Job 4:7-11
Elifaz voert hier nog een argument aan om te bewijzen dat Job een geveinsde is, en wil niet slechts dat zijn ongeduld onder het lijden een bewijs tegen hem is, maar ook zijn lijden zelf, daar dit zeer groot en buitengewoon is, en er geen vooruitzicht bestaat dat hij er uit verlost zal worden.
Om aan dit argument kracht bij te zetten, wijst hij op twee beginselen, die zeer aannemelijk schijnen.
I. Dat goede mensen nooit aldus in het verderf zijn gestort, en voor het bewijs hiervan beroept hij zich op Jobs eigen waarneming, vers 7. Gedenk toch, breng u voor de geest al wat gij gezien, gehoord of gelezen hebt, en geef er mij een enkel voorbeeld van, dat iemand onschuldig en rechtvaardig was, en toch is vergaan zoals gij nu vergaat, afgesneden werd zoals gij nu afgesneden wordt." Indien wij dit verstaan van een laatst, een eeuwig omkomen, dan is dit beginsel waar. Niemand, die onschuldig en rechtvaardig is, zal voor eeuwig ten verderve gaan, het is slechts een mens van de zonde, die "de zoon des verderfs is," 2 Thessalonicenzen 2:3 T. Maar dan is het ten onrechte toegepast op Job, hij is niet aldus omgekomen, en was niet afgesneden, een mens is niet verloren, niet in het verderf gestort, vóór hij in de hel is. Maar als wij het verstaan van enigerlei tijdelijke ramp, dan is zijn beginsel niet juist, niet waar. "De rechtvaardige komt" "om," Jesaja 57:1. "Enerlei wedervaart de rechtvaardige en" "de goddeloze," Prediker 9:2, beide in leven en in sterven. Het grote en bepaalde verschil komt na de dood. Zelfs vóór Jobs tijd- hoe oud die tijd ook was- waren er voorbeelden genoeg, die dit beginsel wederspraken. Is niet de rechtvaardige Abel omgekomen, onschuldig zijnde, en is hij niet afgesneden aan het begin van zijn dagen? Is niet de rechtvaardige Lot door brand van huis en have beroofd en genoodzaakt in een sombere spelonk een toevlucht te zoeken? Was niet de rechtvaardige Jakob een Syriër, die op het punt was van om te komen? Deuteronomium 26:5. Ongetwijfeld waren er gelijksoortige voorbeelden, die niet in de geschiedenis zijn vermeld.
II. Dat goddeloze mensen dikwijls aldus in het verderf zijn gestort. Voor het bewijs hiervan beroept hij zich op hetgeen hijzelf gezien heeft, vers 8. "Gelijk als ik menigmaal gezien heb, die ondeugd ploegen en moeite zaaien van de adem Gods vergaan zij, vers 9. Dagelijks zien wij daar voorbeelden van, en daar gij nu aldus vergaat en verteerd wordt, hebben wij reden te denken dat, wat gij ook van de Godsdienst beleden moogt hebben, gij toch slechts ondeugd geploegd en moeite gezaaid hebt. Zoals ik het in anderen gezien heb, zie ik het in u."
1. Hij spreekt van zondaren in het algemeen slimme, bedrijvige zondaren, die zich moeite geven om te zondigen, want zij ploegen ondeugd, en verwachten gewin van de zonde want zij zaaien moeite. Zij, die ploegen, ploegen in hoop, maar wat is het gevolg, de uitkomst? "want wat een mens zaait zal hij ook oogsten. Want wie op de akker van zijn vlees zaait zal uit zijn vlees verderf oogsten" Galaten 6,7, 8."en des morgens laat gij uw zaaisel bloeien-weg is de oogst op de dag van ziekte en ongenmeeslijke smart" Jesaja 17:11. Hij zal ze maaien, dat is het natuurlijk voortbrengsel van dat zaad. Wat de zondaar zaait, is "niet het lichaam dat worden" "zal," maar God zal het een lichaam geven, een lichaam des doods, "het" "einde van deze dingen," Romeinen 6:21. Door ondeugd en moeite verstaan sommigen onrecht en nadeel, toegebracht aan anderen, zij die deze ploegen en zaaien, zullen ze maaien, dat is: zij zullen in hun eigen munt betaald krijgen. De beroerders zullen beroerd worden, 2 Thessalonicenzen 1:6, T Jozua 7:25. "De" "verwoesters zullen verwoest worden," Jesaja 33:1, en die in de gevangenis leidt, die gaat zelf in de gevangenis, Openbaring 13:10.
