Johannes 19:19-30
Hier worden enige merkwaardige omstandigheden bij het sterven van Christus meer uitvoerig meegedeeld dan tevoren, waarop diegenen wel bijzonder acht zullen slaan, die begeren Christus, en dien gekruisigd, te kennen.
I. Het opschrift boven Zijn hoofd. Merk op:
1. Het opschrift zelf, dat Pilatus geschreven heeft, en geboden heeft om boven aan het kruis te plaatsen, de reden aanduidende, waarom Hij gekruisigd was, vers 19. Mattheus noemde het aitia - de beschuldiging, Markus en Lukas epigraphê -het opschrift, Johannes noemt het bij den eigen Latijnsen naam titlos -den titel, en het was deze: Jezus de Nazarener, de koning der Joden. Pilatus bedoelde dit als een smaad, dat Hij, Jezus de Nazarener zijnde, er aanspraak op maakte koning der Joden te zijn, en zich als mededinger opwierp van den keizer, aan wie Pilatus zich zelven aldus aanbeval, als zeer ijverende voor zijn eer en belang, nu hij aldus een naamkoning, een koning in overdrachtelijken zin, behandelde als den ergsten der boosdoeners. Maar God bestuurde deze zaak:
a. Opdat het als een nog verder getuigenis en bewijs van de onschuld zou zijn van onzen Heere Jezus, want hier was ene beschuldiging in welker bewoording gene misdaad vervat was. Indien dit nu alles is, dat zij Hem ten laste leggen, dan voorzeker heeft Hij niets gedaan, dat des doods of der banden waardig is.
b. Opdat Hij Zijne waardigheid en eer zou bekend maken. Dit is Jezus, een Zaligmaker, Nazooraios, de gezegende Nazarener, Gode geheiligd, deze is de Koning der Joden, Messias, de Vorst, de Scepter, die uit Israël zou opkomen, zoals Bileam voorzegd had, stervende tot welzijn van Zijn volk, zoals Kajafas voorzegd had. Al deze drie slechte mannen hebben alzo van Christus getuigd, hoewel zij het zo niet meenden.
2. De nota, die van dit opschrift genomen is, vers 20: Dit opschrift dan lazen velen van de Joden, niet slechts die van Jeruzalem, maar ook die van het land, en van andere landen, vreemdelingen en Jodengenoten, die naar het feest waren opgegaan om te aanbidden. Grote menigten hebben het gelezen, en het veroorzaakte een grote verscheidenheid van opmerkingen en overleggingen, al naarmate de mensen er door aangedaan werden. Christus zelf was tot een teken gezet, een titel. Hier zijn twee redenen, waarom die titel, dat opschrift, zoveel gelezen werd:
a. Omdat de plaats, waar Jezus gekruisigd was, wel buiten de poort, maar toch nabij de stad was, waardoor te kennen gegeven wordt, dat, indien zij op een groten afstand ware geweest, de mensen er-zelfs om hun nieuwgierigheid te bevredigen-niet heengegaan zouden zijn om het te lezen. Het is een voorrecht, dat de middelen om Christus te kennen, ons zo nabij worden gebracht.
b. Omdat het geschreven was in het Hebreeuws, in het Grieks en in het Latijn, zodat het voor allen leesbaar en verstaanbaar was, allen verstonden zij de ene of de andere van die talen, en niemand droeg meer zorg om hun kinderen lezen te laten leren dan, over het algemeen, de Joden dit deden. Ook had het daardoor een gewichtiger aanzien, want iedereen zou wel begerig zijn te weten, wat het was, dat met zoveel zorg in drie der meest-bekende talen aangekondigd werd. In het Hebreeuws zijn de orakelen Gods meegedeeld, in het Grieks de geleerdheid der wijsgeren, en in het Latijn de wetten van het rijk. In elk dier talen is Christus als koning bekend gemaakt, in wie alle de schatten der openbaring, der wijsheid en der macht verborgen zijn. God heeft het aldus verordineerd, dat die in de drie der toenmaals meest bekende talen geschreven werd, waarmee aangeduid werd, dat Jezus Christus een Zaligmaker zou zijn voor alle volken, en niet alleen voor de Joden, alsmede, dat ieder volk in zijn eigen taal de wondervolle werken van den Verlosser zou horen. Hebreeuws, Grieks en Latijn waren de talen, die toenmaals in dat deel der wereld door iedereen werden gesproken, hetgeen er zo ver af is om ene aanduiding te zijn (zoals de Roomsen beweren) dat de Schriften nu nog alleen in deze talen behouden moeten blijven, dat het ons integendeel leert, dat de kennis van Christus verbreid moet worden onder alle volken in hun eigen taal, als het geschikte en gepaste voertuig er voor, zodat de mensen even gemakkelijk en vrij zich met de Schriften kunnen onderhouden, als zij het met vrienden en geburen doen.
