit tweede tiende kan beschikt worden:
1. Voor werken van Godsvrucht voor de eerste twee jaren na het jaar van de vrijlating. Zij moeten het opbrengen hetzij in natura of wel in de volle waarde er van, in de plaats van het heiligdom, en het daar besteden in heilige feestmaaltijden voor de Heere. Als zij het zonder veel bezwaar doen konden, moesten zij het opbrengen in natura, vers 23, maar zo niet, dan mochten zij het te gelde maken, vers 24, 25, en dat geld moest dan besteed worden om er voor het aangezicht des Heeren feestmaaltijden van te houden. Het aangenaam, blijmoedig gebruiken van hetgeen God ons gegeven heeft, met soberheid en matigheid, is in werkelijkheid God er mee te eren. Vergenoegdheid, heilige vreugde en dankbaarheid maken iedere maaltijd tot een Godsdienstig feestmaal. Het doel van deze wet hebben wij in vers 23 opdat gij de Heere, uw God, leert vrezen alle dagen, het was om hen recht en standvastig te houden aan hun Godsdienst.
a. Door hen bekend te maken met het heiligdom, de heilige zaken, en de plechtige diensten, die daar verricht werden. Het zal hun goed doen om hetgeen, waarvan zij het bevel en de inzetting lazen in hun Bijbels, te zien verrichten in de tabernakel, het zal een diepe indruk op hen maken en hen uit de strikken houden van de afgodische gewoonten. Het zal een goede invloed hebben op onze standvastigheid in de Godsdlenst, om nooit de onderlinge bijeenkomsten na te laten, Hebreeën 10:25. Door de gemeenschap van de heiligen te genieten, kunnen wij onze gemeenschap met God onderhouden b. Door ze te gebruiken voor de lieflijkste en aangenaamste diensten van de Godsdienst. Laat hen zich verblijden voor het aangezicht des Heeren, opdat zij leren Hem te vrezen alle dagen. Hoe meer genoegen wij smaken in de wegen van de Godsdienst, hoe waarschijnlijker het is, dat wij zullen volharden om op die wegen te gaan. Een ding moeten zij gedenken bij die vrome feestmaaltijden, namelijk om er hun Levieten welkom aan te heten. De Leviet zult gij niet verlaten. Laat hem nooit een vreemdeling zijn aan uw tafel, inzonderheid niet als gij eet voor het aangezicht des Heeren.
2. Om de drie jaren moet over dit tiende tehuis beschikt worden voor werken van barmhartigheid, vers 28, 29. Gij zult ze de tienden wegleggen in uw poorten, en laat die gegeven worden aan de armen, die, wetende dat de wet deze voorziening voor hen gemaakt heeft, ongetwijfeld er om komen zullen, en opdat zij gemeenzaam zullen worden met de armen en hun gezelschap niet zullen verachten. wordt hun hier bevolen hen welkom te heten in hun huis, laat hen komen, eten, en verzadigd worden. Bij deze liefdadige verdeling van de tweede tienden moeten zij het oog hebben op arme leraren, hen bemoedigen door hen in hun huis en aan hun tafel te onthalen, vervolgens op arme vreemdelingen, niet slechts om in hun nooddruft te voorzien, maar om hun achting te bewijzen en aldus de begeerte in hen op te wekken om proselieten te worden, en dan op de wezen en weduwen die, hoewel hun misschien een genoegzaam levensonderhoud is gelaten, toch ondersteld moeten worden niet meer op zo ruime, aangename voet te kunnen leven als tevoren weshalve zij hen moeten ondersteunen, er toe moeten bijdragen om hun het leven te veraangenamen door hen aan hun feestmaaltijden te nodigen. God draagt bijzonder zorg voor de weduwen en wezen, en Hij eist dat ook wij dit zullen doen. Het is Zijn eer, en het zal ook onze eer zijn om de hulpelozen te helpen. En indien wij aldus God dienen, en goed doen met wat wij hebben, dan is hier beloofd dat de Heere onze God ons zal zegenen in al het werk van onze hand. De zegen Gods is alles in alles voor onze uitwendige voorspoed, en zonder die zegen zal het werk van onze handen, dat wij doen, niets opleveren. Het middel om die zegen te verkrijgen is naarstig en liefdadig te zijn. De zegen daalt neer op het werk van onze handen. Verwacht niet dat God u zal zegenen in uw traagheid en gemakzucht, maar in al het werk uwer hand. Het is de hand des vlijtigen, met de zegen des Heeren er over, die rijk maakt. Spreuken 10:4, 22. En die zegen daalt ook neer op de gevende hand, aan hem die aldus uitstrooit zal voorzeker nog meer toegedaan worden, en de zegenende ziel zal vetgemaakt worden. Het is een ontwijfelbare waarheid, hoewel zij weinig geloofd wordt, dat liefdadig te wezen voor de armen, mild en vrijgevig te zijn in het ondersteunen van de Godsdienst, de zekerste en veiligste weg is tot voorspoed. Wat de Heere geleend is zal met ruime interest terugbetaald worden. Zie Ezechiël 44:30.