Johannes 10:22-38
Wij hebben hier wederom ene ontmoeting van Christus met de Joden in den tempel, waarbij het moeilijk te zeggen is wat meer vreemd is: de genaderijke woorden, die van Zijne lippen vloeiden, of de hatelijke woorden, die uit hun mond gehoord werden.
1. Wij hebben hier den tijd van dit samentreffen: Het was het feest der vernieuwing des tempels, en het was winter, een feest, dat met algemene instemming jaarlijks gevierd werd, ter herinnering aan de inwijding van een nieuw altaar en de tempelreiniging door Judas Maccabaeus, nadat de tempel ontwijd en het altaar verontreinigd was geworden. Wij vinden dit uitvoerig beschreven in de geschiedenis der Maccabeën (lib. I, cap. IV). De profetie er van hebben wij in Daniël 8:13, 14. Zie voor meer van dat feest 2 Mac. 1:18. Het herkrijgen hunner vrijheid was voor hen als een leven uit de doden, en ter gedachtenis hieraan hebben zij een jaarlijks feest gevierd op den vijf en twintigsten dag van de maand Kislew, omtrent het begin van December, en op de zeven volgende dagen. De viering van dat feest was niet tot Jeruzalem beperkt, zoals voor de door God ingestelde feesten, maar iedereen vierde het in zijn eigen woonplaats en woning, niet als een heilige samenroeping (alleen een Goddelijke inzetting kan een dag heiligen), maar als een goeden tijd, gelijk de dagen van Purim, Esther 9:19. Christus had het zo beschikt om nu te Jeruzalem te zijn, niet ter ere van het feest, waarvoor Zijne tegenwoordigheid niet vereist werd, maar om die acht feestdagen tot goede doeleinden te gebruiken.
II. De plaats waar het was, vers 23. Jezus wandelde in den tempel in het voorhof van Salomo, aldus genaamd, Handelingen 3:11, niet omdat het door Salomo gebouwd was, maar omdat het gebouwd was in dezelfde plaats als het voorhof, dat in den eersten tempel zijn naam droeg, men had dien naam behouden om er meer luister aan bij te zetten. Hier wandelde Christus om de handelingen waar te nemen van het grote sanhedrin, dat hier zijne zittingen hield, Psalm 82:1. Hij wandelde, gereed om gehoor te verlenen aan ieder, die tot Hem kwam, en hun Zijne diensten aan te bieden. Naar het schijnt wandelde Hij daar gedurende enigen tijd alleen, als iemand, dien men veronachtzaamt, Hij wandelde in gedachten verzonken bij het vooruitzicht van de verwoesting des tempels. Zij, die iets aan Christus te zeggen hebben, kunnen Hem vinden in den tempel en er met Hem wandelen.
III. De samenspreking zelf, waarin wij hebben te letten op:
1. Een gewichtige vraag, die de Joden Hem deden, vers 24. Zij omringden Hem, om Hem te tergen. Hij wachtte op ene gelegenheid om hun goed te doen, en zij namen de gelegenheid waar om Hem kwaad te doen. Kwaadwilligheid voor goedwilligheid is gans geen zeldzame of ongewone vergelding. Zelfs in den tempel, het huis Zijns Vaders, kon Hij geen genoegen smaken, zonder gestoord te worden. Zij verzamelden zich om Hem te belegeren, zij hadden Hem omringd als bijen. Zij kwamen om Hem heen, alsof zij vervuld waren van een zelfde verlangen, dat Hij moest bevredigen, een dringend en onpartijdig onderzoek voorwendende naar de waarheid, maar in werkelijkheid een algemenen aanval bedoelende op onzen Heere Jezus. En zij schenen het gevoelen hunner natie uit te spreken, alsof zij de mond of de woordvoerders waren van al de Joden: Hoe lang houdt gij onze ziel op? Indien gij de Christus zijt, zeg het ons vrijuit. a. Zij twisten met Hem, alsof Hij hen tot nu toe onredelijk in onzekerheid had gelaten. Ten psuchên hêmoon aireis. Hoe lang steelt gij ons hart weg? Of, neemt gij onze ziel weg? (aldus wordt het door sommigen gelezen), laaghartig te kennen gevende, dat Hij de liefde en achting des volks op onrechtmatige wijze had verkregen, zoals Absalom het hart der mannen Israël's stal, en zoals bedriegers de harten der eenvoudigen verleiden, om de discipelen af te trekken achter zich, Romeinen 16:18, Handelingen 20:30. Maar de meeste uitleggers verstaan het zoals wij: Hoe lang laat gij ons in het onzekere? Hoe lang moeten wij er nog over disputeren of gij al of niet de Christus zijt, zonder instaat te zijn tot ene beslissing te komen?" Nu was het het gevolg van hun ongeloof en van hun sterke vooroordelen, dat zij, nadat onze Heere Jezus zich zo ten volle bewezen had de Christus te zijn, er toch nog altijd in twijfel over waren, hun aarzelen hieromtrent was moedwillig, want zij hadden gemakkelijk overtuigd kunnen zijn. Het was ene worsteling tussen hun overtuiging, die hun zei dat Hij de Christus was, en hun bederf, dat "Neen" zei, omdat Hij niet zulk een Christus was als zij verwachtten. Zij, die willen twijfelen, kunnen, zo hun dit behaagt, de balans houden op zulk ene wijze dat ook de krachtigste argumenten niet instaat zijn op te wegen tegen de beuzelachtigste tegenwerpingen, zodat de evenaar in het huisje blijft en de schalen gelijk hangen. Het was ook een voorbeeld van hun onbeschaamdheid en hun aanmatiging, dat zij Christus de schuld gaven van hun twijfelen, alsof Hij hen aan het twijfelen bracht doordat Hij zich niet gelijk bleef, terwijl in werkelijkheid hun twijfel ontstond door hun toegeven aan hun vooroordelen. Indien de woorden der Wijsheid twijfelachtig schijnen, dan ligt de fout niet in het voorwerp, maar in het oog, zij zijn allen recht voor degenen, die verstandig zijn. Christus wil ons er toe brengen te geloven: wij leggen er ons op toe om te twijfelen.
