Job 38:1-3
Laat ons hier letten op:
1. De persoon die spreekt. Het is de Heere Jehovah, geen geschapen engel, maar het eeuwige Woord zelf, de tweede persoon in de Goddelijke Drieëenheid, want Hij is het, door wie de werelden gemaakt zijn, en dat was niemand anders dan de Zone Gods. Die hier spreekt is dezelfde, die later van de berg Sinai sprak. Hier begint Hij met de schepping van de wereld, daar met de verlossing van Israël uit Egypte, en uit beide wordt de noodzakelijkheid afgeleid van onze onderwerping aan Hem. Elihu had gezegd: God spreekt tot de mensen en zij bespeuren het niet, Hoofdst. 33:14, maar dit moesten zij wel bespeuren, en toch: -wij "hebben een zekerder woord van profetie," 2 Petrus 1:19.
2. Wanneer Hij sprak: Daarna, toen zij allen gezegd hadden wat zij wilden zeggen, zonder echter hun doel te hebben bereikt, toen was het tijd voor God om tussenbeide te komen, wiens oordeel naar waarheid is. Als wij niet weten wie gelijk heeft, en er misschien aan twijfelen of wij zelf gelijk hebben, dan kan dit ons geruststellen, dat God weldra beslissen zal "in het dal van de beslissing," Joël 3:14. Job had zijn drie vrienden tot zwijgen gebracht, en toch had hij hen over het algemeen niet van zijn oprechtheid kunnen overtuigen. Elihu had Job tot zwijgen gebracht, maar heeft hem er niet toe kunnen brengen om zijn verkeerd spreken in het twistgeding te belijden. Maar nu komt God en doet beide, Hij overtuigt Job van zijn onbedacht spreken en doet hem roepen: "Peccavi-ik heb verkeerd gedaan," en, hem verootmoedigd hebbende, doet Hij hem eer aan door zijn drie vrienden ervan te overtuigen, dat zij hem onrecht gedaan hebben. Deze twee dingen zal God vroeg of laat doen voor Zijn volk, Hij zal hun hun gebreken tonen, opdat zij er zich over schamen, en Hij zal aan anderen hun gerechtigheid tonen-hun gerechtigheid doen voortkomen als het licht, opdat zij zich zullen schamen over hun onrechtvaardige afkeuringen van hen.
3. Hoe Hij sprak. Uit een onweder, uit de wolk, de wervelwind, waarvan Elihu nota had genomen, Hoofdst. 37:1, 2, 9. Een stormwind was de inleiding tot Ezechiëls visioen, Ezechiël 1:4, en tot het visioen van Elia, 1 Koningen 19:11 K. Van God wordt gezegd, dat Zijn "weg is in wervelwind en in storm," Nahum 1:3, en om te tonen dat zelfs de stormwind Zijn woord doet, werd hij er hier tot voertuig van gemaakt. Aldus bedoelde God Job op te schrikken en zijn aandacht op te wekken. Soms antwoordt God Zijn eigen volk in schrikkelijke kastijdingen, als uit de wervelwind, maar altijd in gerechtigheid.
4:Tot wie Hij sprak. Hij antwoordde Job, richtte Zijn rede tot hem, om hem te overtuigen van hetgeen verkeerd was, eer Hij hem zuiverde van de onrechtvaardige beschuldigingen die tegen hem waren ingebracht. Het is God alleen, die krachtdadig en afdoende kan overtuigen van zonde, en aldus zullen diegenen vernederd worden, die Hij voornemens is te verhogen. Zij, die evenals Job verlangend zijn om van God te horen, zullen zeer zeker ten laatste van Hem horen.
