Johannes 11:33-44
Hier hebben wij:
I. Christus' teder medegevoel met Zijn zwaarbeproefde vrienden en het deel, dat Hij nam in hare smart, hetgeen blijkt op drieërlei wijze:
1. Door Zijn bewogen zijn in den geest en Zijn innerlijke ontroering, vers 33. Jezus zag Maria wenen om het verlies van een liefhebbenden broeder, en de Joden, die met haar kwamen, wenen om het verlies van een goeden nabuur en vriend. Toen Hij zag welk een plaats des wenens, welk een bochim dit was, werd Hij zeer bewogen in den geest en ontroerde zich zelven. Zie hier:
a. De smarten van de kinderen der mensen voorgesteld in de tranen van Maria en hare vrienden. Welk een embleem was hier van deze wereld, van dit tranendal! De natuur zelf leert ons over onze dierbare betrekkingen te wenen, als zij ons door den dood worden ontnomen, Gods voorzienigheid roept ons dan tot treuren en wenen. Het is waarschijnlijk, dat Lazarus' bezittingen op zijne zusters overgingen, hetgeen dus een aanmerkelijke vermeerdering was van haar fortuin, en in zulk een geval zeggen de mensen van onze dagen, dat, hoewel zij hun bloedverwanten niet dood wensen (dat is: zij zeggen niet, dat zij het wensen) maar als zij eenmaal gestorven zijn, zij toch niet wensen, dat zij tot het leven zouden wederkeren, maar wat deze zusters nu ook door den dood haars broeders verkregen mogen hebben, zij wensten van harte hem in het leven terug te zien komen. De Godsdienst leert ons ook te wenen met de wenenden, zoals deze Joden met Maria weenden, gedenkende, dat wij ook zelven in het lichaam zijn. Zij, die hun vrienden waarlijk liefhebben, zullen delen in hun blijdschap en hun smart, immers wat is vriendschap zo niet ene gemeenschap van aandoeningen en gewaarwordingen? Job 16:5.
b. De genade van den Zone Gods en Zijn mededogen met hen, die in smart en lijden zijn. In al hun benauwdheid is Hij benauwd, Jesaja 63:9, Richteren 10:16. Toen Christus hen allen in tranen zag, werd Hij zeer bewogen in den geest. Hij liet zich toe verzocht te zijn (zoals wij, als wij door een grote beproeving geschud en ontroerd worden) maar zonder zonde. Het was ene uitdrukking: Ten eerste. of van ongenoegen over de bovenmatige smart van hen, die Hem omringden, zoals in Markus 5:39:"Wat maakt gij beroerte, en wat weent gij? Welk een gewoel heerst hier! Betaamt dit aan hen, die in een God geloven, in een hemel en een andere wereld?" Of: Ten tweede. Van Zijn meevoelend besef van den rampzaligen toestand van het menselijk leven en de macht des doods, waaraan de mens onderworpen is. Daar Hij nu een krachtigen aanval zal hebben te doen op den dood en het graf, wekte Hij zich op tot dien strijd, trok Hij "de klederen der wraak aan", en "Zijne grimmigheid heeft Hem ondersteund". En ten einde des te vastberadener het herstel onzer grieven op zich te nemen, heeft het Hem behaagd om er zelf de zwaarte van te gevoelen, en onder dien last werd Hij nu zeer bewogen in den geest. Of: Ten derde. Het was ene uitdrukking van vriendelijk medelijden met Zijne vrienden, die in droefheid waren. Hier was "het gerommel der ingewanden, de barmhartigheden, die de beproefde kerk zo ernstelijk afsmeekt, Jesaja 63:15. Christus was niet slechts bekommerd, Hij was bewogen in den geest, Hij was er innerlijk en diep door aangedaan. David's voorgewende vrienden veinsden medegevoel om er hun vijandschap onder te verbergen, Psalm 41:7, maar wij moeten van Christus leren om een ongeveinsde liefde en een oprecht medegevoel te hebben. Hij ontroerde zich zelven. Die uitdrukking is veelbetekenend. Hij had al de gevoelens en gewaarwordingen van de menselijke natuur, want Hij moest in alles den broederen gelijk worden, maar Hij had Zijne gewaarwordingen en gevoelens volkomen in Zijne macht, zodat zij nooit boven kwamen dan wanneer Hij ze riep, en zoals Hij ze riep, Hij was nooit ontroerd, dan wanneer Hij "zich zelven ontroerde", als Hij er reden voor zag. Hij heeft zich dikwijls er toe gezet om ontroerd te worden, maar nooit is Hij er door ontrust geworden. Zijn lijden was even vrijwillig als Zijn medelijden. Hij had macht, om Zijne smart af te leggen, en macht om haar weer op te nemen.