b. Zij eisen een bepaald en onomwonden antwoord, of Hij al of niet de Messias was: Indien Gij de Christus zijt, zoals velen geloven, zeg het ons duidelijk, niet in gelijkenissen, of beeldspraak, zoals: Ik ben het licht der wereld, en de goede Herder, en dergelijke meer, maar zeg ons totidem verbis -in zo vele woorden, hetzij, dat gij de Christus zijt, of, gelijk Johannes de Doper, dat gij het niet zijt". Hoofdstuk 1:20. Nu was deze hun zo dringende vraag schijnbaar goed, zij wendden voor begerig te zijn om de waarheid te weten, alsof zij dan ook bereid waren haar te ontvangen, te omhelzen, maar in werkelijkheid was zij slecht, en gedaan met boze bedoelingen, want indien Hij hun duidelijk zou zeggen, dat Hij de Christus was, dan was er niets meer nodig om Hem aan de achterdocht en de strengheid der Romeinse overheden bloot te stellen. Iedereen wist, dat de Messias een koning moest wezen, al wie er dus aanspraak op wilde maken, de Messias te zijn, zou als een verrader worden vervolgd, hetgeen juist was wat zij wilden, want, hoe duidelijk en openlijk Hij hun ook zou zeggen, dat Hij de Christus was, zij zouden Hem onmiddellijk toevoegen: Gij getuigt van uzelven, zoals zij dit reeds tot Hem gezegd hadden, Hoofdstuk 8:13.
2. Christus' antwoord op deze vraag, waarin Hij:
a. Zich zelven rechtvaardigt als volstrekt niet mede schuldig aan hun ongeloof en hun twijfelzucht, hen verwijzende naar hetgeen Hij hun had gezegd: Ik heb het u gezegd, Hij had hun gezegd, dat Hij de Zone Gods was, de Zoon des mensen, dat Hij het leven had in zich zelven, dat Hij macht had om te oordelen, enz. En is deze dan niet de Christus? Deze dingen had Hij hun gezegd, en zij geloofden Hem niet, waarom zou het hun dan wederom gezegd moeten worden, alleen maar om hun nieuwsgierigheid te bevredigen? Gijlieden gelooft niet. Zij gaven voor slechts te twijfelen, maar Christus zegt hun, dat zij niet geloven. Twijfelzucht in den Godsdienst is niet beter dan rechtstreeks ongeloof. Wij hebben God niet te leren hoe Hij ons moet leren, noch Hem voor te schrijven op hoe duidelijke wijze Hij ons Zijn wil en bedoeling moet kenbaar maken, maar wèl hebben wij te danken voor de Goddelijke openbaring, zo als wij haar hebben. Als wij deze niet geloven, dan zouden wij ook niet geloven, al was zij ook nog zo aangepast aan onze luimen of grillen. Hij verwijst hen naar Zijne werken, naar het voorbeeld van Zijn leven, dat niet slechts volmaakt rein was, maar hoogst weldadig en in overeenstemming met Zijne leer, en inzonderheid naar Zijne wonderen, die Hij ter bevestiging van Zijne leer heeft gewrocht. Het was zeker, dat niemand deze wonderen doen kon, indien God niet met hem was, en God zou niet met Hem zijn om voor een bedrog te getuigen.
b. Hij veroordeelt hen wegens hun hardnekkig ongeloof, in weerwil van de duidelijkste en krachtigste argumenten om hen te overtuigen. Gij gelooft niet, en wederom: "gij gelooft niet. Gij zijt nog wat gij altijd geweest zijt, hardnekkig in uw ongeloof". Maar de reden, die Hij er voor geeft, is verrassend: Gijlieden gelooft niet, want gij zijt niet van Mijne schapen, gij gelooft niet in Mij, omdat gij de Mijnen niet zijt. Gij zijt niet gezind om Mijne volgelingen te wezen, gij hebt geen volgzamen, leerzamen aard, gij zijt niet geneigd de leer en de wet van den Messias aan te nemen, gij wilt niet als ene kudde samenleven met Mijne schapen, gij wilt niet komen en zien, niet komen en Mijne stem horen." Een ingewortelde afkeer van het Evangelie van Christus is de samenknoping der ongerechtigheid en des ongeloofs. Gij zijt niet bestemd om Mijne volgelingen te zijn, gij behoort niet tot hen, die Mijn Vader Mij gegeven heeft, om hen tot genade en ere te brengen. Gij behoort niet tot het getal der uitverkorenen, en uw ongeloof zal, indien gij er in volhardt, het stellig bewijs wezen, dat gij er niet toe behoort." Zij, aan wie God nooit de genade des geloofs heeft geschonken, zijn ook nooit voor den hemel en de gelukzaligheid bestemd geweest. Wat Salomo zegt van onzedelijkheid, is ook waar van ongeloof: het is een diepe gracht, hij, op welken de Heere vergramd is, zal daarin vallen, Spreuken 22:14. "Het niet mede begrepen zijn in het getal der uitverkorenen, is niet de eigenlijke oorzaak van het ongeloof, maar een bloot toevallige, of bijkomende oorzaak. Maar het geloof is Gods gave en de uitwerking der voorbeschikking." Dat is een zeer juiste onderscheiding, die Jansenius hier gemaakt heeft.