3. De aanstoot, dien de vervolgers hieraan genomen hebben, vers 21. Zij wilden, dat er niet zou geschreven zijn: "de koning der Joden, maar dat Hij gezegd heeft: Ik ben de koning der Joden. Hier tonen zij zich:
a. Zeer nijdig en boosaardig tegen Christus. Het was niet genoeg, dat zij Hem lieten kruisigen, zij willen dat ook Zijn naam gekruisigd zal worden. Om zich te rechtvaardigen wegens de slechte behandeling, die zij Hem aandeden, wilden zij Hem een slecht karakter aanwrijven, Hem voorstellen als iemand, die zich ene eer en een gezag wilde aanmatigen, die Hem niet toekwamen.
b. Dwaselijk naijverig op de eer van hun volk. Hoewel zij een overwonnen en in onderwerping gebracht volk waren, stonden zij toch zo overdreven stipt op hun roem, dat zij niet gezegd wilden hebben, dat deze hun koning was.
c. Zeer onbetamelijk en lastig tegenover Pilatus. Het kon niet anders of zij moesten er zich wel van bewust zijn, dat zij hem tegen zijn zin en gevoelen gedwongen hadden Christus te veroordelen, en toch blijven zij hem om zo onbeduidend ene zaak nog lastig vallen, en dit was zoveel te erger, omdat zij Hem wel beschuldigd hadden te hebben voorgegeven, dat Hij de koning der Joden is, maar in gebreke waren gebleven het te bewijzen, en Hij had dit dan ook nooit gezegd.
4. Des rechters besluit om er bij te blijven: "Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven, en ik zal het niet veranderen om hen te believen."
a. Hiermede werd den overpriesters, die nog altijd de wet wilden voorschrijven, ene belediging aangedaan. Naar Pilatus' wijze van spreken schijnt het, dat hij zich onrustig gevoelde, omdat hij aan hen had toegegeven, vertoornd op hen was, omdat zij er hem toe gedwongen hadden, en daarom wilde hij niet anders dan nors en gemelijk jegens hen zijn en door dit opschrift geeft hij te kennen: a. Dat zij niettegenstaande hun beweren, niet oprecht waren in hun genegenheid voor den keizer en zijne regering, zij waren gans bereid om een koning der Joden te hebben, zo zij er een naar hun zin konden krijgen. b. Dat een koning als deze, zo min en zo verachtelijk, goed genoeg voor hen was, goed genoeg om de koning der Joden te zijn, en dit zou het lot wezen van allen, die de Romeinse macht zouden durven tegenstaan.
c. Dat zij zeer onrechtvaardig en onredelijk geweest zijn in hun vervolgen van dezen Jezus, daar er gene schuld in hem was gevonden. b. Hierdoor werd den Heere Jezus eer aangedaan. Pilatus bleef er bij, dat Hij de koning der Joden was. Wat hij geschreven heeft was, wat God eerst geschreven had, en daarom kon hij het niet veranderen, want alzo was er geschreven, dat Messias, de Vorst, uitgeroeid zou worden, Daniël 9:26. Dat is dus de ware reden van Zijn dood, Hij sterft omdat de Koning Israël's sterven moet, aldus moet sterven. Als de Joden Christus verwerpen, en Hem niet tot koning over zich willen hebben, blijft Pilatus, een heiden, er bij, dat Hij een koning is, hetgeen een voorproef is van hetgeen spoedig daarna geschieden zou, als de heidenen zich zullen onderwerpen aan het koninkrijk van den Messias, waartegen de ongelovige Joden hadden gerebelleerd.
