Markus 15:42-47
Wij hebben hier de beschrijving van de begrafenis van onzen Heere Jezus, een plechtige, treurige begrafenis. Merk op:
I. Hoe om het lichaam van Christus verzocht werd. Het was, evenals de dode lichamen van misdadigers, ter beschikking van de regering. Zij, die Hem voortjoegen naar het kruis, hadden bedoeld Zijn graf bij de goddelozen te stellen, maar God heeft bepaald dat Hij bij den rijke in Zijn dood zou zijn, en zo is het ook geschied. Er wordt ons hier gezegd:
1. Wanneer om het lichaam van Christus verzocht werd om het te begraven en waarom er met de begrafenis zoveel haast werd gemaakt: Als het nu avond was geworden, dewijl het de voorbereiding was, welke is de voorsabbat, vers 42. De Joden waren meer strikt in het onderhouden van den sabbat dan van enig ander feest, en daarom, schoon die dag zelf een feestdag was, hebben zij hem meer Godsdienstig gevierd als den voorsabbat, wanneer zij hun huizen en hun tafels toebereidden voor de luisterrijke en blijde viering van den sabbat. De dag voor den sabbat behoort ook onder ons een dag van voorbereiding te zijn voor den sabbat, niet om onze huizen en onze tafels toe te bereiden, maar ons hart, dat, zo veel slechts mogelijk is, dan bevrijd moet wezen van de zorgen en de zaken dezer wereld, en bereid en gestemd moet zijn voor den dienst en de genieting van God. Er moet op den sabbatdag zulk werk gedaan, en zulke voordelen verkregen worden, dat het nodig is om reeds den dag tevoren er voor gereed te zijn, ja de ganse week moet verdeeld worden tussen het goed gebruik van hetgeen den vorigen sabbat verkregen werd en de toebereiding voor den volgenden sabbat.
2. Wie het was, die om het lichaam verzocht en zorg droeg voor een betamelijke begrafenis er van. Het was Jozef van Arimathea, die hier "een eerlijk", of achtbaar, "raadsheer" genoemd wordt, vers 43, een man van aanzien en karakter, die een openbaar ambt van vertrouwen bekleedde, sommigen denken dat het een staatsambt was, en dat hij lid was van Pilatus' staatsraad. Hij scheen echter veeleer een ambt in de kerk te bekleden, en tot het grote sanhedrin der Joden te behoren, of wel tot den raad van den hogepriester. Hij was euschêmoon bouleutes -een raadsheer, die zich in zijn ambt gedroeg zoals hem betaamde. Diegenen, en diegenen alleen, zijn waarlijk achtbaar in een ambt van macht en vertrouwen, die nauwgezet hun plicht betrachten, en wier gedrag en handelwijze strookt met hun ambt. Maar hier wordt hem een nog schoner hoedanigheid toegekend, namelijk dat hij "ook zelf het koninkrijk Gods was verwachtende", het koninkrijk der genade op aarde en der heerlijkheid in den hemel, het koninkrijk van den Messias. Zij, die het koninkrijk Gods verwachten en hopen deel te hebben aan de voorrechten er van, moeten dit tonen door hun ijver om voor Christus' zaak en belang uit te komen, ook dan wanneer zij als verpletterd en terneder geworpen schijnt. Zelfs onder de "eerlijke raadsheren" waren er sommigen, of tenminste een, die het koninkrijk God verwachtten, en wier geloof het ongeloof der overigen zal veroordelen. Dezen man heeft God verwekt tot dezen noodzakelijken dienst, toen geen van Christus' discipelen dien kon of durfde ondernemen, noch de middelen, noch den invloed en den moed er toe bezittende. Jozef, zich verstoutende, ging in tot Pilatus, hoewel hij wist hoe de overpriesters er zich beledigd door zouden achten, die Hem met zoveel schimp en smaad hadden overladen, om nu te zien dat Hem eer werd aangedaan. Toch heeft hij er den moed toe gehad, verstoutte hij zich, wellicht was hij er eerst wel ietwat voor bevreesd, maar tolmêsas -er den moed toe grijpende, besloot hij dien eerbied aan de overblijfselen van den Heere Jezus te bewijzen, wat er dan ook het gevolg voor hem van zou zijn.
3. Welk een verwondering het bij Pilatus heeft teweeggebracht te horen, dat Hij alrede gestorven was (Pilatus heeft wellicht gedacht, dat Hij zich gered had en was afgekomen van het kruis). Bovenal verwonderde het hem, dat Christus nu reeds gestorven was, dat iemand, die meer dan gewone kracht scheen te hebben, zo spoedig door den dood was overwonnen. Iedere bijzonderheid van Christus' dood was verwonderlijk, want van het begin tot het einde is Zijn naam genoemd Wonderlijk. Pilatus twijfelde (zo verstaan sommigen het) of Hij wel dood was, vrezende bedrogen te worden, en dat het lichaam levend van het kruis zou worden afgenomen en weer bijgebracht, terwijl het vonnis luidde, evenals bij ons, te hangen totdat Hij werkelijk dood was. Hij riep dus den hoofdman over honderd, zijn eigen krijgsbevelhebber, tot zich, en vroeg hem of Hij lang gestorven was, vers 44, of het reeds zolang was sedert zij enig teken van leven in Hem hadden gezien, een ademtocht, of ene beweging, dat zij gerust konden besluiten dat Hij werkelijk dood was. De hoofdman kon hem hiervan de verzekering geven, want hij had zeer bijzonder opgemerkt hoe Hij den geest gaf, vers 39. Hierin was een bijzondere leiding der voorzienigheid, dat Pilatus zo strikt en nauwkeurig was in zijn onderzoek, zodat er geen voorwendsel was te zeggen, dat Hij levend werd begraven, om aldus de waarheid Zijner opstanding te loochenen, en zo volkomen werd dit nu uitgemaakt, dat die tegenwerping ook nooit gemaakt werd. Aldus erlangt de waarheid van Christus soms bevestiging zelfs uit den mond harer vijanden.