c. Hij gebruikt deze gelegenheid om de Godvruchtige gezindheid en den zaligen toestand te beschrijven van hen, die Zijne schapen zijn, want de zodanige zijn er, hoewel zij het niet zijn. Om hen er van te overtuigen, dat zij Zijne schapen niet zijn, zegt Hij hun wat de aard, het karakter is van Zijne schapen. Ten eerste. Zij horen Zijne stem, vers 27, want zij kennen haar als de Zijne, vers 4, en Hij is er borg voor gebleven, dat zij haar zullen horen, vers 16. Zij onderscheiden haar, Dat is de stem mijns liefsten, Hooglied 2:8. Zij verlustigen er zich in, zij zijn in hun element als zij aan Zijne voeten zitten om Zijn woord te horen. Zij doen er naar, zij stellen zich Zijn woord ten richtsnoer. Christus zal diegenen niet tot Zijne schapen rekenen, die doof zijn voor Zijne roepstem, doof voor Zijne belezing, Psalm 58:6.
Ten tweede. Zij volgen Hem, zij onderwerpen zich aan Zijne leiding door een gewillige gehoorzaamheid aan Zijne geboden, en door zich blijmoedig te gedragen naar Zijne gezindheid en Zijn voorbeeld. Het woord van bevel luidde steeds: Volg Mij. Wij moeten Hem beschouwen als onzen Oversten Leidsman, in Zijne voetstappen treden, wandelen zoals Hij gewandeld heeft-de voorschriften volgen van Zijn woord, de aanduidingen van Zijne voorzienigheid, en de leidingen van Zijn Geest- het Lam volgen (den dux gregis -den aanvoerder der kudde) waar het ook heengaat. Het is tevergeefs, dat wij Zijne stem horen, indien wij Hem niet volgen. Om hen er van te overtuigen, dat het hun grote rampzaligheid en ellende is, dat zij niet van Christus' schapen zijn, beschrijft Hij hier den zaligen toestand van hen, die het wèl zijn, hetgeen tevens dienen kan tot steun en vertroosting van Zijn ar me geminachte volgelingen, en om hen er voor te bewaren om de macht en grootheid te benijden van hen, die niet tot Zijne schapen behoren.
Ten eerste. Onze Heere Jezus neemt kennis van Zijne schapen: Zij horen Mijne stem, en Ik ken ze. Hij onderscheidt ze van anderen, 2 Timotheus 2:19, Hij geeft acht op ieder hunner, Psalm 34:7, Hij kent hun behoeften en begeerten, Hij kent hun ziel in tegenspoed en benauwdheid, Hij weet ze te vinden, Hij weet wat voor ze te doen. Anderen kent Hij van verre, maar dezen kent Hij van nabij.
Ten tweede. Hij heeft ene zaligheid voor hen bereid, die hun voegt: Ik geef hun het eeuwige leven, vers 28.
1. Het is een rijk en kostbaar goed, dat hun verzekerd is, het is leven, eeuwig leven. De mens heeft een levende ziel, daarom is het geluk, dat hun bereid is, leven, gepast voor zijne natuur. De mens heeft een onsterfelijke ziel, daarom bestaat de zaligheid, die hem bereid is, in eeuwig leven. Eeuwig leven is de zaligheid en het voornaamste goed van een onsterfelijke ziel.
2. De overdracht geschiedt om niet! Ik geef het hun, het wordt niet verkocht tot een hogen prijs, maar hun door de vrije genade van Jezus Christus geschonken. De Schenker heeft macht het te geven. Hij, die de Fontein des levens is en de Vader der eeuwigheid, heeft aan Christus de macht geschonken om het eeuwige leven te geven, Hoofdstuk 17:2. Niet " Ik zal het geven", maar "Ik geef het", het is een tegenwoordige gave. Hij geeft er de verzekering van, Hij geeft het onderpand, de eerstelingen en den voorsmaak van dat geestelijk leven, hetwelk is het eeuwige leven reeds begonnen, de hemel in het zaad, in den knop, in de kiem.
Ten derde. Hij is borg gebleven voor hun veiligheid en voor hun behoudenis tot deze zaligheid.
A. Zij zullen behouden worden van het eeuwig verderf. Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid. Gelijk er een eeuwig leven is, zo is er ook een eeuwig verderf, de ziel wordt n iet vernietigd, maar in het verderf gestort, zij blijft voortbestaan, maar lieflijkheid, vertroosting en geluk heeft zij voor eeuwig verloren. Alle gelovigen worden hiervoor bewaard, welk kruis hun ook moge opgelegd worden, zij zullen niet verloren gaan. Een mens is nooit verloren voor hij in de hel is, en dáár zullen zij niet komen. Herders, die grote kudden hebben, verliezen wel eens schapen, en laten ze omkomen, maar Christus staat er voor in, dat geen Zijner schapen verloren zal gaan, neen niet een.