2. Zijne belangstelling in hen bleek uit Zijn vriendelijke vraag naar de overblijfselen van Zijn overleden vriend, vers 34. Waar hebt gij hem gelegd? Hij wist waar hij gelegd was, en toch vraagt Hij dat, omdat Hij zich wilde uitdrukken als mens, zelfs toen Hij de macht ging uitoefenen van een God. In gedaante gevonden als een mens, heeft Hij zich naar de wijze van doen van de kinderen der mensen geschikt. "Hij is niet onwetend, maar Hij doet, alsof Hij het was", merkt Augustinus hier aan. Hij vroeg ook waar het graf was, opdat de ongelovige Joden, indien Hij er zonder te vragen regelrecht heengegaan was, hier gene aanleiding uit zouden nemen om een afspraak te vermoeden tussen Hem en Lazarus, zodat er dus bedrog in het spel zou zijn. Vele Schriftuitleggers hebben die opmerking van Chrysostomus overgenomen. Hij wilde ook ene afleiding van de smart aan Zijn treurende vrienden verschaffen, door de verwachting van iets groots bij hen op te wekken, alsof Hij gezegd had: "Ik ben niet hier gekomen om slechts woorden van rouwbeklag te spreken en enige vruchteloze, onbeduidende tranen met de uwen te vermengen, neen! Ik heb wat anders te doen, komt, laat ons naar het graf gaan, en aldaar doen wat er te doen is". Een zich ernstig toeleggen op ons werk is het beste geneesmiddel tegen bovenmatige smart. Hij wilde ons hierdoor ook doen zien de bijzondere zorg, die Hij draagt voor het lichaam der heiligen, als zij in het graf liggen, Hij neemt er kennis van waar zij gelegd zijn, en geeft acht op hen. Er is niet slechts een verband met het stof, maar ook ene wacht er over.
3. Die belangstelling bleek ook uit Zijne tranen. Die om Hem heen waren, zeiden Hem niet waar het lichaam begraven was, maar verlangden dat Hij zou komen en zien, en zij leidden Hem heen naar het graf, opdat door het zien der ramp Zijn hart nog des te meer bewogen zou worden.
a. Gaande naar het graf, alsof Hij het lijk derwaarts volgde, weende Jezus, vers 35. Een zeer kort vers, maar waarin veel nuttig onderwijs ligt opgesloten, namelijk: Dat Jezus wezenlijk en waarachtig mens was, en met de kinderen der mensen niet alleen vlees en bloed, maar ook een menselijke ziel gemeen had, vatbaar voor de indrukken van blijdschap en smart en nog van andere aandoeningen. Christus gaf dit blijk van Zijne mensheid en van Zijne menselijkheid, dat Hij als mens kon wenen, en als barmhartig mens wilde wenen, eer Hij het bewijs Zijner Godheid gaf. Vervolgens: dat Hij een man van smarten was, gelijk van Hem voorzegd werd, Jesaja 53:3. Nergens lezen wij dat Hij lachte, maar meer dan eens zien wij Hem in tranen. Aldus toont Hij niet slechts dat een treurige toestand bestaanbaar is met de liefde van God, maar ook dat zij, die in den geest zaaien, met tranen moeten zaaien. Tranen van medelijden betamen den Christenen en maken hen gelijkvormig aan Christus. Het is ene verlichting voor hen, die in droefheid zijn, dat hun vrienden met hen medegevoelen, inzonderheid een vriend zoals hun Heere Jezus.
b. Het wenen van Christus wordt door de omstanders verschillend opgevat. Sommigen hebben er een vriendelijke verklaring van gegeven, zij vonden het zeer natuurlijk, vers 36:De Joden dan zeiden: Ziet, hoe lief hij hem had. Zij schijnen er zich over te verwonderen, dat Hij een zo sterke genegenheid koesterde voor een man, die Hem niet in den bloede bestond, en met wie Hij ook nog niet zo lang bekend was, want Christus had het grootste gedeelte van Zijn tijd in Galilea doorgebracht, ver van Bethanië. Het betaamt ons om, naar het voorbeeld van Christus, onze liefde te tonen aan onze vrienden, beide in leven en in sterven. Wij moeten treuren om onze vrienden, die in Jezus ontslapen zijn als dezulken, die vol zijn van liefde, hoewel niet ontbloot van hope, zoals de Godvruchtige mannen, die Stefanus hebben begraven, Handelingen 8:2. Onze tranen kunnen de doden niet baten, maar zij balsemen de herinnering aan hen. Deze tranen waren ene aanduiding van Zijn bijzondere liefde voor Lazarus, maar Hij heeft niet minder duidelijke blijken gegeven van Zijne liefde voor al de heiligen, doordat Hij voor hen gestorven is. Toen Hij slechts tranen stortte over Lazarus, zeiden zij: Ziet, hoe lief hij hem had! Veel meer reden hebben wij om dat te zeggen, daar Hij Zijn leven voor ons heeft gegeven! "Zie hoe lief Hij ons gehad heeft! Niemand heeft meer liefde dan deze." Anderen maakten er een gemelijke aanmerking op, alsof deze tranen een bewijs van onmacht waren om Zijn vriend te helpen, vers 37. Kon hij, die de ogen des blinden geopend heeft, niet maken, dat ook deze niet gestorven ware? Hier wordt op listige wijze te kennen gegeven: Ten eerste. Dat de dood van Lazarus ene grote smart voor Hem zijnde, gelijk blijkt uit Zijne tranen, Hij dien dood verhinderd zou hebben, indien Hij had gekund, en daar Hij hem niet verhinderd heeft, zijn zij geneigd te denken, dat Hij er de macht niet toe gehad heeft, evenals, toen Hij zelf stervende was, en Hij zich zelven niet redde, zij hieruit opmaakten, dat Hij het niet kon, dat Hij niet kon afkomen van het kruis, niet bedenkende, dat de Goddelijke macht in hare werkingen altijd geleid wordt door de Goddelijke wijsheid, niet bloot naar Zijn wil, maar naar den raad Zijns willens, waarin het ons betaamt te berusten. indien Christus' vrienden, die Hij liefheeft, sterven, -indien Zijne kerk, die Hij liefheeft, vervolgd en gekweld wordt, -dan moeten wij dit niet toeschrijven aan een gebrek aan Zijne macht of liefde, maar er uit afleiden, dat Hij dit het beste voor ons acht. Ten tweede. Dat het dus met recht betwijfeld kon worden, of Hij de ogen des blinden wel waarlijk geopend heeft, dat is: of dit maar niet in schijn geschied was. Dat Hij dit wonder niet gedaan heeft, is hun genoeg om het andere krachteloos te maken, tenminste schijnt Hij dan slechts ene beperkte, en dus gene Goddelijke, macht te bezitten. Christus heeft deze mompelaars door Lazarus van de doden op te wekken, dat het grotere wonder was, er spoedig van overtuigd, dat Hij zijn' dood had kunnen voorkomen, maar het niet gedaan heeft, omdat Hij aldus nog meer verheerlijkt zou worden.