II. Het verdelen Zijner klederen onder de krijgslieden, vers 23, 24. Vier soldaten werden gebruikt, als zij Jezus gekruist hadden, Hem aan het kruis hadden genageld en het hadden opgericht, met Hem er aan, en er niets meer te doen overig bleef dan te wachten, totdat Hij in de uiterste pijn en smart den geest had gegeven, toen gingen zij over tot het verdelen Zijner klederen, ieder hunner aanspraak makende op een gelijk deel, en zo maakten zij vier delen, zo nauwkeurig mogelijk de waardij er van berekenende, voor elke krijgsknecht een deel, daar echter Zijn rok, of opperkleed, een zeldzaam stuk was, zonder naad, van boven af geheel geweven, kwamen zij overeen om er om te loten. Merk hier op:
1. De schande, die zij den Heere Jezus aandeden door Hem van Zijne klederen te ontdoen, eer zij Hem kruisigden. De schande der naaktheid is met de zonde in de wereld gekomen. Daarom heeft Hij, die zonde voor ons gemaakt is, die schande gedragen, teneinde de versmaadheid van ons af te wenden. Hij werd naakt uitgetogen, opdat wij met witte klederen bekleed zouden worden, Openbaring 3:18, en opdat wij, als wij ontkleed worden, niet naakt zullen gevonden worden.
2. Het loon, dat deze krijgsknechten zich zelven betaalden voor hun kruisigen van Christus. Zij waren bereid het te doen voor Zijn oude klederen. Er is niets zo slechts te doen, of er zullen mensen gevonden worden, slecht genoeg om het te doen, en dat wel voor een kleinigheid, een beuzeling. Waarschijnlijk hoopten zij meer dan gewoon voordeel te hebben van Zijne klederen, daar zij gehoord hadden van genezingen, gewrocht door de aanraking van Zijn kleed, of wel verwachtende, dat Zijne bewonderaars er hun veel geld voor zouden geven.
3. Hun spel over Zijn rok zonder naad. Wij lezen niet van iets, dat van waardij of merkwaardig was aan Hem, behalve van dit kleed, en dat, niet omdat het een bijzonder rijk of kostbaar gewaad was, maar alleen om het ongewone, want het was van bovenaf geheel geweven. Er was dus niets bijzonders in den vorm, dan een bijzondere eenvoudigheid. De overlevering zegt, dat Zijne moeder het voor Hem geweven had, en voegt er bij dat het voor Hem gemaakt was, toen Hij nog een kind was, en dat het, gelijk de klederen der Israëlieten in de woestijn, niet verouderde, maar er is geen grond voor deze gedachte. De soldaten vonden het jammer om dat kleed te scheuren, want dan zou het uitrafelen, en een stuk er van zou ook nergens toe dienen, daarom wilden zij er maar liever het lot over werpen. Terwijl Christus den doodsstrijd streed, hebben zij zich vermaakt met hun buit van Hem. Gewoonlijk wijst men op het behouden van Christus' rok zonder naad om aan te tonen, hoe alle Christenen er voor moeten zorgen, dat zij de kerk van Christus niet verscheuren door twisting en verdeeldheid: maar sommigen hebben de opmerking gemaakt, dat de reden, waarom de soldaten den rok van Christus niet wilden scheuren, niet voortkwam uit eerbied voor Christus, maar omdat ieder hunner hoopte hem voor zich alleen te hebben. En zo zijn er velen, die sterk roepen tegen scheuring in de kerk, om geen andere reden, dan omdat zij er al den rijkdom en invloed van voor zich begeren. Zij, die zich tegen Luthers scheiding van de Roomse kerk hebben gekant, spraken heel veel van de tunica inconsultilis, den rok zonder naad, en sommigen van hen hebben daar zoveel nadruk opgelegd, dat zij de Inconsutilistæ, de Naadlozen genoemd werden.
