Jeremia 27:1-11
Enige moeilijkheid doet zich hier voor met betrekking tot de tijd van de profetie. Er staat dat dit kwam tot Jeremia in het begin des koninkrijks van Jojakim, vers 1, en toch staat er dat de boodschappers, wie hij de tekens van de slavernij moet geven, tot Zedekia, de koning van Juda, komen, die pas regeerde elf jaar na het begin van Jojakims regering. Sommigen denken aan een fout van de afschrijver, en lezen aldus, vers 1 :In het begin des koninkrijks van Zedekia, in plaats waarvan een onoplettend schrijver, die naar de titel van het vorige hoofdstuk zag, Jojakim schreef. En, als men ergens een fout veronderstelt, dan moet het hier zijn, want Zedekia wordt opnieuw genoemd vers 12, en de volgende profetie is gedateerd van hetzelfde jaar, en in het begin des koninkrijks van Zedekia, Hoofdstuk 28:1. Dr. Lightfoot geeft deze oplossing: In het begin van Jojakims regering moet Jeremia deze banden en jukken maken, en aan zijn hals doen, ten teken van Juda's onderwerping aan de koning van Babel, die om die tijd begon, maar hij moet ze naar de naburige koningen zenden later, onder de regering van Zedekia, van wie bij wijze van voorspelling, vermeld wordt, dat hij Jojakim opvolgde, en, dat hem gezanten gezonden werden.
I. Jeremia moet een teken in gereedheid brengen van de algemene onderwerping van al deze landen aan de macht van de koning van Babel, vers 2 :Maak u banden en jukken, jukken met banden om ze vast te maken, opdat het dier zijn hals niet uit het juk zal trekken. Deze moet Jeremia aan zijn eigen hals doen, opdat men er acht op geven zou als op een profetische voorstelling, want iedereen zou vragen: Wat is de bedoeling van Jeremia's jukken? Wij vinden, dat Jeremia ze aan heeft in Hoofdstuk 28:10. Hiermee gaf hij te kennen dat hij hun aanried niets te doen dan wat hij zelf besloten was te doen: want hij was niet van hen, die "lasten binden op de schouders van anderen, die zij zelf niet met hun vinger willen verroeren." Zo moeten predikanten zichzelf de last en de verplichting opleggen, die zij aan anderen prediken.
II. Hij moet deze, met een prediking eraan toegevoegd, tot al de naburige vorsten zender, die het dichtst bij het land Kanaän woonden worden hier vermeld, vers 3. Het schijnt wel, dat er een verdrag van bondgenootschap op til was, tussen de koning van Juda en die andere kringen. Jeruzalem was aangewezen als de plaats van onderhandeling. Daarheen zonden zij allen hun gevolmachtigden, en men was overeengekomen, een offensief en defensief verbond te sluiten om elkaar bij te staan, tegen de groeiende en dreigende macht van de koning van Babel, en zijn buitensporige macht te knotten. Zij hadden groot vertrouwen in hun aldus verenigde kracht, en waren gereed zich de hoge bondgenoten te noemen, maar, als de zendelingen, ieder naar zijn eigen meester terugkeren met de bekrachtiging van dit verdrag, geeft Jeremia aan ieder van hen een juk om naar zijn meester te brengen, om hen te beduiden, dat hij, vrijwillig of gedwongen, een knecht van de koning van Babel moet worden, hij moge dan kiezen, wat hij wil. In de prediking bij dit teken,
1. Betuigt God Zijn onbetwistbaar recht om over de koninkrijken te beschikken naar Hem behaagt, vers 5. Hij is de Schepper van alle dingen, "Hij schiep de aarde in de beginne, stelde ze vast, en dat blijft ze: het is nog steeds zo, hoewel het ene geslacht gaat en het andere komt." Door een voortzetting van de schepping brengt Hij nog steeds "de mens en het vee voort, die op de aardbodem zijn, en dat door Zijn grote kracht en uitgestrekten arm." Zijn arm heeft onbepaalde kracht, al is hij uitgestrekt. Wat dat betreft, kan hij eigendom en heerschappij geven en schenken aan wie Hij wil. Zoals Hij genadiglijk "de aarde van de mensen kinderen gegeven heeft" Psalm 115:16, in `t algemeen, zo geeft Hij aan ieder zijn deel, `t zij meer of minder. Al wat iemand heeft van de goederen van de aarde, is hetgeen God voor hen gepast oordeelt, daarom moeten wij zelf tevreden zijn, al hebben wij nog zo weinig, en niemand zijn aandeel benijden, al is het ook nog zoveel.
2. Hij kondigt af, dat Hij al deze landen aan Nebukadnezar schenkt. Dat allen het weten door hen, die tegenwoordig zijn. "Suant praesentes et futuri-Dat die van de tegenwoordige, en die van de toekomende tijd het weten." Bij deze betuig Ik, aan allen, wie het aangaat, dat "Ik al deze landen en al hun rijkdom heb gegeven, in de hand van de koning van Babel, zelfs ook het gedierte des velde, tam of wild, heb Ik hem gegeven, bossen en weiden, zij zijn alle zijne". Nebukadnezar was een trots, goddeloos man, een afgodendienaar, en toch geeft God hem, in Zijn voorzienigheid dit grote gebied, deze uitgestrekte bezittingen. De dingen van deze wereld zijn niet de beste, want God geeft dikwijls het grootste deel aan slechte mensen, die Zijn mededingers en tegen Hem in opstand zijn. Hij was een goddeloos man, en toch wat hij had, had hij door goddelijke schenking. Heerschappij is niet gefundeerd op genade. Zij, die geen aannemelijk recht hebben op eeuwige gelukzaligheid, kunnen toch in `t rechtmatig bezit zijn van hun tijdelijke goederen. Nebukadnezar is een zeer slecht man, en toch noemt God hem Zijn knecht, omdat Hij hem gebruikte als een werktuig van Zijn voorzienigheid ter kastijding van de volken, en in `t bijzonder Zijn eigen volk, en voor zijn diensten in die zaak wordt hij zo ruim beloond. Die God gebruikt, zullen er niet bij verliezen, veel meer zal Hij bevonden worden de overvloedige beloner van allen, die Hem welbewust en oprecht gediend hebben.