II. Christus' naderen tot het graf, en de toebereidselen, die gemaakt werden om dit wonder te werken.
1. Bij dit naderen tot het graf werd Christus wederom in zich zelven zeer bewogen, vers 38.
Jezus dan wederom in zich zelven zeer bewogen zijnde, kwam tot het graf, Hij zuchtte.
a. Hij was misnoegd wegens het ongeloof van hen, die met twijfel van Zijne macht hadden gesproken en Hem hadden gelaakt, omdat Hij den dood van Lazarus niet had voorkomen, Hij was bedroefd over de verharding van hun hart. Nooit heeft Hij zo gezucht, was Hij zo bewogen om Zijn eigen lijden, als om de zonden en dwaasheden der mensen, inzonderheid om die van Jeruzalem, Mattheus 23:37.
b. Hij werd bewogen door de smart, waaraan de zusters zich waarschijnlijk opnieuw overgaven, toen zij nabij het graf kwamen, hartstochtelijker nog dan te voren, Zijne teder medelijdende ziel was bewogen door haar weeklagen. c. Sommigen denken, dat Hij in zich zelven bewogen was, bij zich zelven zuchtte of kermde omdat Hij, ten einde aan de begeerte Zijner vrienden te voldoen, Lazarus wederom in deze zondige, moeitevolle wereld terug ging brengen van die ruste, waartoe hij nu was ingegaan. Het zal ene vriendelijkheid en barmhartigheid zijn voor Martha en Maria, maar voor hem zal het wezen, alsof hij wederom naar ene stormachtige zee werd heen gedreven, waaruit hij zo even veilig in ene kalme haven was aangeland. Indien Lazarus niet ware opgewekt, zou Christus spoedig tot hem in ene andere wereld gegaan zijn, maar in het leven teruggeroepen zijnde, zal Christus hem spoedig in deze wereld achterlaten.
d. Christus was bewogen, als aangedaan zijnde door den rampzaligen toestand der menselijke natuur, onderhevig aan den dood, waaruit Hij Lazarus nu ging verlossen. Aldus heeft Hij zich opgewekt om God aan te grijpen in het gebed, dat Hij ging opzenden, om het met sterke roeping en tranen te doen, Hebreeën 5:7. Leraren, die gezonden zijn, om door de prediking van het Evangelie dode zielen op te wekken, moeten innerlijk zeer bewogen zijn met den beklagenswaardigen toestand van hen, tot wie zij hun prediking richten, en bij zich zelven zuchten, als zij er aan denken.
2. Er is hier ene beschrijving van het graf, waarin Lazarus lag: het was ene spelonk, en een steen was daarop gelegd. De graven van het gewone volk waren waarschijnlijk gegraven zoals de onzen, maar, evenals bij ons, werden aanzienlijke personen in grafkelders gelegd, zo was het met Lazarus geschied, en zo was ook het graf, waarin Christus was begraven. Die wijze van begraven werd onder de Joden waarschijnlijk gevolgd in navolging van de aartsvaders, die hun doden in de spelonk van Machpela hebben begraven, Genesis 23:19. Dit zorg dragen voor de dode lichamen hunner vrienden geeft hun verwachting te kennen van de opstanding. Zij achten de begrafenis volbracht te zijn, als de steen op het graf gewenteld was, of, gelijk hier, "er op was gelegd," zoals op den mond des kuils, waarin Daniël werd geworpen, Daniël 6:18, opdat de wil niet zou veranderd worden, te kennen gevende, dat de doden afgescheiden zijn van de levenden, en heengegaan zijn, vanwaar zij niet wederkomen. Waarschijnlijk was deze steen een grafsteen met een opschrift er op geplaatst, hetgeen de Grieken mnêmeion -ene gedachtenis -noemen, omdat het beide ene gedachtenis was aan de doden, en den levenden een "gedenk te sterven" toeriep. Door de Latijnen wordt het Monumentum à monendo genoemd, omdat het ene waarschuwing geeft.