4. De vervulling der Schrift hierin. David heeft in den geest deze bijzonderheid van Christus' lijden voorzegd in Psalm 22:19. Dat de gebeurtenis zo nauwkeurig overeenkomt met de voorzegging, bewijst:
a. Dat de Schrift het woord Gods is, dat de gebeurtenissen uit Christus' leven lang tevoren voorzegd heeft, en dat de gebeurtenissen plaatshadden overeenkomstig de voorzegging.
b. Dat Jezus de ware Messias is, want in Hem hadden en hebben al de Oud Testamentische voorzeggingen betreffende den Messias haar volkomen vervulling. Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan.
III. De zorg, die Hij droeg voor Zijne moeder.
1. Zijne moeder blijft bij Hem tot in den dood, vers 25. Bij het kruis -zo nabij het haar slechts mogelijk was te komen- stonden Zijne moeder en sommigen van Zijne bloedverwanten en vrienden. In het eerst stonden zij, zoals hier gezegd is, bij het kruis, maar later hebben de soldaten hen waarschijnlijk genoodzaakt, om meer van verre te staan, zoals in Mattheus en Markus gezegd wordt, of zij kunnen zich ook uit eigen beweging meer verwijderd hebben.
a. Zie hier de tedere liefde van deze vrome vrouwen voor onzen Heere Jezus in Zijn lijden. Toen al Zijne discipelen, be- halve Johannes, Hem hadden verlaten, bleven zij Hem nabij. Zij lieten zich niet terughouden door de woede van den vijand, noch door het afgrijselijke van wat zij zagen. Zij konden Hem niet verlossen, zij konden Zijn lijden niet verlichten, maar toch bleven zij bij Hem, om Hem haar goeden wil te tonen. Het is een goddeloze en lasterlijke uitlegging, die sommige Roomse schrijvers hier geven van de omstandigheid, dat Maria bij het kruis stond, namelijk dat zij niet minder dan Hij bijgedragen heeft tot de genoegdoening voor de zonde, en aldus ene medemiddelaarster en medehelpster is geworden in onze verlossing.
b. Wij kunnen ons voorstellen welk ene smart en beproeving het voor deze arme vrouwen geweest is, om Hem aldus mishandeld te zien, inzonderheid voor de gezegende maagd. Thans werd het woord van Simeon vervuld: Een zwaard zal door uw eigen ziel gaan, Lukas 2:35. Zijne pijniging was hare pijniging, terwijl Hij aan het kruis was, was zij op de pijnbank, en Zijne wonden deden haar hart bloeden, de smadingen dergenen. die Hem smaadden, zijn op hen gevallen, die bij Hem waren.
c. Wij kunnen met recht de kracht bewonderen der Goddelijke genade, die deze vrouwen ondersteund heeft onder deze zware beproeving, inzonderheid de moeder des Heeren. Wij bevinden niet, dat zij handenwringend daar stond, of zich het haar uitrukte, of hare klederen scheurde, of enig misbaar maakte, maar met verwonderlijke kalmte staan zij en hare vrienden bij het kruis. Voorzeker moeten zij voor zulk ene mate van lijdzaamheid ondersteund zijn door Gods kracht, en de maagd Maria heeft gewis een volkomener hoop en verwachting gehad van de opstanding dan de overigen, waardoor zij aldus ondersteund werd. Wij weten niet wat wij kunnen dragen totdat wij beproefd worden, en dan weten wij wie gezegd heeft: Mijne genade is u genoeg. 2. Bij Zijn sterven maakt Hij nog op tedere, liefdevolle wijze voorziening voor Zijne moeder. Waarschijnlijk was Jozef, haar man, reeds voorlang gestorven, en heeft haar Zoon Jezus haar onderhouden, wat zou er, daar Hij ging sterven, nu van haar worden? Hij zag haar daar staan bij het kruis, en kende hare droefheid en zorgen, en Hij zag, niet veraf, Johannes staan, en zo vestigde Hij een nieuwe betrekking tussen Zijn geliefde moeder en Zijn geliefden discipel, want Hij zei tot haar: "Vrouwe! zie uw zoon, voor wie gij voortaan een moederlijke genegenheid moet hebben", en tot hem "Zie uwe moeder, aan wie gij kinderlijken eerbied en zorg moet wijden". En van die ure -die onvergetelijke ure-aan nam haar de discipel in zijn huis. Zie hier:
