Job 40:1-9
Job was grotelijks verootmoedigd door hetgeen God reeds gezegd had, maar nog niet genoeg, hij was naar beneden gebracht, maar nog niet laag genoeg, en daarom blijft God nog met hem redeneren, op dezelfde wijze en tot hetzelfde doel als tevoren, vers 1.
Merk op:
1. Zij, die behoorlijk aannemen wat zij van God gehoord hebben en er hun voordeel mee doen, zullen meer van Hem horen.
2. Zij, die waarlijk overtuigd zijn van zonde en er berouw van hebben, hebben het nodig om er nog dieper van overtuigd te worden en er nog dieper berouw van te hebben. Zij, die onder overtuiging van zonde zijn, aan wie hun zonde ordelijk voor ogen is gesteld, en wier hart er om verbroken is, moeten uit dit voorbeeld leren om niet al te spoedig de vertroosting aan te grijpen, zij zal eeuwig zijn als zij komt, en daarom is het nodig, dat wij er door diepe verootmoediging voor bereid worden, dat de wonde tot op de bodem worde gepeild en er niet al te snel een pleister op worde gelegd. Als ons hart in ons vertederd begint te worden, zo laat ons hier veel over nadenken. en dat zal helpen om het geheel en al week te maken, God begint met een uitdaging, vers 2, evenals tevoren Hoofdst. 38:3. "Gord nu als een man uw lenden, indien gij de moed en het vertrouwen hebt, die gij zegt te hebben, toon dit dan nu, maar gij zult spoedig zien en moeten erkennen dat gij niet tegen Mij zijt opgewassen". Dat is hetgeen, waartoe ieder hoogmoedig hart ten laatste gebracht moet worden, hetzij door zijn berouw of door zijn verderf, en zo laag moet vroeg of laat iedere berg en heuvel gemaakt worden.
Wij moeten erkennen:
I. Dat wij met God niet kunnen wedijveren in gerechtigheid. dat de Heere rechtvaardig en heilig is in Zijn handelingen met ons, maar dat wij onrechtvaardig en onheilig zijn in ons gedrag jegens Hem, er is zeer veel waarover wij onszelf moeten laken, maar er is niets waarover Hij te laken is, vers 3. "Zult gij ook Mijn oordeel teniet maken? Zult gij wat Ik zeg en doe wraken, een acte van appel indienen om het vonnis, dat Ik gewezen heb, nietig te doen verklaren, als zijnde onrechtvaardig, omdat het op valse gronden berust?" Vele van Jobs klachten hadden maar al te zeer deze strekking, ik roep geweld, maar word niet verhoord, maar een dergelijke taal is onduldbaar. Gods oordeel kan niet, moet niet, teniet gedaan worden, want wij zijn er zeker van dat het naar waarheid is en daarom is het grote verwaandheid en goddeloosheid in ons om het in twijfel te trekken. "Zult gij Mij verdoemen," zegt God "opdat gij rechtvaardig zijt? Moet Mijn eer lijden om uw eer op te houden? Moet Ik beschuldigd werden van onrechtvaardig met u te handelen, omdat gij u niet zuiveren kunt van hetgeen u ten laste wordt gelegd?" Onze plicht is het om onszelf te veroordelen, opdat God rechtvaardig zij. David is bereid het kwaad te erkennen, dat hij gedaan heeft in Gods ogen, "opdat God rechtvaardig zij in Zijn spreken, en rein zij in Zijn richten," Psalm 51:6. Zie Nehemia 9:33, Daniël 9:7. Maar diegenen zijn zeer hoogmoedig en zeer onwetend ten opzichte van God en zichzelf, die, om zichzelf te zuiveren, God zullen veroordelen, en de dag komt wanneer, indien de fout niet intijds door berouw wordt hersteld, het eeuwige oordeel beide de weerlegging zal zijn van de bewering en de beschaming van de beschuldigde, want de hemelen verkondigen Gods gerechtigheid en de gehele wereld zal voor God verdoemelijk zijn. II. Dat wij met God niet kunnen wedijveren in macht, en daarom, gelijk het grote goddeloosheid is, zo is het ook grote onbeschaamde verwaandheid om met Hem te strijden, en handelen wij evenzeer tegen ons belang, als tegen rede en recht, vers 4. "Hebt ge een arm gelijk God? aan de Zijne gelijk in lengte en kracht? En kunt gij gelijk Hij met de stem donderen, gelijk Hij deed, Hoofdst. 37:1, 2, en nu doet?" Om Job er van te overtuigen dat hij niet zo instaat is, als hij dacht, om met God te strijden, toont Hij hem:
1. Dat hij zijn zaak nooit door kracht van wapenen kan doen zegevieren. Onder de mensen zijn geschillen soms beslecht geworden door de krijg, en de zegevierende strijder wordt dan geoordeeld het recht aan zijn zijde te hebben, maar als daaraan de beslissing hangt in de strijd tussen God en de mens dan zal voorzeker de mens het onderspit delven, want al de macht, die hij tegen de Almachtige op de been kan brengen, is slechts als doornen en distelen voor een verterend vuur, Jeremia 27:4. "Hebt gij, nietige aardworm, een arm, die te vergelijken is met de Zijne, die alles ondersteunt en staande houdt? De kracht van schepselen, zelfs die van engelen, is ontleend aan God, door Hem beperkt en van Hem afhankelijk, maar de kracht van God is oorspronkelijk, onafhankelijk en onbeperkt. Hij kan alles doen zonder ons, wij kunnen niets doen zonder Hem, en daarom hebben wij geen arm gelijk God.