Hij beschrijft hun verderf, vers 9, van de adem Gods vergaan zij. De plannen, waarvoor zij zich zoveel moeite geven, worden verijdeld, " God heeft de touwen van deze ploegers doorgehouwen," Psalm 129:3, 4. Zijzelf zijn verwoest, hetgeen de rechtvaardige straf is hun ongerechtigheid. Zij vergaan, dat is: zij zijn ten enenmale verdaan, en dat wel door de adem Gods, dat is:
A. Door Zijn toorn, Zijn toorn is het verderf van de zondaren, die daarom vaten des toorns worden genoemd, en Zijn adem wordt gezegd Tofeth aan te steken, Jesaja 30:33. "Wie kent" "de sterkte van Uw toorn?" Psalm 90:11.
B. Door Zijn woord. Hij spreekt en het is geschied, gemakkelijk en afdoend. De Geest Gods in het woord verteert zondaren, daarmee heeft Hij hen gedood, Hosea 6:5. Voor God zijn zeggen en doen niet twee. De mens van de zonde wordt gezegd verdaan te zullen worden met de geest, of de adem, van Christus' mond, 2 Thessalonicenzen 2:8 T. Vergelijk Jesaja 11:4-Openbaring 19:21. Sommigen denken dat hij, de verwoesting van de zondaren toeschrijvende aan de adem Gods, en het blazen van Zijn neusgaten, doelt op de wind, die het huis deed instorten op Jobs kinderen, alsof zij "zondaars waren geweest boven al de mensen" "omdat zij zulks geleden hebben," Lukas 13:2.
2. Hij spreekt inzonderheid van tirannen en wrede verdrukkers onder de gelijkenis van leeuwen, vers 10, 11.
Merk op:
A. Hoe hij hun wreedheid en verdrukking beschrijft. De Hebreeuwse taal heeft vijf verschillende namen voor leeuwen, en zij worden hier allen gebruikt om de verschrikkelijke, verscheurende kracht, de woestheid en wreedheid van trotse verdrukkers in het licht te stellen, zij brullen en scheuren, roven en verslinden alles wat rondom hen is, en brengen hun jongen op om hetzelfde te doen, Ezechiël 19:3. De duivel is een briesende leeuw, en zij, die zijn begeerten doen, delen in zijn aard. Zij zijn sterk en listig als leeuwen, Psalm 10:9, 17:12, en zover zij overmogen, verwoesten zij alles wat rondom hen is.
B. Hoe hij hun verderf beschrijft, het verderf beide van hun macht en van hun persoon. Zij zullen weerhouden worden van verder kwaad te doen, en er zal met hen afgerekend worden voor het kwaad, dat zij reeds gedaan hebben. Er zullen krachtige, afdoende maatregelen genomen worden om te beletten:
a. Dat zij verschrikken, de stem van hun brullen zal ophouden.
b. Dat zij verscheuren, God zal hen ontwapenen, zal hun de kracht ontnemen om te schaden, "de tanden van de jonge leeuwen worden" "verbroken," Psalm 3:8. Aldus zal het overblijfsel van hun grimmigheid opgebonden worden. c. Dat zij zich met de roof van hun naburen niet zullen verrijken. Zelfs de oude leeuw vergaat, komt om van honger wijl er geen roof is. Zij, die zich oververzadigd hebben op buit en roof, zullen er nog toe komen om van honger te moeten sterven.
d. Dat zij niet, zoals zij zich gevleid hadden, een nageslacht zullen hebben, "de jongen van een oude leeuw worden verstrooid," om zelf hun voedsel te zoeken, dat de ouden hun plachten te brengen, Nahum 2:12. "De leeuw, die roofde voor zijn welpen, " nu moeten deze voor zichzelf zorgen. Misschien bedoelde Elifaz hiermede Job in een ongunstig daglicht te stellen, alsof hij, die groter was dan alle die van het Oosten, zijn bezittingen door roof had verkregen, zijn macht gebruikt had om zijn naburen te verdrukken, maar nu waren zijn macht en zijn bezittingen weg, en zijn gezin was verstrooid. Indien dit zo is, was het wel zeer te betreuren dat een man, die God had geprezen, zó mishandeld werd.