a. De zorg van Christus voor Zijn geliefde moeder. Hij was niet zo vervuld van, of ingenomen door, Zijn lijden, dat Hij Zij ne vrienden vergat, wier belangen Hij op het harte droeg. Zijne moeder was misschien wel zo vervuld van Zijn lijden, dat zij er niet aan dacht, wat er nu van haar zou worden, maar Hijzelf gaf plaats aan die gedachte. Zilver en goud had Hij niet om haar na te laten, gene bezitting, geen roerend of onroerend goed, en wij horen niets meer van de beurs, sedert Judas, die haar droeg, zich had verhangen. Hij had dus geen ander middel om voor Zijne moeder te voorzien, dan door Zijn invloed aan te wenden bij een vriend, hetgeen Hij hier doet. a. Hij noemt haar Vrouwe, niet moeder, niet uit gebrek aan eerbied voor haar, maar omdat het woord moeder zo snijdend zou zijn geweest voor haar, wier hart reeds bloedde van smart, zoals toen Izaak tot Abraham zei: Mijn vader. Hij spreekt als iemand, die reeds niet meer in deze wereld is, maar reeds dood was voor hen, die Hem het dierbaarst waren. Die schijnbaar gering-achtende wijze van spreken tot Zijne moeder, zoals ook bij een vorige gelegenheid, had ten doel om de onbehoorlijke eer te voorkomen of in bedwang te houden, die Hij voorzag dat haar gegeven zou worden in de Roomse kerk, alsof zij moest delen in de eer der verlossing als daartoe met Hem te hebben samengewerkt. b. Hij zegt haar Johannes te beschouwen als haren zoon: "Zie op hem, die daar bij u staat, als op uwen zoon, en wees als ene moeder voor hem". Zie hier: Ten eerste, een voorbeeld van Goddelijke goedheid ter onzer bemoediging. Als God ons ene lieflijkheid ontneemt, bereidt Hij ons een andere, wellicht van ene zijde, vanwaar wij haar niet verwacht zouden hebben. Wij lezen van kinderen, die de kerk hebben zal, nadat zij er verloren had, Jesaja 49:21. Laat niemand dus alles verloren achten, wanneer een waterbak uitgedroogd is, want uit dezelfde fontein kan een andere gevuld worden. Ten tweede. Een voorbeeld van kinderlijke plichtsbetrachting ter onzer navolging. Christus heeft hiermede aan kinderen geleerd, om zoveel als in hun vermogen is voor hun bejaarde ouders te zorgen. Toen David zelf in nood en verlegenheid was, heeft hij nog voor zijne ouders gezorgd en een toevlucht voor hen gevonden, 1 Samuël 22:3, en zo doet ook de Zoon van David hier. Bij hun dood behoren kinderen, naar vermogen, voor hun ouders te zorgen, indien dezen hen overleven en zulk ene vriendelijkheid van hen nodig hebben.
b. Het vertrouwen, dat Hij in den beminden discipel heeft gesteld. Het is tot hem, dat Hij zegt: Zie uwe moeder, dat is: Ik beveel haar in uwe zorg, wees haar als een zoon, om haar zachtjes te leiden, Jesaja 51:18, en verlaat haar niet als zij oud geworden is, Spreuken 23:18. Dit nu was: a. Ene eer, die Johannes werd aangedaan, en een getuigenis beide van zijne wijsheid en van zijne trouw. Indien Hij, die alle dingen weet, niet had geweten dat Johannes Hem liefhad, Hij zou hem niet tot hoeder en verzorger Zijner moeder hebben aangesteld. Het is een grote eer om voor Christus gebruikt te worden, een grote eer, als ons iets van Zijne belangen in de wereld wordt toevertrouwd. Maar b. Het zal voor Johannes ook zorg en enigen last medebrengen, doch hij heeft die blijmoedig op zich genomen, en nam haar in zijn huis, geen bezwaar makende wegens moeite of onkosten, noch ook wegens zijn verplichting jegens zijn eigen gezin, of de kwaadwilligheid, die hij er zich mede op den hals kon halen. Zij, die Christus waarlijk liefhebben, en door Hem bemind worden, zullen blijde wezen met elke gelegenheid om Hem of de Zijnen van dienst te zijn. Nicephorus (Eccl. Hist. lib. II. Cap. 3) zegt, dat de maagd Maria nog elf jaren bij Johannes te Jeruzalem heeft gewoond, en toen gestorven is. Anderen zeggen, dat zij nog zolang heeft geleefd, dat zij met hem naar Efeziërs verhuisd is.