2. Dat hij zijn zaak nooit kan doen zegevieren door luidruchtigheid, of door grote woorden, hetgeen onder de mensen soms ver gaat om een doel te bereiken. "Kunt gij, gelijk Hij met de stem donderen? Neen, Zijn stem zou de uwe spoedig doen smoren, en een van Zijn donders zou al uw gefluister overweldigen." De mens kan zo overtuigend niet spreken niet zo krachtig, niet met zo'n gebiedende overwinnende kracht, als God het kan, die spreekt en het is er, Zijn scheppende stem wordt de stem Zijns donders genoemd, Psalm 104:7, en zo is Zijn stem, waarmee Hij Zijn vijanden verschrikt en verslaat, 1 Samuël 2:10, S Hij zal in de hemel over hen donderen. De gramschaps eens konings wordt soms vergeleken bij het brullen eens leeuws, maar kan toch nooit Gods donder evenaren.
III. Dat wij met God niet kunnen wedijveren in schoonheid en majesteit, vers 5. "Indien gij u met Hem wilt vergelijken, en meer beminnenswaardig wilt schijnen, zo doe uw beste, schoonste kleren aan, versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid. Verschijn in al de oorlogspracht, al de koninklijke luister, die gij hebt, maak het beste gebruik van alles dat u het sierlijkst staat, u het voordeligst zal doen uitkomen, bekleed u met heerlijkheid en schoonheid, waarmee gij aan uw vijanden ontzag kunt inboezemen en uw vrienden kunt bekoren, maar wat is dit alles in vergelijking met de Goddelijke majesteit en schoonheid? Niets meer dan het licht van een glimwormpje in vergelijking met de zon, als zij uitgaat in haar kracht." God bekleedt zich met een majesteit en heerlijkheid, die de verschrikking zijn van de duivelen en van alle de machten van de duisternis en ze doen sidderen, Hij versiert zich met een heerlijkheid en schoonheid, die de bewondering uitmaken van de engelen en van alle de heiligen in het licht, en ze doen juichen. David zou al zijn dagen in Gods huis willen wonen om de lieflijkheid, de schoonheid des Heeren te aanschouwen. Maar wat is, in vergelijking daarmee, al de majesteit en voortreffelijkheid, waarmee vorsten denken zich ontzaglijk en geducht te maken, en al de heerlijkheid en schoonheid, waarmee liefhebbers denken zich bemind te maken? Als Job denkt dat hij in zijn strijd met God de overwinning zal behalen door een groot en groots aanzien aan te nemen dan is hij geheel en al in dwaling. De maan zal schaamrood worden, en de zon zal beschaamd worden, als God verschijnt. IV. Dat wij met God niet kunnen wedijveren in heerschappij over de hoogmoedigen, vers 6-9. Hier wordt een spoedige beslissing van de zaak voorgesteld. Indien Job hoogmoedige tirannen en verdrukkers even gemakkelijk en krachtdadiglijk vernederen en verlagen kan als God, dan zal erkend worden dat er een schijn van reden voor is, dat hij zich met God vergelijkt.
Merk hier op:
1. De gerechtigheid, die Job uitgedaagd wordt om te oefenen, en die is: de hoogmoedigen naar beneden te brengen, dit te doen door een blik. Indien Job voorwendt met God te kunnen wedijveren, inzonderheid als hij meent Zijn daden te kunnen beoordelen, dan moet hij in staat zijn dit te doen.
A. Er wordt hier ondersteld dat God het kan, anders zou Hij er Job niet toe uitgedaagd hebben. Hiermede bewijst God dat Hij God is, dat Hij de hovaardigen wederstaat, als Rechter over hen nederzit en instaat is hen ten verderve te brengen.
Merk hier op:
a. Dat hoogmoedige lieden goddeloze lieden zijn, en dat hoogmoed op de bodem is van zeer veel goddeloosheid, die er in de wereld is, beide tegenover God en de mens.
b. Dat hoogmoedige lieden gewis naar beneden zullen gebracht worden, want hovaardigheid is vóór de verbreking. Indien zij niet buigen, dan zullen zij breken, indien zij zich niet verootmoedigen door waar berouw, dan zal God hen vernederen tot hun eeuwige beschaming. De goddelozen zullen verpletterd worden in hun plaats, dat is: Overal waar zij gevonden worden, al is het ook, dat zij voorgeven een eigen plaats te hebben en er wortel in te hebben geschoten, toch zullen zij ook daar verpletterd worden, en al de rijkdom en macht en invloed, waarop zij door hun plaats recht en aanspraak hebben, zullen hen niet kunnen beveiligen.