3. Hij verzekert hun, dat zij allen onvermijdelijk een tijd lang onder de heerschappij van de koning van Babel gebracht zouden worden, vers 7 :Alle volken, al deze en vele andere, zullen hem, en zijn zoon, en zijns zoons zoon dienen. Zijn zoon was Evil-Merodach, en zijns zoons zoon Belsazar, met wie het koninkrijk eindigde: toen kwam de tijd van afrekening met dit land, de kans keerde, en "machtige volken en grote koningen, ingelijfd in het rijk van de Meden en Perzen, deden zich van hem dienen, als tevoren", Hoofdstuk 25:14. Aldus werd Adonibezek vertrapt, zoals hij zelf andere koningen vertrapt had.
4. Hij dreigt met straf van oorlog hen, die zich schrap zetten en zich niet wilden onderwerpen aan de koning van Babel, vers 8 :het volk, dat zijn hals niet zal geven onder zijn juk, over dat volk zal Ik bezoeking doen door het zwaard, en door de honger, het ene oordeel na het andere, totdat het verteerd zal zijn door zijn hand. Nebukadnezar toonde zich zeer onrechtvaardig en onbeschaafd met aldus inbreuk te maken op de rechten en vrijheden van zijn naburen, en ze te dwingen tot onderwerping aan hen toch had God rechtvaardige en heilige bedoelingen, daar Hij hem toestond dat te doen, om namelijk deze volken te straffen voor hun afgoderij en grove onzedelijkheid. Zij, die de God, die hen gemaakt had, niet wilden dienen, werden rechtvaardiglijk gedwongen hun vijanden te dienen, die hun verderf zochten.
5. Hij toont hun de ijdelheid van de hoop, die zij koesteren, dat zij hun vrijheden zullen bewaren, vers 9, 10. Deze volken hadden ook hun profeten, die toekomstige gebeurtenissen beweerden te voorspellen uit de sterren, uit dromen, of tovenarij, en om hun beschermers te behagen en omdat zij het zelf graag wilden, vleiden zij zich met verzekeringen, dat zij de koning van Babel niet zouden dienen. Zo wilden zij hen bezielen tot een krachtige tegenstand, en, hoewel zij er geen grond voor hadden, hoopten zij hun hiermee een dienst te doen. Maar hij zegt hun, dat het tot hun verderf zou blijken te zijn, want door weerstand zouden zij de overwinnaar tarten om hen streng te behandelen, om hen verre uit hun land te brengen, en uit te stoten in een ellendige gevangenschap, waarin zij allen verdwijnen en in vergetelheid begraven worden zouden. Bijzondere profetieën tegen de volken, die aan Israël grensden, afzonderlijk, wier ondergang hier in `t algemeen wordt voorspeld, zullen wij ontmoeten in Hoofdstuk 49 en 50, en in Eze. 25, die door dezelfde gebeurtenissen vervuld werden. Als God oordeelt, overwint Hij ook.
6. Hij doet hun een goed middel aan de hand, om hun onderwerping te voorkomen, een rustige en kalme onderwerping, vers 11. De volken, die de koning van Babel gewillig zullen dienen, en hem schatting betalen zeventig jaar lang, die zal Hij in hun land laten. Die buigen willen, zullen niet breken. Misschien zal de heerschappij van de koning van Babel niet zwaarder op hen drukken dan die van hun eigen koningen gedaan had. Het is dikwijls meer een punt van eer dan ware wijsheid, de vrijheid te verkiezen boven het leven. Het wordt niet vermeld tot schande van Issaschar, dat, omdat hij zag, "dat de rust goed was en, dat het land lustig was, dat hij er vreedzaam van kon genieten, hij zijn schouder boog om te dragen en was dienende onder tribuut," Genesis 49:14,15 zoals hier hun geraden wordt te doen: "Brengt uw halzen onder het juk des konings van Babel en gij zult uw land bouwen en daarin wonen." Sommigen wilden dit veroordelen als de uiting van een laag karakter, maar de profeet beveelt het aan als uiting van een zacht karakter, dat voor de noodzakelijkheid wijkt, en door een rustige onderwerping aan de hardste veranderingen van de Voorzienigheid, zich in zijn lot schikt: het is beter dat te doen. dan het erger te maken door er tegen in te gaan.
-Levius fit patientia Quicquid corrigere est nefas-Hor. Geduld maakt lichter. Wat ons niet voegt te veranderen.
Menigeen had de straf van de Voorzienigheid kunnen voorkomen door zich te buigen onder vernederende leidingen. Het is beter een licht kruis op te nemen, dat op onze weg is, dan onszelf een zwaar op de hals te halen.