IV. De vervulling der Schrift, toen zij Hem edik gaven te drinken, vers 28, 29. Merk op:
1. Hoeveel eerbied Christus getoond heeft voor de Schrift, vers 28. Hierna Jezus wetende dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zou vervuld worden -welke sprak van Zijn drinken in Zijn lijden-zei: Mij dorst, dat is: Hij vroeg om te drinken.
a. Het was niets vreemds of ongewoons, dat Hij dorstig was, wij vinden Hem dorstig op een reis, Hoofdstuk 4:6, 7, en nu Hij aan het einde Zijner reize is, is Hij wederom dorstig. Wèl mocht Hij dorsten na al de moeite en het voortjagen, dat Hij verduurd had, en nu in doodsstrijd zijnde, stervende, zuiver en alleen door bloedverlies en ontzettende pijn. De kwelling der hel wordt voorgesteld door heftigen dorst in de klacht van den rijken man, die om een druppel water smeekte om zijne tong te verkoelen. Tot diens eeuwigdurenden dorst zouden wij gedoemd zijn geworden, indien Christus niet voor ons had geleden.
b. Maar de reden Zijner klacht is wel enigszins verwonderlijk, het is het enige woord door Hem gesproken, dat op ene klacht geleek over Zijn uitwendig lijden. Toen zij Hem geselden en met doornen kroonden, heeft Hij niet uitgeroepen: "O Mijn hoofd!" of "o Mijn rug!" Maar nu riep Hij: "Mij dorst". Want: a. Aldus wilde Hij uitdrukking geven aan den arbeid Zijner ziel, Jesaja 53:11. Hij dorstte naar de verheerlijking van God, en de voleindiging van het werk onzer verlossing en den gelukkigen uitslag Zijner onderneming. b. Aldus wilde Hij er zorg voor dragen, dat de Schrift zou vervuld worden. Totnutoe was alles vervuld geworden, en Hij wist het, want dat was de zaak, die Hij van den beginne zorgvuldig had opgemerkt, en nu bracht Hij zich nog een ding voor den geest, voor welker vervulling het nu de tijd was. Het blijkt dat Hij de Messias was, niet alleen daarin, dat de Schrift nauwkeurig in Hem vervuld was, maar dat Hij dit ook in alles op het oog heeft gehad. Hieruit blijkt, dat God in waarheid met Hem is geweest-dat Hij in alles wat Hij deed strikt en nauwkeurig naar het woord van God heeft gehandeld, er zorg voor dragende, de wet en de profeten niet te ontbinden, maar te vervullen. Nu heeft de Schrift: Ten eerste. Zijn dorsten voorzegd, en daarom heeft Hij zelf dit meegedeeld, zeggende: Mij dorst, want anders zou dit niet geweten zijn kunnen worden, het was voorzegd, dat Zijne tong zou kleven aan Zijn gehemelte, Psalm 22:16. Toen Simson, een voornaam type van Christus, hopen van Filistijnen had verslagen, heeft hem zeer gedorst, Richteren 15:18, en zo heeft Christus gedorst, toen Hij aan het kruis de overheden en de machten heeft uitgetogen. Ten tweede. De Schrift had voorzegd, dat zij Hem in Zijn dorst edik te drinken zouden geven, Psalm 69:22. Zij hadden Hem al edik te drinken gegeven eer zij Hem kruisigden, Mattheus 27:34, maar daarin was de profetie niet nauwkeurig vervuld, want dat was niet in Zijn dorst, daarom heeft Hij nu gezegd: Mij dorst, en vroeg Hij er om. Toen zij Hem den edik gaven voor Hij gekruisigd werd, wilde Hij dien niet drinken, maar nu nam Hij hem aan. Christus wilde liever ene belediging uitlokken, dan ene profetie onvervuld laten. Onder al onze beproevingen moet ons dit tot ene voldoening wezen, dat Gods wil er in geschiedt, en dat het woord Gods er in vervuld wordt. 