3. De HEERE is lankmoedig, doch van grote kracht. Hij wacht wel lang naar de bekering van den zondaar, maar Hij talmt niet uit zwakheid met de bestraffing der goddelozen, maar uit liefde en ontferming. Toch ziet Hij van de straf niet af, als Hij die niet dadelijk over Zijne vijanden brengt, en Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig; Hij laat niemand ongestraft (Ez. 20:7; 33:7). Rustig ziet Hij de boosheid aan, tot hare maat is vol geworden en Zijn toorn ten volle ontstoken, dan spreekt Hij als rechtvaardig Rechter het oordeel, en wat Hij spreekt, dat geschiedt. Zo heeft Hij altijd gedaan, want Hij is de Heere, de hoogste majesteit, van wien alles is, voor wien alles leeft. Des HEEREN wegonder de volken is in wervelwind, en in storm, Zijn toorn openbaart zich door geweldige gerichten, die de wereld bewegen, en die toch ook bij het gericht in ene onbereikbare hoogte de ongenaakbare God blijft, de wolken zijn het stof Zijner voeten; wanneer Hij ten gerichte komt als op den Sinaï, verbergt het duistere der wolken Zijne nabijheid.
Jehovah is lankmoedig. Wanneer de genade in de wereld komt, rijdt zij met gevleugelde paarden, de assen harer raderen zijn rood van de hitte door haren spoed, maar wanneer de toorn voorttrekt gaat hij met loomen tred; want God heeft geen lust in des zondaars dood. Gods genadige scepter is altijd in zijne handen uitgestrekt; Zijn zwaard der gerechtigheid wordt in de schede terug gehouden door de doorboorde liefdehand, eenmaal voor de zonde aller mensen aan het kruis genageld. De Heere is lankmoedig, omdat Hij groot is van kracht. Hij toch is waarlijk groot van kracht, die macht heeft over zich zelven; wanneer Gods macht hem inbindt, dan is Hij machtig; voorwaar de macht die het alvermogen bindt overtreft nog de almacht. Een die sterk is van geest, kan lang de belediging verduren, en hij wreekt het kwaad eerst dan, wanneer een besef van recht van hem eist om te handelen. Een zwakke geest ergert zich over nietigheden, de sterke geest verduurt als de rots, die niet wordt bewogen, al slaan er ook duizend golven tegen, die haar niets beduidende woede al schuimend op haar kruin verspillen. God tekent Zijne vijanden; evenwel houdt Hij Zijnen toorn in. Ware Hij niet God, dan zou Hij lang voor dezen al Zijne donderen hebben geslingerd, en `s hemels wapenkamer hebben geledigd; de aarde zou Hij hebben verschroeid met de geheimzinnige vlammen harer onderste delen, en de mens zou ganselijk verdelgd zijn: maar de grootheid Zijner macht brengt ons genade aan.