3. Er wordt bevel gegeven den steen weg te nemen, vers 39. Neemt den steen weg. Hij wilde, dat die steen weggenomen zou worden, opdat al de omstanders het lichaam dood in het graf konden zien liggen, en opdat er ruimte zou gemaakt worden voor zijn naar buiten treden, en het zou gezien worden, dat het een waar lichaam en geen spooksel was. Hij wilde, dat enigen der dienaren den steen zouden wegnemen, opdat zij zich door den reuk, die er van uitging, konden overtuigen, dat het lichaam tot bederf was overgegaan, en dat het dus werkelijk dood was. Het is een goede stap voorwaarts naar de opwekking van ene ziel tot geestelijk leven, als de steen weggenomen is, als de vooroordelen worden weggenomen en overwonnen, en er een weg geopend is naar het hart, voor het woord, opdat het er zijn werk doe en zegge wat er te zeggen is.
4. Ene tegenwerping van Martha tegen het openen van het graf: Heere! hij riekt nu al' want hij heeft vier dagen aldaar gelegen, hij is vier dagen oud in de andere wereld, sedert vier dagen een burger en inwoner van het graf. Waarschijnlijk heeft Martha den reuk van het lichaam bespeurd, toen zij den steen wegnamen, en heeft zij dit daarom uitgeroepen. a. Hieruit valt gemakkelijk af te leiden wat de aard is van het menselijk lichaam. Vier dagen zijn slechts een spanne tijds, en toch! welk ene grote verandering zal er door dien tijd in het menselijk lichaam gemaakt worden, indien het slechts zo lang zonder voedsel is, en hoeveel meer nog, indien het zo lang zonder leven is! Na den omloop der vochten, zegt Dr. Hammond, die in twee en zeventig uren volbracht is, begint een dood lichaam tot bederf over te gaan, en de Joden zeggen, dat op den vierden dag na den dood het lichaam zo veranderd is, dat men er niet zeker van kan wezen, dat het dezelfde persoon is, (Maimonides, aangehaald door Lightfoot.) Christus in ten derden dage opgestaan, omdat Zijn lichaam geen verderving moest zien.
b. Minder gemakkelijk is het te zeggen wat Martha, s bedoeling is geweest. Sommigen denken, dat zij het in gepaste tederheid des harten heeft gezegd, en, naar hetgeen de betamelijkheid tegenover een dood lichaam, ons leert. Nu het bederf was ingetreden, wenste zij niet, dat het aldus openlijk aan aller blikken werd blootgesteld. Anderen denken, dat zij het zei uit bezorgdheid voor Christus, vrezende dat de reuk van het dode lichaam Hem nadelig zou zijn. Hetgeen zeer walglijk is wordt vergeleken bij een open graf, Psalm 5:10. Indien er iets walglijks of schadelijks is, dan wil zij niet, dat haar Meester er nabij zal komen: maar Hij behoorde niet tot die zwakke of kieskeurige personen, die geen bozen reuk kunnen verdragen, indien Hij daar wèl toe had behoord, dan zou Hij de wereld der mensheid niet hebben bezocht, die door de zonde als een walglijk riekende mesthoop was geworden, Psalm 14:3. Naar Christus' antwoord schijnt het de taal van ongeloof en wantrouwen geweest te zijn. "Heere, het is nu te laat om nog enigerlei vriendelijkheid aan hem te bewijzen, zijn lichaam begint te vergaan, en het is onmogelijk, dat dit tot ontbinding overgaande lijk wederom levend kan worden." Zij geeft zijn toestand op als hulpeloos en hopeloos, daar er noch vroeger, noch in den laatsten tijd een voorbeeld is geweest van iemand, die tot het leven teruggeroepen werd, nadat zijn lichaam reeds tot bederf begon over te gaan. Als onze beenderen verdord zijn, dan zijn wij gereed te zeggen: onze verwachting is verloren. Toch heeft dit wantrouwende woord van haar gediend om het wonder des te blijkbaarder te doen zijn, en des te heerlijker te doen uitkomen. Er bleek uit, dat hij wel waarlijk dood was, en niet maar in een toestand van schijndood verkeerde: want hoewel de houding van een dood lichaam nagebootst zou kunnen worden, de lijklucht kan het niet. Haar geopperd denkbeeld dat het niet geschieden kon, brengt des te meer ere aan Hem, die het wonder heeft gewerkt.