2. Zie hoe weinig eerbied Zijne vervolgers Hem betoonden, vers 29:Daar stond dan een vat vol ediks, volgens de gewoonte waarschijnlijk bij al zulke terechtstellingen, of, gelijk anderen denken, het was daar nu met opzet geplaatst om Christus nog meer minachting te betonen, in plaats van den beker wijns, dien zij plachten te geven aan degenen, die bitterlijk bedroefd van ziel zijn, gaven zij Hem edik, alsof die goed genoeg voor Hem was. Zij vulden er een spons mede, want zij wilden Hem geen beker toestaan, en deden ze op hysop , een hysopstengel, en brachten hem zo naar Zijn mond, hussoopoo perithentes -zij deden er hysop omheen, zo kan dit ook genomen worden, of, gelijk anderen het opvatten: zij mengden hem met hysopwater, en dit gaven zij Hem te drinken, toen Hem dorstte, een droppel water zou zijn tong veel beter verkoeld hebben dan een teug ediks, maar hieraan heeft Hij zich om onzentwil onderworpen. Wij hadden de onrijpe druiven gegeten, en zo zijn Zijne tanden stomp geworden, wij hadden alle lieflijkheid en gerieflijkheid des levens verbeurd, en daarom zijn zij Hem onthouden. Toen de hemel Hem een lichtstraal ontzei, heeft de aarde Hem een druppel waters ontzegd, en er Hem edik voor in de plaats gegeven.
V. Het stervenswoord, waarmee Jezus den geest gaf, vers 30. Toen Jezus den edik genomen had, zoveel er van als Hij goedvond, zei Hij: Het is volbracht! en daarmee het hoofd buigende gaf Hij den geest. Let op:
1. Hetgeen Hij zei, en naar wij mogen onderstellen, heeft Hij het juichend en met blijdschap gezegd: -Tetelesstai -Het is volbracht, een veelomvattend en troostrijk woord.
a. Het is volbracht, dat is: het is gedaan: de boosheid en vijandschap Zijner vervolgers hadden nu het ergste gedaan, wat zij konden doen. Toen Hem de laatste smaad was aangedaan in den edik, dien zij Hem te drinken gaven, zei Hij: "Dit is het laatste, nu ga Ik buiten hun bereik, waar de bozen ophouden van te beroeren.
b. Het is volbracht, dat is: de raad en het gebod Zijne Vaders betreffende Zijn lijden waren nu volbracht, het was een bepaalde raad, en Hij droeg zorg, dat iedere tittel en jota er van volbracht werd, Handelingen 2:23. Toen Hij inging tot Zijn lijden, had Hij gezegd: Vader, Uw wil geschiede, en nu zegt Hij met zielsvermaak: "hij is geschied". Het was Zijne spijs en drank Zijn werk te volbrengen, Hoofdstuk 4:34, en de spijs en drank verkwikten Hem, toen zij Hem gal en edik gaven.
c. Het is volbracht, dat is: aan al de typen van het Oude Testament werd in Zijn lijden beantwoord, al de profetieën zijn vervuld. Hij spreekt alsof, nu zij Hem den edik gegeven hadden, Hij geen enkel woord in het Oude Testament meer kon bedenken, dat door Hem voor Zijn dood volbracht moest worden, dat nu niet volbracht was, zoals Zijn verkocht worden voor dertig zilveren penningen, dat Zijne handen en voeten doorgraven zullen worden en Zijne klederen verdeeld, enz. en nu dit geschied is, is het volbracht.