5. Wat Hij zei. Wij kunnen onderstellen dat Elihu, of iemand anders uit het gehoor woordelijk heeft opgeschreven wat uit het onweder werd gehoord, want wij bevinden dat Johannes, toen de zeven donderslagen hun stemmen gesproken hadden, ze zou geschreven hebben, Openbaring 10:4. Of, indien het toen niet geschreven was, zijn wij er toch zeker van dat wij, daar de schrijver van het boek door de Heilige Geest was geïnspireerd, toch een zeer waar en nauwkeurig bericht hebben van hetgeen gezegd was. De Geest, zegt Christus, zal u indachtig maken, zoals Hij het hier gedaan heeft, alles wat Ik u gezegd heb.
De inleiding is hartdoorgrondend.
A. God legt hem onwetendheid en aanmatiging ten laste in hetgeen hij gezegd heeft, vers 2. "Wie is het, die op deze wijze spreekt? Is het Job? Hoe! een mens? Dat zwakke dwaze, verachtelijke schepsel-zal dat zich vermeten Mij voor te schrijven wat Ik doen moet, of met Mij te twisten over hetgeen Ik gedaan heb? Is het Job? Hoe! Mijn knecht Job, een vroom en oprecht man? Kan hij zich zo vergeten, zo ongelijk aan zichzelf handelen? Wie, waar is hij, die aldus de raad verduistert met woorden zonder wetenschap? Laat hem zijn gelaat tonen zo hij durft, en dan blijven bij wat hij gezegd heeft." De raad van Gods wijsheid verduisteren met onze dwaasheid is een grote belediging en terging van God. Betreffende Gods raad moeten wij erkennen zonder wetenschap te zijn. Hij is een afgrond, die wij niet kunnen peilen, wij zijn geheel en al buiten ons element, buiten hetgeen wij kunnen bereiken, als wij ons aanmatigen om er rekenschap van te geven. Toch zijn wij maar al te geneigd om ervan te spreken, alsof wij hem verstonden, en dat wel met zeer veel nauwkeurigheid en vrijmoedigheid. Maar helaas, wij doen niets anders dan hem verduisteren inplaats van hem te verklaren. Wij verwarren en verstrikken onszelf en elkaar als wij twisten over de orde van Gods raadsbesluiten, en de bedoelingen, redenen en methoden van de werkingen van Zijn voorzienigheid en genade. Met ootmoedig geloof en oprechte gehoorzaamheid zal men verder en beter in de verborgenheid des Heeren zien, dan met al de wijsbegeerte van de scholen en de onderzoekingen van de dusgenaamde wetenschap. Dit eerste woord dat God sprak is des te meer opmerkelijk, omdat Job, toen hij berouw kreeg, het aangreep als hetgeen er in geslaagd is om hem te verootmoedigen Hoofdst. 42:3. Dit herhaalde hij, als de pijl die hem diep trof. "Ik ben de dwaas, die de raad verduisterd heb." Er was een schijn van aanleiding voor om het op Elihu te wentelen, alsof God hem bedoelde, want hij had het laatst gesproken, en sprak nog toen het onweder begon, maar Job heeft het op zichzelf toegepast, zoals het ons betaamt te doen, als er getrouwe bestraffingen gegeven worden, en niet-zoals de meesten doen-ze op anderen toe te passen.
B. Hij tart hem om de bewijzen te geven van zijn kennis, waardoor hij in zijn navragen naar de Goddelijke raad gerechtvaardigd zou kunnen worden, vers 3. "Gord nu als een kloek man uw lenden, bereid u voor de ontmoeting, voor de strijd, Ik zal u vragen, u enige vragen stellen, antwoord Mij zo gij kunt, eer Ik op uw vragen antwoord." Zij, die het ondernemen God om rekenschap te vragen, moeten verwachten ondervraagd te worden en zelf ter verantwoording te worden geroepen, opdat zij zich van hun onwetendheid en verwatenheid bewust zullen worden. God herinnert Job hieraan hetgeen hij gezegd heeft, Hoofdst. 13:22 :Roep dan, en ik zal antwoorden. "Vervul dan nu uw woorden."