5. De zachte bestraffing, die zij van Christus ontving wegens de zwakheid van haar geloof, vers 40. Heb Ik u niet gezegd, dat, zo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult? Dit woord van Hem tot haar was te voren niet meegedeeld, waarschijnlijk heeft Hij het tot haar gezegd, toen zij zei: Heere, ik heb geloofd, vers 27, en het is genoeg dat het hier vermeld wordt als ene herhaling. Onze Heere Jezus heeft ons alle mogelijke verzekeringen gegeven, dat een oprecht geloof ten laatste gekroond zal worden door een zalig aanschouwen: "Indien gij gelooft, dan zult gij Gods heerlijke verschijning voor u zien in deze wereld, en aan u in de andere wereld." Indien wij Christus' woord willen aannemen, en steunen op Zijne getrouwheid en macht, dan zullen wij de heerlijkheid Gods zien, en in dat gezicht zullen wij gelukkig zijn. Wij hebben het nodig om dikwijls herinnerd te worden aan deze gewisse weldadigheden, waarmee onze Heere Jezus ons heeft bemoedigd Christus geeft geen direct antwoord op hetgeen Martha gezegd had, en gene bijzondere belofte van hetgeen Hij doen zal, maar Hij beveelt haar vast te houden aan de algemene verzekeringen, die Hij reeds had gegeven: Geloof alleenlijk. Wij zijn geneigd te vergeten hetgeen Christus gesproken heeft, en hebben het nodig dat Hij ons door Zijn Geest er aan herinnert: "Heb Ik u niet, dit of dat, gezegd? En denkt gij, dat Ik Mijn woord ooit zal herroepen?" 6. Het openen van het graf in gehoorzaamheid aan Christus' bevel en in weerwil van Martha's tegenwerping, vers 41. Zij namen dan den steen weg. Toen Martha voldaan was en zij hare tegenwerping opgaf, hebben zij den last volvoerd. Als wij de heerlijkheid Gods willen zien, dan moeten wij Christus laten doen wat Hem behaagt, wij moeten Hem niet voorschrijven wat Hij doen zal, maar wat Hij doet moeten wij onderschrijven, dat is: er in berusten, er mede instemmen. Zij namen den steen weg, en dat was alles wat zij konden doen, Christus alleen kon leven geven. Wat de mens doen kan is slechts den weg des Heeren te bereiden, de dalen op te hogen, en de heuvelen te slechten, en evenals hier, den steen weg te nemen.
III. Het wonder zelf gewerkt. De toeschouwers, daartoe genodigd door het wegnemen van den steen, verzamelden zich om het graf, niet om het stof tot het stof te doen wederkeren en de aarde tot de aarde, maar om het stof wederom van het stof te ontvangen, en de aarde van de aarde, en hun verwachting opgewekt zijnde, begeeft onze Heere Jezus zich nu tot Zijn werk.
1. Hij richt zich tot Zijn levenden Vader in den hemel, aldus had Hij Hem genoemd, Hoofdstuk 6:57, en aldus beschouwt Hij Hem hier.
a. Zijne houding en gebaar waren vol van betekenis, Hij hief de ogen opwaarts, ene uiterlijke uitdrukking van de verheffing van Zijn geest, en om aan de omstanders te tonen, van waar Hij Zijne macht had, alsmede om ons een voorbeeld te geven, want hierdoor wordt dit uitwendige teken ons ter beoefening aanbevolen, zie Hoofdstuk 17:1. Zij zullen het hebben te verantwoorden, die daar heiligschennend den spot mede drijven. Wat ons echter inzonderheid hierdoor aanbevolen wordt, is ons hart op te heffen tot God in den hemel. Wat is bidden, indien niet het opklimmen der ziel tot God, en het richten van hare aandoeningen en bewegingen hemelwaarts? Hij hief Zijne ogen opwaarts, als ziende naar boven, over het graf heen, waarin Lazarus lag, en al de moeilijkheden, die zich dáár voordeden, voorbijziende, ten einde Zijne ogen gericht te houden op de Goddelijke almacht, om ons te leren te doen wat Abraham gedaan heeft, die zijn eigen lichaam niet heeft aangemerkt, dat alrede verstorven was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was, daar zelfs niet aan gedacht heeft, en alzo tot zulk een trap van geloof was gekomen, dat hij aan de beloftenis Gods niet getwijfeld heeft door ongeloof, Romeinen 4:20.
b. Hij sprak tot God met grote verzekerdheid, en zulk een vertrouwen als Hem betaamde: Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt. Door Zijn eigen voorbeeld leert Hij ons hier: Ten eerste. In het gebed God Vader te noemen, en tot Hem te naderen zoals kinderen tot hun vader, met ootmoedigen eerbied, en toch ook met heilige vrijmoedigheid. Ten tweede. Hem in ons gebed te loven, en, als wij om nog meerdere zegeningen vragen, de vorige dankbaar te erkennen. Dankzegging, die Gods eer bedoelt (niet onze eigene, zoals de dankzegging van den Farizeeër) is een betamelijke vorm voor onze smekingen.
b. Maar onzes Heilands dankzegging was hier bedoeld om uitdrukking te geven aan Zijn vast vertrouwen van dit wonder te zullen werken, dat Hij in Zijne eigene macht kon doen in vereniging met Zijn Vader. "Vader, Ik dank U, dat in deze zaak, evenals altijd, Mijn wil en Uw wil overeenstemmen". Elia en Elisa hebben, als dienstknechten, doden opgewekt door hun gebed en smeking, maar Christus, als Zoon, door gezag, leven hebbende in zich zelven, en macht hebbende om levend te maken wie Hij wil, en hiervan sprak Hij als Zijne eigene daad, vers 11, Ik ga heen om hem uit den slaap op te wekken. Toch spreekt Hij nu alsof Hij dit verkregen had op Zijn gebed, want Zijn Vader hoorde Hem, waarschijnlijk heeft Hij het gebed er voor opgezonden toen Hij een en andermaal zeer bewogen was in den geest, vers 33, 38, in een inwendig gebed met onuitsprekelijke zuchtingen.
Ten eerste. Christus spreekt van dit wonder als van ene gebedsverhoring.