B. Zij kunnen van hun eeuwige gelukzaligheid niet geweerd, niet teruggehouden worden, zij is voor hen bewaard, maar Hij, die haar hun geeft, zal hen er voor bewaren.
a. Zijn eigen macht staat er borg voor: Niemand zal ze uit Mijne hand rukken. Een grote, geweldige strijd om deze schapen wordt hier ondersteld. De Herder is zo zorgzaam voor hun welvaren, dat Hij ze niet slechts binnen Zijne schaapskooi heeft en onder Zijn oog, maar in Zijne hand, zij hebben deel aan Zijn bijzondere liefde, en bevinden zich onder Zijn bijzondere bescherming (al zijne heiligen zijn in Uwe hand, Deuteronomium 33:3), maar hun vijanden zijn zo stoutmoedig, dat zij pogen ze uit Zijne hand te rukken-de Zijnen, Zijn eigendom, waarvoor Hij bijzondere zorg draagt, maar zij kunnen het niet en zullen het niet. Wie in Jezus' hand is, is veilig. De heiligen worden bewaard in Christus Jezus, en hun zaligheid is niet onder hun eigen hoede maar onder de hoede van den Middelaar. De Farizeeën en oversten deden alles wat zij konden om de discipelen van Christus te verschrikken ten einde hen er van af te houden om Christus te volgen, hen bestraffende en dreigende, maar Christus zegt, dat zij niet zullen overmogen.
b. Ook Zijns Vaders macht is er borg voor, dat zij behouden zullen worden, vers 29. Hij verscheen nu in zwakheid, en opdat nu Zijn borgtocht daarom niet onvoldoende zou geacht worden, wijst Hij op Zijn Vader als nog verdere borgstelling. Let hierbij op: De macht van den Vader: Mijn Vader is meerder dan allen, meerder dan alle andere vrienden der kerk, alle andere herders, overheidspersonen of leraren, en machtig om voor hen te doen wat zij niet kunnen. Die herders sluimeren en slapen, en het zal licht vallen om de schapen uit hun handen te rukken, maar Hij hoedt Zijne kudde dag en nacht. Hij is meerder dan al de vijanden der kerk, dan al de tegenstand tegen hare belangen, en Hij is machtig de Zijnen te behoeden tegen al hun aanrandingen en beledigingen, Hij is meerder dan al de verenigde machten der hel en der aarde. Hij is meerder in wijsheid dan de oude slang, hoewel bekend om hare arglistigheid, meerder in kracht dan de grote, rode draak, hoewel zijn naam is legio, en zijn titel overheden en machten. De duivel en zijne engelen hebben dikwijls om het meesterschap gestreden, maar nooit hebben zij overmocht, Openbaring 12:7, 8.
De Heere in de hoogte is geweldiger. Het deel, dat de Vader heeft in de schapen, om welks wil Zijne macht voor hen wordt aangewend: "Het is Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, en Zijne eer is er mede gemoeid om Zijne gave te handhaven." Zij werden den Zoon gegeven als een toevertrouwd pand, om door Hem verzorgd te worden, en daarom zal God ook het oog op hen houden. Al de Goddelijke macht wordt in het werk gesteld om al de Goddelijke raadsbesluiten tot stand te brengen. De veiligheid der heiligen hieruit afgeleid. Indien dit zo is, dan kan niemand (mens noch duivel) ze rukken uit de hand Mijns Vaders, dan kan niemand hun de genade ontroven, die zij heb- ben, noch hen weren van de heerlijkheid, die hun bereid is, dan kan niemand ze van onder Gods bescherming wegnemen, noch hen in zijne macht krijgen. Christus zelf heeft ervaren hoe de macht Zijns Vaders Hem heeft ondersteund en versterkt, en daarom geeft Hij ook al Zijne volgelingen over in Zijne hand. Hij, die de heerlijkheid van den Verlosser heeft beveiligd, zal ook de heerlijkheid van de verlosten beveiligen. Ten einde nu die borgstelling nog verder te bevestigen, opdat de schapen van Christus een sterke vertroosting zouden hebben, wijst Hij op de eenheid dier twee Borgstellers. "Ik en de Vader zijn een, en wij hebben tezamen en ieder afzonderlijk ingestaan voor de bescherming der heiligen en voor hun volmaking". Dit duidt meer aan dan de harmonie en goede verstandhouding tussen den Vader en den Zoon in het werk van des mensen verlossing. Ieder Godvruchtige is in zover een met God als betreft het samenwerken met Hem, daarom moet het hier bedoeld zijn van de eenheid der natuur van den Vader en den Zoon, dat zij zijn van dezelfde zelfstandigheid, en dat zij gelijk zijn in macht en heerlijkheid. De kerkvaders hebben