c. De toorn Gods uitgestrooid onder de hoogmoedigen, zal hen vernederen en verbreken, en hen naar beneden brengen. Als Hij de verbolgenheden Zijns toorns uitstrooit, gelijk Hij doen zal in de grote dag en soms reeds doet in dit leven, dan zal de stoutmoedigste niet voor Hem kunnen bestaan, -wie kent de sterkte Zijns toorns?
d. God kan deze hoogmoedige tirannen gemakkelijk verbreken en doet het ook, Hij kan hen aanzien en hen naar beneden brengen, kan hen door een enkele toornige blik overstelpen met schande en vrees en een algeheel verderf, zoals Hij door een vriendelijke blik het hart van de boetvaardigen kan verkwikken.
e. Hij kan en zal het ten laatste krachtdadiglijk doen, vers 8, hen niet alleen ter nederwerpen in het stof, uit hetwelk zij zouden kunnen hopen weer op te staan, maar hen verbergen in het stof zoals de trotse Egyptenaar, die Mozes versloeg en verborg in het zand, Exodus 2:12 dat is: Zij zullen niet alleen ter dood worden gebracht, maar naar het graf worden gebracht, de kuil waaruit geen wederkeren is. Zij waren trots op het figuur dat zij maakten, het aanzien dat zij hadden, maar zij zullen in vergetelheid worden, en niet meer herdacht worden dan zij, die in het stof zijn verborgen, buiten het gezicht, uit het oog en uit het hart. Ja meer, zij worden behandeld als kwaaddoeners, aan wie, als zij veroordeeld waren, het aangezicht bedekt werd, verbind hun aangezichten in het verborgen. Zij worden behandeld als doden, het aangezicht van Lazarus was in het graf omwonden. Zo volkomen zal de overwinning zijn door God behaald over hoogmoedige zondaren, die Hem tegenstonden. Hierdoor nu bewijst Hij zich God te zijn. Haat Hij aldus hovaardige mensen? Dan is Hij heilig. Zal Hij hen aldus straffen? Dan is Hij de rechtvaardige rechter van de wereld. Zal Hij hen aldus vernederen? Dan is Hij de Heere, de Almachtige. Toen Hij de trotse Farao had vernederd, en hem had verborgen in het zand van de Rode Zee, heeft Jethro daaruit afgeleid dat ongetwijfeld "de Heere groter is dan alle goden, want In de zaak waarin de hoogmoedige vijanden van Zijn Israël trotselijk gehandeld hebben was Hij boven hen," Exodus 18:11. Zie Openbaring 19:1, 2.
B. Het wordt hier aan Job voorgesteld om dit te doen. Hij had hartstochtelijk met God en Zijn voorzienigheid getwist, de verbolgenheden zijns toorns naar de hemel werpende alsof hij dacht hierdoor God tot zijn gevoelen te doen komen. "Welaan", zegt God, "beproef eerst wat gij op hoogmoedige mensen vermoogt, en gij zult spoedig ontwaar worden hoe weinig zij geven om de verbolgenheden van uw toorn, en zal Ik er dan acht op slaan of er door bewogen worden?" Job had geklaagd over de voorspoed en de macht van verdrukkers en tirannen, en was bereid God wanbestuur ten laste te leggen door het toe te laten, maar hij behoorde niet te laken zo hij niet kon verbeteren. Indien God, en Hij alleen, macht genoeg heeft om hoogmoedige lieden te vernederen en naar beneden te brengen, dan heeft Hij ongetwijfeld ook wijsheid genoeg om te weten wanneer en hoe het te doen, en ons betaamt het niet Hem voor te schrijven of Hem te leren hoe Hij de wereld moet regeren. Tenzij wij een arm hebben gelijk God, moeten wij er niet aan denken Hem het werk uit de handen te nemen.
2. De gerechtigheid, die hier beloofd is, zal hem gedaan worden, indien hij zulke grote werken als deze tot stand kan brengen, vers 9. "Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben, genoegzaam is om te verlossen, hoewel zij te zwak zou zijn om met Mij te strijden." Het is de aangeboren hoogmoed en eerzucht van de mens om zijn eigen verlosser te willen wezen, te denken dat zijn eigen handen hem genoegzaam zijn om onafhankelijk te willen zijn. Maar het is aanmatiging om dit te willen. Onze eigen handen kunnen ons niet verlossen door ons van de genade Gods aan te bevelen, en nog veel minder door ons te redden van Zijn gerechtigheid. Tenzij wij door onze eigen macht of kracht onze vijanden kennen vernederen, kunnen wij niet voorwenden ons door onze eigen macht te verlossen, maar zo wij het konden, God zelf zou het erkennen. Nooit heeft Hij enig mens zijn rechtmatige lof onthouden, en dat zal Hij ook nooit doen, noch hem de eer ontzeggen, die hem toekomt. Daar wij dit echter niet kunnen, moeten wij voor Zijn aangezicht belijden dat onze eigen handen ons niet kunnen verlossen, weshalve wij ons in Zijn handen moeten overgeven.