1. Omdat Hij zich aldus wilde vernederen, hoewel Hij de Zoon was, heeft Hij deze gehoorzaamheid geleerd van te bidden en te ontvangen. Zijne Middelaarskroon was Hem geschonken op Zijne bede, hoewel zij Hem van rechtswege toekomt, Psalm 2:8, Hoofdstuk 17:5. Hij bidt om de heerlijkheid, die Hij had, eer de wereld was, hoewel Hij, haar nooit hebbende verbeurd, haar had kunnen eisen.
2. Omdat het Hem behaagde aldus het gebed te eren, het tot den sleutel makende, waarmee zelfs Hij de schatten der Goddelijke macht en genade ontsloot. Aldus heeft Hij ons in het gebed willen leren om door de levende oefening des geloofs in het heiligdom te gaan.
Ten tweede. Verzekerd zijnde, dat Zijn gebed verhoord was, belijdt Christus:
a. Zijne dankbaarheid voor die verhoring: Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt. Hoewel het wonder nog niet was gewrocht, was toch het gebed reeds verhoord, en Hij juicht voor nog de overwinning was behaald. Niemand anders kan op zulk ene verzekerdheid, als die Christus had, aanspraak maken, toch kunnen wij door geloof in de belofte het vooruitzicht hebben op den zegen, eer hij nog is geschonken, en in dat vooruitzicht kunnen wij ons verheugen en er God voor danken. Dezelfde psalm van David, die begint met een gebed om genade, eindigt met dankzegging er voor. Zegeningen, verkregen als verhoring van ons gebed, moeten inzonderheid met dankzegging erkend worden. Behalve nog de schenking van den zegen, moeten wij het als ene grote gunst waarderen, dat er op onze zwakke, armelijke gebeden acht wordt geslagen. Op het eerste blijk van de verhoring van ons gebed, moeten wij ons bereiden tot dankzegging. Als God ons antwoordt met genade, eer wij nog roepen, en hoort, terwijl wij nog spreken, dan behoren wij Hem te antwoorden met lof en dank, eer Hij ons den zegen nog geschonken heeft, Hem te danken terwijl Hij nog goede en troostrijke woorden tot ons spreekt.
b. Zijne blijde verzekerdheid van altijd verhoord te worden, vers 42. Doch Ik wist, dat gij mij altijd hoort. Laat niemand denken, dat dit nu ene buitengewone gunst was, die Hem werd bewezen, zoals Hij nooit te voren er een ontvangen had, en nooit daarna weer ontvangen zal. Neen, dezelfde Goddelijke macht woonde in Hem bij alles wat Hij deed, en Hij deed niets, dan hetgeen Hij wist in overeenstemming te zijn met den raad van Gods wil. "Ik geef dankzegging, wijl Ik hierin verhoord ben," zegt Hij, "omdat ik er zeker van ben in alles verhoord te worden." Zie hier:
a. den invloed dien onzen Heere Jezus had in den hemel, de Vader hoorde Hem altijd, Hij had steeds en voor alles toegang tot den Vader, voorspoed bij Hem voor alles, waarmee Hij tot Hem kwam, en wij kunnen er van verzekerd wezen, dat Zijn invloed niet verminderd is, nu Hij in den hemel is, hetgeen ons. kan aanmoedigen om te steunen op Zijne voorbede, en al onze smekingen Hem in handen te geven, daar wij er zeker van zijn, dat de Vader Hem altijd hoort.
b. Zijn vertrouwen op dien invloed: Ik wist het. Hij heeft hieromtrent niet in het minst geaarzeld of getwijfeld, maar was in Zijn eigen gemoed volkomen overtuigd van des Vaders welbehagen in Hem en samenstemming met Hem in alle dingen. Wij kunnen zulke ene bijzondere verzekerdheid niet hebben, als Hij had, maar dit weten wij: dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort, 1 Johannes 5:14, 15.
Ten derde. Maar waarom moest Christus aldus in het openbaar te kennen geven, dat Hij dit wonder op het gebed heeft verkregen? Hij voegt er bij: Opdat zij zouden geloven, dat
Gij Mij gezonden hebt, want ook het gebed kan ene prediking wezen.
1. Het was om de tegenwerpingen en de opmerkingen Zijner vijanden te voorkomen. De Farizeeën en hun aanhangers hebben het Godslasterlijk vermoeden uitgesproken, dat Hij Zijne wonderen werkte door een verdrag met den duivel, om nu het tegendeel te doen blijken, heeft Hij openlijk tot God gesproken, gebeden gebruikende, en gene tovermiddelen, is Hij niet gaan "piepen en binnen `s monds mompelen," zoals de waarzeggers en duivelskunstenaars," Jesaja 8:19, maar met ten hemel opgeheven ogen en met luider stem Zijne gemeenschap met, en Zijne afhankelijkheid van, den hemel belijdende.