dit aangevoerd, zowel tegen de Sabellianen, om het onderscheid en het meervoud der twee Personen aan te duiden, dat de Vader en de Zoon twee onderscheidene Personen zijn, als tegen de Arianen om de eenheid van natuur of van wezen te bewijzen, dat deze twee een zijn. Indien wij omtrent den zin dezer woorden geheel zouden zwijgen, dan zouden de stenen, die de Joden opnamen om Hem te stenigen, het uitroepen, want de Joden verstonden, dat Hij zich zelven hierdoor God maakte, vers 33, en Hij heeft het niet ontkend. Hij toont aan, dat niemand ze uit Zijne hand kan rukken, omdat zij ze niet uit de hand des Vaders kunnen rukken, hetgeen geen beslissend argument zou geweest zijn, indien de Zoon niet dezelfde almachtige kracht had als de Vader, en bijgevolg een met Hem was in wezen en werking. IV. De woede der Joden tegen Hem om deze rede: De Joden dan namen wederom stenen op, vers 31. Het is niet het woord, dat tevoren gebruikt is, Hoofdstuk 8:59, maar het oorspronkelijke woord duidt aan, dat zij stenen droegen, grote stenen, die een last vormden, zoals zij gebruikten om misdadigers te stenigen. Zij brachten ze van ene plaats, op een zekeren afstand gelegen, toebereidselen makende om Hem ter dood te brengen zonder voorafgaand rechterlijk onderzoek, alsof Hij schuldig was bevonden aan Godslastering door het algemeen bekend zijn van het feit, zodat het niet verder bewezen behoefde te worden. Het ongerijmde van deze belediging, die de Joden Hem aandeden, zal ons blijken, als wij nagaan:
1. Dat zij gebiedend, om niet te zeggen onbeschaamd, geëist hadden dat Hij duidelijk en onomwonden zou zeggen, of Hij al of niet de Christus was, en nu Hij hun niet slechts zei, maar bewees, dat Hij de Christus was, gingen zij Hem toch als een boosdoener veroordelen. Indien de predikers der waarheid haar bescheidenlijk voorstellen, dan worden zij gebrandmerkt als lafaards, indien zij het doen met vrijmoedigheid, dan heten zij onbeschoft, maar de Wijsheid is gerechtvaardigd geworden van hare kinderen.
2. Dat zij tevoren reeds een vergeefse poging hiertoe gedaan hebben, Hij ging uit den tempel, gaande door het midden van hen, en ging alzo voorbij, Hoofdstuk 8:59, toch herhalen zij hier die vergeefse poging. Vermetele zondaars zullen stenen werpen naar den hemel, al vallen die dan ook op hun hoofd, en zullen zich versterken tegen den Almachtige, hoewel nooit iemand zich tegen Hem verhard heeft en voorspoed heeft gehad.
V. Christus' vriendelijk protest tegen dit honend geweld, vers 32 Jezus antwoordde hun, op wat zij deden, want wij bevinden niet dat zij iets zeiden, of zij moeten misschien de schare, die zij om Hem heen hadden vergaderd, hebben opgehitst om te roepen: Stenig hem! stenig hem! zoals zij naderhand riepen: Kruis hem! kruis hem! Toen Hij hun met vuur uit den hemel had kunnen antwoorden, heeft Hij met zachtmoedigheid geantwoord: Ik heb u vele treffelijke werken getoond van Mijn Vader: om welk werk van die stenigt gij Mij? Woorden, zo teder dat zij, naar men zou denken, een stenen hart vermurwd zouden hebben. In het spreken met Zijne vijanden blijft Hij nog steeds wijzen op Zijne werken (de mensen tonen wat zij zijn door hetgeen zij doen) Zijne goede werken -kala erga, voortreffelijke, uitnemende werken, de uitdrukking betekent zowel grote werken als goede werken.
1. Door de goddelijke macht van Zijne werken stonden zij schuldig aan hardnekkig, moedwillig ongeloof. Het waren werken van Zijn Vader, zo ver buiten het bereik en het beloop der natuur, dat Hij, die ze deed, er uit bleek van God te zijn gezonden en handelde in opdracht van Hem. Deze werken toonde Hij hun, Hij heeft ze openlijk gedaan, voor de ogen des volks, en niet in een hoek. Zijne werken konden den toets doorstaan en zich beroepen op het getuigenis van onderzoekende en onpartijdige toeschouwers. Hij heeft Zijne werken niet bij kaarslicht getoond, zoals zij, aan wie het alleen om vertoning te doen is, maar Hij toonde ze op den helderen middag in tegenwoordigheid van de gehele wereld, Hoofdstuk 18:20. Zie ook Psalm 111:6. Zijne werken werden zo openlijk getoond, dat zij de waarheid Zijner zending onmiskenbaar hebben aangetoond en bewezen.