d. Het is volbracht, dat is: de ceremoniële wet is opgeheven, en een einde gemaakt aan het verplichtende er van. Het wezen is nu gekomen, en de schaduwen zijn weggegaan. Zo-even is de voorhang des tempels gescheurd, de middelmuur des afscheidsels is gebroken, namelijk de wet der geboden in inzettingen bestaande, Efeze 2:14, 15. De Mozaïsche bedeling is ontbonden, om plaats te maken voor een betere hoop. e. Het is volbracht, dat is: de zonde is voleindigd, er is een einde gemaakt aan de overtreding, en een eeuwige gerechtigheid is aangebracht. Dit schijnt te verwijzen naar Daniël 9:24. Het Lam Gods is geofferd om de zonde der wereld weg te nemen, en het is geschied, Hebreeën 9:26.
f. Het is volbracht, dat is: Zijn lijden was nu afgedaan, het lijden van Zijne ziel en van Zijn lichaam. De storm is voorbij, het ergste is voorbij, al Zijne pijn en doodsbenauwdheid is ten einde, en Hij gaat henen naar het paradijs, Hij gaat in tot de vreugde, die Hem was voorgesteld. Laat allen, die voor Christus en met Christus lijden, zich hiermede vertroosten, dat, na nog een kleinen tijd, ook zij zullen zeggen: Het is volbracht.
g. Het is volbracht, dat is: Zijn leven was nu voleindigd, Hij stond op het punt van den geest te geven, en nu is Hij niet meer in de wereld, Hoofdstuk 17:11. Het is zoals het woord van Paulus, 2 Timotheus 4:7 "Ik heb den loop geëindigd". het uurglas is ledig, mene, mene geteld en voleindigd. Daartoe moeten wij allen weldra komen.
h. Het is volbracht, dat is: het werk van des mensen verlossing en zaliging is nu voltooid, het moeilijkste deel der onderneming tenminste is afgedaan, aan de gerechtigheid Gods is ten volle voldaan, aan de macht van Satan de genadeslag toegebracht, ene fontein van genade is geopend, die steeds zal vloeien, een grondslag gelegd voor eeuwigen vrede en zaligheid. Christus heeft geheel Zijn werk voleindigd, Hoofdstuk 17:4, want Gods werk is volmaakt, Ik zal het beginnen en voleinden, zegt Hij. En, gelijk het in het werk der verlossing was, zo is het ook in de toepassing er van, "Hij, die een goed werk in ons begonnen heeft, zal het voleindigen, de verborgenheid Gods zal vervuld worden".
2. Wat Hij deed: Hij boog het hoofd en gaf den geest. Zijn sterven was vrijwillig, want Hij was niet alleen het offer, maar ook de priester en offeraar, en de animus offerentis -de geest of gezindheid van den offeraar was het alles in alles van het offer. Christus heeft in Zijn lijden Zijn wil getoond, in welken wil wij geheiligd zijn.
a. Hij gaf den geest. Zijn leven werd Hem niet afgedwongen, Hij heeft het vrijwillig afgelegd. Vader, in Uwe handen beveel Ik Mijnen geest, had Hij gezegd, waarmee Hij de bedoeling dezer daad heeft uitgedrukt.
Ik geef Mij zelven tot een rantsoen voor velen, en dienovereenkomstig gaf Hij den geest, betaalde Hij den prijs van vergeving en leven in de hand Zijns Vaders. Vader, verheerlijk Uwen noam.
b. Hij boog het hoofd. Zij, die gekruisigd waren, hieven het hoofd op om lucht te scheppen, en hun hoofd zonk niet neer voor zij den laatsten adem hadden uitgeblazen. Maar Christus heeft, ten einde zich nog werkzaam te betonen in Zijn sterven, eerst het hoofd gebogen, zich, als het ware, er toe schikkende om te ontslapen. God heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen, haar op het hoofd leggende van dit grote Offer, en sommigen denken, dat Hij door het hoofd te buigen Zijn gevoel of bewustheid wilde te kennen geven van den last, die op Hem drukte. Zie Psalm 38:5:40:13. Het buigen van Zijn hoofd toont Zijne onderworpenheid aan den wil Zijns Vaders, en Zijne gehoorzaamheid tot den dood toe. Hij schikte zich tot het werk van sterven, zoals Jakob, toen hij zijne voeten samen legde op het bed, en den geest gaf.