2. Het was om het geloof te versterken van hen, die Hem wèl genegen waren: Opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebt, niet om der mensen leven te verderven, maar om het te behouden. Om te tonen, dat God hem gezonden had, heeft Mozes de aarde zich doen openen om mensen te verzwelgen, Numeri 16:31. Om te tonen, dat God hem gezonden had, heeft Elia vuur van den hemel doen komen om mensen te verteren, want de wet was ene bedeling van verschrikking en dood, maar Christus bewijst Zijne zending door een dode tot het leven terug te roepen. Sommigen opperen dit denkbeeld: indien Christus verklaard had dit te doen door Zijne eigene macht, dan zouden sommigen van Zijne zwakke discipelen, die Zijne Goddelijke natuur nog niet kenden of begrepen, gedacht hebben, dat Hij zich te veel aanmatigde en zouden er zich aan geërgerd hebben. Deze kinderkens konden die vaste spijze niet verdragen, daarom verkoos Hij te spreken van Zijne macht als haar hebbende ontvangen en ontleend, Hij spreekt zelf-verloochenend van zich zelven, ten einde des te duidelijker tot ons te spreken. "In hetgeen Hij zei ging Hij niet zo zeer te rade met Zijne waardigheid als met onze zaligheid,', merkt Jansenius hier aan.
3. Thans wendt Hij zich tot Zijn doden vriend in de aarde. Hij riep met grote stemme: Lazarus, kom uit!
a. Hij zou Lazarus hebben kunnen opwekken door ene stille uitoefening van Zijne macht en wil, en de onmerkbare werkingen van den Geest des levens, maar Hij deed het door een roepen, een luid roepen. Om de macht aan te duiden, welke Hij aanwendde om Lazarus op te wekken, hoe Hij dit nieuwe schiep. Hij sprak, en het was er. Hij riep luid, om de grootte van het werk aan te duiden, en de grootte der macht, die er voor gebruikt werd, en om zich, als het ware, op te wekken tot dezen aanval op de poorten des doods, zoals krijgslieden met krijgsgeschrei den aanval beginnen. Sprekende tot Lazarus was het gepast om "met grote stemme te spreken", want: Ten eerste. De ziel van Lazarus, die teruggeroepen moest worden, was op een groten afstand, niet zwevende om het graf, zoals de Joden dachten, maar verplaatst naar Hades, de wereld der geesten, en het is natuurlijk om luid te spreken, als wij spreken tot hen, die op een afstand van ons zijn. Ten tweede. Het lichaam van Lazarus, dat opgeroepen werd. sliep, en gewoonlijk spreken wij luid, als wij iemand uit den slaap willen opwekken. Hij riep met ene grote stem, opdat de Schrift zou vervuld worden, Jesaja 45:19. Ik heb niet in het verborgene gesproken, in ene donkere plaats der aarde. Als type van andere wonderwerken, inzonderheid andere verrijzenissen, die door Christus' macht gewerkt zouden worden. Dit luide roepen was een zinnebeeld: Ten eerste. Van de Evangelieroeping, waardoor dode zielen uit het graf der zonde te voorschijn gebracht zouden worden, van welke opstanding Christus te voren had gesproken, Hoofdstuk 5:25, en van Zijn woord als het middel daartoe, Hoofdstuk 6:63, en nu geeft Hij er een voorbeeld van. Door Zijn woord zegt Hij tot de zielen: "Leeft, ja, Hij zegt tot hen: Leeft, Ezechiël 16:6. Staat op uit de doden, Efeze 5:14. De Geest des levens van God kwam in hen, die dorre doodsbeenderen geweest zijn, toen Ezechiël over hen profeteerde, Ezechiël 37:10. Zij, die van het bevel des woords: bekeert u en leeft, afleiden, dat de mens uit zich zelven de macht heeft om zich te bekeren en te vernieuwen door wedergeboorte, zouden even goed uit die roepstem tot Lazarus kunnen afleiden, dat hij de macht had om zich zelven van de doden op te wekken. Ten tweede. Van het geluid der bazuin van den aartsengel ten laatsten dage, waarmee zij, die slapen in het stof, opgewekt zullen worden en opgeroepen om voor den groten rechterstoel te verschijnen, wanneer Christus met een geroep, of een bevel, gelijk aan dit hier: Kom uit, zal neerkomen, Psalm 50:4. Hij zal roepen tot den hemel om hun zielen, en tot de aarde om hun lichamen, om Zijn volk te richten.