2. De Goddelijke genade Zijner werken stelde hen schuldig aan de laagste ondankbaarheid. De werken, die Hij onder hen deed, waren niet slechts wonderen, maar zegeningen, niet slechts wonderwerken om hen te verbazen, maar werken van liefde en goedheid om hen aldus goed en zich zelven bij hen bemind te maken. Hij genas de kranken, reinigde de melaatsen, wierp duivelen uit, gunsten, bewezen niet slechts aan de personen, die daar bijzonder bij betrokken waren, maar ook aan het publiek, deze werken had Hij herhaald, vermenigvuldigd: "Welnu, om welk werk van die stenigt gij Mij? Gij kunt niet zeggen, dat Ik u enigerlei kwaad gedaan heb, u rechtvaardiglijk tot toorn heb geprikkeld, indien gij dus met Mij wilt twisten, dan moet het om het een of ander goed werk zijn, een dienst, dien ik u bewezen heb, zegt Mij welken." De schrikkelijke ondankbaarheid, die er gelegen is in onze zonden tegen God en Jezus Christus, is er een grote verzwaring van, maakt ze ontzettend zondig. Zie hoe God dit doet uitkomen, Deuteronomium 32:6, Jeremia 2:5, Micha 6:3. Wij moeten het niet vreemd vinden, mensen te ontmoeten, die ons niet slechts zonder oorzaak haten, maar ons tegenstaan om onze liefde, Psalm 35:12, Psalm 41:10. Gelijk Hij met die vraag: "Om welk van die (werken) stenigt gij Mij? de grote gemoedsrust aanduidt, die Hij in Zijn eigen onschuld had, welke den mens moed inboezemt ten dage des lijdens, zo geeft Hij ook Zijnen vervolgers een wenk om eens te bedenken wat de ware reden was van hun vijandschap, en zich eens af te vragen, gelijk al degenen behoren te doen, die hun naasten moeite veroorzaken: Waarom vervolgen wij Hem? Gelijk Job dit ook zijnen vrienden aanraadt, Job 19:28.
VI. Hun rechtvaardiging van hun aanslag op Christus en de reden, waarop zij hun vervolging gronden, vers 33. Voor welke zonde zal men gene vijgenbladeren vinden om haar te bedekken, als zelfs de bloeddorstige vervolgers van den Zone Gods nog iets ter hunner verontschuldiging wisten in te brengen?
1. Zij wilden niet voor zulke vijanden van hun land gehouden worden, dat zij Hem voor een goed werk zouden vervolgen: Wij stenigen u niet voor enig goed werk. Zij wilden ook nauwelijks enig werk van Hem als goed erkennen. Zijne genezing van den verlamde, Hoofdstuk 5, en van den blindgeborene, Hoofdstuk 9, waren zo weinig erkend als goede diensten aan de stad bewezen, en dus verdienstelijke werken, dat zij integendeel op de lijst Zijner misdaden waren geplaatst, omdat Hij ze op den sabbatdag gedaan had. Indien Hij echter al enig goed werk gedaan had, dan wilden zij toch niet erkennen, dat zij Hem daarom stenigden, hoewel het toch juist datgene was wat hen het meest tegen Hem vertoornde, Hoofdstuk 11:47. En zo konden zij dus, hoewel zij uiterst ongerijmd waren, er niet toe gebracht worden hun ongerijmdheid te erkennen.
2. Zij wilden zich voordoen als zulke vrienden van God en van Zijne eer, dat zij Hem vervolgden wegens Godslastering: omdat gij, een mens zijnde, uzelven God maakt. Hier is:
a. Een voorgewende ijver voor de wet. Zij schijnen buitengemeen bezorgd voor de eer der Goddelijke majesteit, en bevangen te zijn door een Godsdienstig afgrijzen van hetgeen zij er een smaad van dachten te zijn. Een Godslasteraar moet gestenigd worden, Leviticus 24:16. Deze wet, dachten zij, rechtvaardigde niet slechts hetgeen zij poogden te doen, maar heiligde het, zoals in Handelingen 26:9. Aan de laagste, snoodste handelingen wordt dikwijls een fraaie schijn gegeven. Gelijk niets moediger is dan een verlicht geweten, zo is er ook niets dat overmoediger en beledigender is dan een dwalend geweten, zie Jesaja 66:5, Johannes 16:2.
b. Een wezenlijke vijandschap tegen het Evangelie, waaraan zij geen grotere smaadheid konden toevoegen dan door Christus als een Godslasteraar voor te stellen. Het is niets nieuws, dat men aan de beste mensen het slechtste karakter toeschrijft, en dat dit geschiedt door hen, die besloten hebben hen de ergste behandeling te laten ondergaan. De misdaad, die men Hem ten laste legt, is Godslastering, dat is een smadelijk en hatelijk spreken van God. God zelf is buiten het bereik van den zondaar, en Hem kan geen werkelijke schade toegebracht worden, daarom zal de vijandschap tegen God haar venijn spuwen op Zijn naam, en aldus hare boosaardigheid tonen. Het bewijs der misdaad: "gij, een mens zijnde, maakt uzelven God". Gelijk het Gods eer is, dat Hij God is, van welke ere wij Hem beroven, als wij Hem tot onzen gelijke maken, zo is het ook Zijne eer, dat er buiten Hem geen andere God is, van welke eer wij Hem beroven, als wij ons zelven of enig ander schepsel met Hem gelijkstellen. Nu hadden zij dus: Ten eerste, gelijk in zoverre, dat hetgeen Christus van zich zelven zei hierop neerkwam-dat Hij God was, want Hij had gezegd, dat Hij een was met den Vader, en dat Hij het eeuwige leven zou geven, en Christus loochent dit niet, hetgeen Hij wèl gedaan zou hebben, indien het een verkeerd begrijpen Zijner woorden ware geweest. Maar, Ten tweede. Zij waren ten zeerste in dwaling, als zij Hem als een bloot mens beschouwen, en dat Hij wederrechtelijk aanspraak maakt op de Godheid. Zij vonden het ongerijmd en goddeloos, dat iemand als Hij, die in de gestaltenis verscheen van een arm, gering, verachtelijk man, zich den Messias zou noemen, en zich het recht zou toekennen op de ere, die den Zone Gods toekwam. Zij, die zeggen dat Jezus een bloot mens is en slechts een gemaakte God, zoals de Socinianen zeggen, beschuldigen Hem inderdaad van Godslastering, maar bewijzen krachtelijk dat zij er zelven schuldig aan zijn.