II. Hoe het lichaam van Christus begraven werd. Pilatus gaf Jozef verlof om het lichaam af te nemen van het kruis en er naar welgevallen mede te handelen. Het was een wonder dat de overpriesters hem niet waren voorgekomen, en het eerst aan Pilatus om het lichaam gevraagd hadden, om het tentoon te stellen en door de straten te sleuren, maar dat overblijfsel van hun toorn heeft God weerhouden, en Hij gaf dien onwaardeerbaren schat aan Jozef, die hem wist te waarderen, en het hart der overpriesters werd geneigd, dat zij er zich niet tegen verzet hebben.
1. Jozef kocht fijn lijnwaad om er het lichaam mede te omhullen, hoewel men voor zulk een geval oud linnen, dat reeds gebruikt was, allicht voldoende zou gevonden hebben. Bij ons betonen van eerbied aan Christus betaamt het ons vrijgevig te zijn, en Hem te dienen met het beste, dat te verkrijgen is, niet met hetgeen het gemakkelijkst of goedkoopst te verkrijgen is.
2. Hij nam het lichaam af, het vermagerde' mishandelde lichaam, en wond het in het fijne lijnwaad, als een zeer kostbare schat. Onze Heere Jezus heeft bevolen, dat Hij ons sacramenteel overgegeven zou worden in de inzetting van het Avondmaal, dat wij zo moeten ontvangen, dat er het best onze liefde door wordt uitgedrukt voor Hem, die ons heeft liefgehad en voor ons gestorven is.
3. Hij legde Hem in een graf, dat hem toebehoorde. In de geschiedenis van de koningen van Juda vinden wij soms vermeld als een schande over de gedachtenis van goddeloze koningen, dat zij niet begraven werden in de graven der koningen. Onze Heere Jezus is, hoewel Hij geen kwaad maar wel veel goed gedaan heeft, en Hem den troon van Zijn vader David was gegeven, toch in een gewoon graf van het volk begraven, want het was niet in deze wereld, maar in de andere, dat Zijne rust heerlijk zal zijn. Dit graf behoorde aan Jozef. Toen Abraham geen andere bezitting had in het land Kanaän, had hij toch ene grafstede, maar Christus heeft zelfs die niet gehad. Dat graf was uit ene steenrots gehouwen, want Christus stierf om het graf tot ene toevlucht en schuilplaats te maken voor Zijne heiligen, en uit een rots gehouwen zijnde, is het een sterke toevlucht. "Och of Gij mij in het graf verstaakt!" Christus zelf is ene schuilplaats voor Zijn volk, die "als de schaduw is van een zwaren rotssteen."
4. Hij wentelde een steen tegen de deur des grafs, want dat was de wijze van begraven bij de Joden. Toen Daniël in den kuil der leeuwen werd geworpen, werd een steen op den mond des kuils gelegd om hem daar binnen te houden, gelijk hier voor de deur van Christus' graf, maar die stenen hebben het bezoek der engelen aan de gevangenen niet kunnen beletten.
5. Sommigen van de Godvruchtige vrouwen hebben de begrafenis bijgewoond, en zij "aanschouwden waar Hij gelegd werd", opdat zij na den sabbat konden komen om het dode lichaam te zalven, daar zij hiervoor thans niet den tijd hadden. Toen Mozes, de middelaar en wetgever der Joodse kerk werd begraven, werd er zorg voor gedragen, dat "niemand zijn graf heeft geweten", Deuteronomium 34:6, omdat de eerbied des volks voor hem met hem moest sterven, maar toen onze grote Middelaar en Wetgever begraven werd, is er bijzonder kennis genomen van Zijn graf, omdat Hij weder opstaan moest, en de zorg, die voor Zijn lichaam werd gedragen, wijst op de zorg, die Hij zelf hebben zal voor Zijn lichaam, de kerk. Zelfs als zij een dood lichaam schijnt te zijn, en als een dal dorre doodsbeenderen, dan zal zij toch bewaard blijven voor ene opstanding, ene herleving, evenals de dode lichamen Zijner heiligen, met wier stof een verbond van kracht is, dat niet vergeten zal worden. Onze overdenking van Christus' begrafenis moet er ons toe leiden om aan onze eigen begrafenis te denken, en ons helpen om ons met het graf gemeenzaam te maken, en aldus het bed gemakkelijk voor ons te doen zijn, dat wij ons weldra in de duisternis zullen spreiden. Het veelvuldige denken er aan zou er niet slechts de vrees en verschrikking van wegnemen, maar ons opwekken om, daar de graven altijd gereed zijn voor ons, ons te bereiden voor de graven, Job 17:1.