b. Dit luide roepen was kort, maar machtig door God tot neder werping van de sterkte des grafs. Hij roept hem bij name, Lazarus, zo als wij hen bij name roepen, die wij uit een diepen slaap willen opwekken. God zei tot Mozes, als teken Zijner gunst: Ik ken u bij name. Dat hij bij zijn naam genoemd werd geeft te kennen, dat dezelfde persoon, die gestorven is, ten laatsten dage weer opstaan zal. Hij, die de sterren bij namen noemt, kan Zijne sterren, die in het stof der aarde zijn, bij name onderscheiden, en zal er geen van verliezen. Hij roept hem uit het graf, sprekende tot hem, alsof hij reeds levend was, en niets anders te doen had, dan uit te gaan uit het graf. Hij zegt tot hem niet: Leef, want Hij zelf moet leven geven, maar Hij zegt tot hem: Beweeg u, want als wij door Christus' genade geestelijk leven, dan moeten wij ons opwekken tot beweging, het graf der zonde en dezer wereld is gene plaats voor hen, die door Christus levend gemaakt zijn, en daarom moeten zij uit komen. De uitkomst was overeenkomstig de bedoeling: De gestorvene kwam uit, vers 44. Er ging met het woord van Christus kracht uit om de ziel en het lichaam van Lazarus te verenigen, en toen kwam hij uit. Het wonder wordt beschreven, niet door deszelfs onzichtbare middelen ter bevrediging onzer nieuwsgierigheid, maar door de zichtbare uitwerking, ter bevestiging van ons geloof. Vraagt iemand waar de ziel van Lazarus geweest is gedurende de vier dagen, dat zij van zijn lichaam gescheiden was? Het wordt ons niet meegedeeld, maar wij hebben reden te denken, dat zij in het paradijs was, in blijdschap en gelukzaligheid. "Maar", zult gij zeggen, "was het dan niet eigenlijk ene onvriendelijkheid, ene onbarmhartigheid, om haar tot de gevangenis des lichaams terug te doen keren? Gesteld eens dat dit zo was, dan zou het toch, daar het tot eer was van Christus, en dienstbaar aan de belangen van Zijn koninkrijk, voor hem evenmin schadelijk, of een onrecht, geweest zijn, als het voor Paulus was om in het lichaam te blijven, toen Hij wist dat ontbonden te zijn verre weg beter was. Vraagt iemand, of Lazarus, nadat bij was opgewekt een bericht, of ene beschrijving kon geven van het heengaan zijner ziel uit het lichaam of van haar wederkeren tot het lichaam, of wat hij in de andere wereld gezien heeft, dan denk ik, dat die beide veranderingen voor hem zelven zo onverklaarbaar geweest zijn, dat hij met Paulus moest zeggen: Of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, en van wat hij zag en hoorde, dat het niet geoorloofd of mogelijk was het uit te drukken. In ene wereld der zinnen kunnen wij ons geen voldoend denkbeeld vormen, en nog veel minder aan anderen geven, van de wereld der geesten en van de zaken of aangelegenheden dier wereld. Laat ons niet begeren wijs te zijn boven hetgeen geschreven is, en dit is alles wat er betreffende de opstanding van Lazarus geschreven is: de gestorvene kwam uit. Sommigen hebben de opmerking gemaakt, dat wij lezen van velen, die uit de doden waren opgewekt, en die daarna ongetwijfeld gemeenzaam met de mensen gesproken zullen hebben, maar dat de Schrift geen enkel woord vermeldt van hetgeen door iemand hunner gezegd is, behalve door onzen Heere Jezus alleen.
c. Dit wonder werd spoedig gewrocht. Er gebeurt niets tussen het bevel: Kom uit en de opvolging er van: hij kwam uit -dictum factum -zo gezegd, zo gedaan: er zij leven! en er was leven. Zo zal ook de verandering bij de opstanding in een punt des tijds, in een ogenblik wezen, 1 Corinthiërs 15:52. De almacht, die het doen kan, kan het in een ogenblik doen. Het geschiedde ook volkomen. Hij was zo volkomen opgewekt, dat hij uit het graf opstond, even krachtig als hij ooit van zijn bed is opgestaan, en hij keerde terug, niet slechts tot het leven, maar tot de gezondheid. Hij was niet opgewekt om slechts voor een ogenblik aan het doel te beantwoorden, maar om te leven zoals andere mensen. Naar sommiger beschouwing was aan het wonder nog toegevoegd, dat hij uitkwam uit het graf, hoewel hij met zijne grafklederen was gebonden aan handen en voeten, en zijn aangezicht met een zweetdoek was omwonden (want dat was de wijze van begraven bij de Joden) en hij kwam uit in dezelfde klederen, waarin hij was begraven, opdat het zou blijken, dat hij het was en geen ander, en dat hij niet slechts levend was, maar sterk en in staat om te lopen, zelfs in zijne grafklederen. Het omwinden van zijn aangezicht met een zweetdoek bewees, dat hij werkelijk dood is geweest, want anders zou hij er in nog minder dan vier dagen tijds door gestikt zijn. En terwijl de omstanders hem ontbonden, zullen zij hem betast hebben, en hem gezien hebben, dat hij het zelf was, en alzo waren zij getuigen van het wonder. Zie hier nu: Ten eerste. Hoe weinig wij medenemen, als wij deze wereld verlaten- slechts een lijkkleed en een doodkist. Er zijn gene wisselklederen in het graf, niets dan een stel grafklederen.
Ten tweede. In welken toestand wij in het graf zijn. Wat verzinning of wijsheid kan er wezen, waar de ogen geblinddoekt zijn, of welk werk waar de handen en voeten gebonden zijn? En zo zal het wezen in het graf, waar wij heengaan. Wij kunnen ons wel voorstellen hoe verbaasd en verschrikt degenen waren, die om het graf stonden, toen Lazarus, gehinderd en belemmerd door zijne grafklederen naar buiten kwam, wij zouden het ook zijn, als wij een dode zagen opstaan. Om echter de zaak gemeenzaam te maken, zet Christus hen aan het werk: "Ontbindt hem, maakt de grafklederen los, opdat zij hem tot dagklederen dienen totdat hij in zijn huis komt, en dan zal hij zonder gids of zonder iemand, die hem ondersteunt, naar huis gaan." Gelijk in het Oude Testament de wegnemingen van Henoch en Elia waarneembare bewijzen waren van een onzichtbaren en toekomenden staat, de een in het midden van den patriarchalen tijd, de ander onder de Mozaïsche bedeling, zo is de opwekking van Lazarus in het Nieuwe Testament bestemd en bedoeld ter bevestiging van de leer der opstanding.