3. Hij, die een mens, een zondig mens, zijnde, zich tot een god maakt, zoals de paus dat doet, die voor zich op Goddelijke macht en voorrechten aanspraak maakt, is ontwijfelbaar een Godslasteraar en de antichrist.
VII. Christus' antwoord op hun beschuldiging (want hierop kwam hun rechtvaardiging van hen zelven neer), en Zijn handhaven van Zijn recht op die aanspraken, die zij Hem als Godslastering toerekenden, vers 34 en verder. waar Hij bewijst, dat Hij geen Godslasteraar is, en wel met twee argumenten.
1. Met een argument, ontleend aan Gods Woord. Hij beroept zich op hetgeen geschreven is in hun wet, dat is: in het Oude Testament, wie Christus ook moge tegenstaan, de Schrift is altijd aan Zijne zijde. Er is geschreven: "Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden", Psalm 82:6. Het is een argument a minore ad majus -van het kleinere tot het grotere. Indien zij goden waren, veel meer nog ben Ik het. Merk op:
a. Hoe Hij den tekst verklaart, vers 35. "De wet heeft die goden genaamd, tot welken het woord Gods geschied is, en de Schrift kan niet gebroken worden." Het woord van Gods opdracht kwam tot hen, hen aanstellende in hun ambten als rechters, en daarom worden zij goden genoemd, Exodus 22:28. Tot sommigen is het woord Gods onmiddellijk gekomen, zoals tot Mozes, tot anderen in den weg ener inzetting, door God verordineerd. De overheid is door God ingesteld, en de overheidspersonen zijn Gods gevolmachtigden, en daarom noemt de Schrift hen goden: en wij zijn er zeker van, dat de Schrift niet kan gebroken worden, dat er niets aan kan worden afgedaan, dat er niets aan valt te berispen. Elk woord van God is waar en goed, de stijl en taal zelfs der Schrift zijn onberispelijk en kunnen niet verbeterd worden, Mattheus 5:18.
b. Hoe Hij hem toepast. Zoveel tenminste is gemakkelijk er uit af te leiden, dat diegenen wel zeer roekeloos en onredelijk waren, die Christus veroordeelden als een Godslasteraar, alleen maar omdat Hij zich den Zoon van God heeft genoemd, als zij toch zelven hun oversten zo noemden, en de Schrift hen hiertoe machtigde. Maar het argument gaat nog verder, vers 36. Indien overheidspersonen goden genaamd werden, omdat hun de rechtsbedeling der natie was opgedragen, "zegt gijlieden tot Mij, dien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert God?" Wij hebben betreffende den Heere Jezus hier twee dingen: De eer, Hem aangedaan door den Vader, waarin Hij terecht roemt: Hij heeft Hem geheiligd, en in de wereld gezonden. Overheidspersonen werden zonen van God genoemd, ofschoon slechts het woord Gods tot hen kwam, en de geest van regering en bestuur slechts met mate over hen kwam, zoals over Saul, maar onze Heere Jezus was zelf het Woord, en Hij heeft den Geest zonder mate gehad. Zij waren aangesteld voor een bijzonder land, ene stad, of natie, maar Hij was in de wereld gezonden, bekleed met een algemeen gezag, als Heere over allen. Tot hen werd gezonden, als tot personen, die op een afstand waren, Hij was uitgezonden. als zijnde van eeuwigheid bij God. De Vader heeft Hem geheiligd, dat is: bestemd en afgezonderd tot het ambt van Middelaar, en geschikt, bekwaam gemaakt voor dat ambt. Hem te heiligen is hetzelfde als Hem te verzegelen, Hoofdstuk 6:27. Wie de Vader zendt, heiligt Hij, wie Hij bestemt voor een heilig werk of doel, rust Hij toe met heilige beginselen en neigingen. De heilige God zal niemand belonen, en dus ook niet gebruiken, dan de zodanige, die Hij heilig vindt of heilig maakt. Dat de Vader Hem geheiligd en gezonden heeft wordt hier verklaard als Hem genoegzaam recht gevende om zich den Zoon van God te noemen, want, omdat Hij dat Heilige was, werd Hij de Zoon van God genoemd, Lukas 1:35. Zie Romeinen 6:4. De smaadheid, Hem aangedaan door de Joden, waarover Hij terecht klaagt, dat zij goddelooslijk zeiden van Hem, dien de Vader aldus verwaardigd had, dat Hij een Godslasteraar was, omdat Hij zich Gods Zoon noemde. "Zegt gij dit van Hem? Durft gij dit zeggen? Zijt gij onbeschaamd genoeg om aan den God der waarheid te zeggen, dat Hij liegt, of Hem te veroordelen, die de Rechtvaardige is? Ziet Mij aan, en zegt het dan, indien gij kunt, Hoe! Zegt gij van den Zone Gods dat Hij een Godslasteraar is?" Indien duivelen, die Hij is komen veroordelen, dat van Hem gezegd hadden, het zou niet zo vreemd geweest zijn, maar dat mensen, die Hij is komen onderwijzen en redden, dat van Hem zeiden: -Ontzet u hierover, gij hemelen! Zie wat de taal is van het hardnekkig ongeloof, in werkelijkheid noemt het Jezus een Godslasteraar. Het is moeilijk te zeggen waarover men zich het meest verbazen moet: dat mensen, die Gods lucht inademen, zulke dingen zeggen, of dat aan mensen, die zulke dingen gezegd hebben, nog toegelaten wordt om Gods lucht in te ademen. De boosheid der mensen en de lankmoedigheid Gods wedijveren, als het ware, met elkaar, welke van beide het verbazingwekkendste is.
2. Door een argument, ontleend aan Zijn eigen werken, vers 37, 38. In het eerste heeft Hij de beschuldiging van Godslastering slechts beantwoord met een argument ad hominem d.i. iemands eigen argument tegen hem zelven te keren, maar hier toont Hij Zijn recht en Zijne aanspraken, en bewijst Hij, dat Hij en de Vader een zijn, vers 37, 38. Indien Ik niet doe de werken Mijns Vaders, zo gelooft Mij niet. Ofschoon Hij met volle recht zulke lasterende ellendelingen als onverbeterlijk en ongeneeslijk had kunnen verlaten, verwaardigt Hij zich toch met hen te redeneren. Merk op:
a. Waarvan Hij uitgaat bij Zijne redenering-van Zijne werken, waarvan Hij dikwijls heeft verklaard, dat zij Zijne geloofsbrieven zijn, de bewijzen van Zijne zending. Gelijk Hij zich heeft bewezen van God te zijn gezonden door het Goddelijke Zijner werken, zo moeten wij ons verbonden zijn aan Christus bewijzen door het Christelijke van de onze. Het argument is zeer klemmend, want de werken, die Hij deed, waren de werken Zijns Vaders, die alleen de Vader doen kon, en die niet gedaan konden worden in den gewonen loop der natuur, maar alleen door de soevereine, besturende macht van den God der natuur. Opera Deo propria -werken bijzonder aan God eigen - werken ener Goddelijke macht, opera Deo digna -werken, Gode waardig. Hij, die zich kan ontheffen van de wetten der natuur, ze naar welgevallen en door Zijn eigen macht kan herroepen, wijzigen en beheersen, is voorzeker de soevereine Koning, die deze wetten heeft ingesteld en ten uitvoer gelegd. De wonderen, die de apostelen in Zijn naam, door Zijne kracht en ter bevestiging Zijner leer hebben gewrocht, bevestigden dit argument, en deden het bewijs er van voortduren, nadat Hij was heengegaan. Het wordt zo billijk en zo duidelijk mogelijk voorgesteld.
Ten eerste. Indien Ik niet doe de werken Mijns Vaders, zo gelooft Mij niet. Hij eist geen blind, onvoorwaardelijk geloof, gene erkenning van Zijn Goddelijke zending, dan voor zoveel Hij er het bewijs van gaf. Hij drong zich niet in de genegenheid des volks, vleide hen niet, werkte niet op hun lichtgelovigheid door stoute beweringen, maar met de grootst-mogelijke openhartigheid voldeed Hij aan alle eisen van hun geloof. Christus is geen harde Meester, die verwacht te oogsten in toestemmend geloof, waar Hij niet met redenen en klemmende bewijsgronden heeft gezaaid. Niemand zal omkomen wegens het niet geloven van zaken, waarvan de geloofwaardigheid niet genoegzaam was bewezen, de oneindige Wijsheid zelf Rechter zijnde.
Ten tweede. Maar indien Ik de werken Mijns Vaders doe, indien Ik onloochenbaar wonderen werk ter bevestiging ener heilige leer, en zo gij Mij niet gelooft, indien gij zo nauwgezet zijt van Mij niet op mijn woord te willen geloven, zo gelooft de werken, gelooft uw eigen ogen, uw eigen verstand, de zaak zelf spreekt duidelijk genoeg. Gelijk de onzienlijke dingen des Scheppers duidelijk genoeg gezien worden door de werken der schepping en der gewone voorzienigheid, Romeinen 1:20, zo worden de onzienlijke dingen des Verlossers gezien door Zijne wonderen, en door al Zijne werken van macht en genade, zodat zij, die door deze werken niet overtuigd werden, niet te verontschuldigen waren.
b. Waarvoor, met welk doel Hij met hen redeneert-"opdat gij moogt bekennen en geloven" -het verstandelijk en met volkomen overtuiging zult geloven "dat de Vader in Mij is, en Ik in Hem" hetgeen hetzelfde is als wat Hij in vers 30 had gezegd: "Ik en de Vader zijn een." De Vader was zo in den Zoon, dat "in Hem al de volheid der Godheid woonde", en het was door Goddelijke macht, dat Hij Zijne wonderen heeft gewrocht, de Zoon was zo in den Vader, dat Hij volkomen bekend was met geheel Zijn wil en bedoeling, niet door mededeling, maar door bewustheid, daar Hij van eeuwigheid in Zijn schoot was. Dit moeten wij weten en bekennen, niet weten en het verklaren (want wij kunnen het door geen onderzoek volkomen doorgronden) maar het weten of bekennen, en geloven, de diepte erkennende en aanbiddende, als wij niet tot den bodem er van kunnen geraken.