Job 34:1-9
I. Elihu richt zich nederig tot de hoorders, en als een redenaar streeft hij er naar om hun welwillende aandacht te verkrijgen.
1. Hij noemt hen wijzen en verstandigen, vers 2. Het is aangenaam om te spreken tot hen, die rede verstaan: als tot verstandigen spreek ik oordeel gij hetgeen ik zeg, 1 Corinthiers 10:15. Elihu verschilde in mening met hen, en toch noemt hij hen wijzen en verstandigen. Gemelijke twistredenaars houden allen voor dwazen, die niet van hun gevoelen zijn, maar het is recht doen aan hen, die wijs zijn, om het te erkennen, al is het ook dat onze denkwijze niet overeenkomt met de hunne.
2. Hij beroept zich op hun oordeel, en daarom onderwerpt hij zich aan hun onderzoek, vers 3. Het oor van de verstandigen proeft de woorden, of hetgeen gezegd wordt waar of onwaar, recht of verkeerd is, en hij, die spreekt, moet het onderzoek van de verstandigen doorstaan. Gelijk wij alle dingen, die wij horen, moeten onderzoeken, zo moeten wij willen dat hetgeen wij spreken onderzocht zal worden.
3. Hij neemt hen tot deelgenoten voor het onderzoek en de bespreking van deze zaak vers 4. Hij maakt er geen aanspraak op om de enige gezagvoerder of dictator te zijn, neemt het niet op zich om te zeggen wat al of niet goed en recht is, maar hij wil zich met hen verenigen in het te onderzoeken, en wenst een beraadslaging. "Laat ons overeenkomen om alle verbittering en iedere vete alle vooroordelen en neiging tot tegenspraak, alle stijfhoofdig vasthouden aan eigen mening af te leggen, en laat ons kiezen voor ons wat recht is, laat ons de rechte beginselen vaststellen, naar welke wij handelen, en dan de rechte methode volgen om de waarheid te ontdekken, en laat ons onder elkaar weten door onze meningen onderling te vergelijken en elkaar onze redenen mee te delen, wat goed is en wat niet goed is." Wij zullen dan waarschijnlijk onderkennen wat recht is, als wij overeenkomen om elkaar te helpen om het te ontdekken.
II. Met vurige ijver beschuldigt hij Job woorden gesproken te hebben, die afkeuring te kennen gaven van Gods bestuur, en hij wendt zich tot de toehoorders met de vraag of hij deswege niet bestraft moet worden.
1. Hij herhaalt de woorden door Job gesproken zo nauwkeurig als hij ze zich kon herinneren.
a. Hij had nadrukkelijk zijn onschuld betuigd, Job heeft gezegd: ik ben rechtvaardig vers 5, en toen hij gedrongen werd om zijn schuld te bekennen, bleef hij stijfhoofdig bij zijn verklaring van niet schuldig te zijn. Ik moet liegen in mijn recht, vers 6. Job had in die zin gesproken, Hoofdst. 27:6. Aan mijne gerechtigheid zal ik vasthouden.
b. Hij had God beschuldigd van onrechtvaardig te zijn in Zijn handelingen met hem, dat Hij hem onrecht had gedaan door hem te beproeven, hem geen recht had laten wedervaren. God heeft mijn recht weggenomen, dat heeft Job gezegd, Hoofdst. 27:2. c. Hij had gewanhoopt aan hulp of uitkomst, en was tot de gevolgtrekking gekomen dat God hem niet kon of niet wilde helpen: mijn wonde is ongeneeslijk, vers 6, en zal waarschijnlijk dodelijk wezen, en toch zonder overtreding daar geen wrevel in mijn handen is, Hoofdst. 16:16, 17.
d. Hij had in werkelijkheid gezegd dat er geen baat bij is om God te dienen, en dat het niemand om zijn Godsdienst te beter gaan zal, vers 9. Hij heeft gezegd hetgeen doet vermoeden wat hij denkt: het baat een man niet als hij welbehagen heeft aan God. Het wordt toegestemd dat er genoegen is in de Godsdienst, immers wat is het anders dan welbehagen te hebben aan God, in gemeenschapsoefening met Hem, in samenstemming met Hem, in het wandelen met Hem, gelijk Henoch, dat is een juist denkbeeld van de Godsdienst en doet zijn wegen kennen als wegen van de lieflijkheid. Toch wordt het voordeel er van ontkend, alsof het "tevergeefs was God te dienen," Maleachi 3:14. Job had gezegd, Hoofdst. 9:22, de oprechte en de goddeloze verdelgt Hij, waarin een waarheid is opgesloten, -alle ding wedervaart hun gelijk allen anderen -maar het was verkeerd uitgedrukt, -en gaf daardoor aanleiding aan Elihu om hem te beschuldigen de mening te koesteren dat het de mens niet baat God te dienen, en daarom zweeg Job er stil onder zonder een poging te doen om er zich tegen te verdedigen. Ds. Caryl merkt daarom terecht op, dat Godvruchtige mensen soms slechter spreken dan zij het bedoelen, en dat een Godvruchtige eerder meer blaam of afkeuring zal dragen dan hij verdient, dan zich te verontschuldigen als hij blaam en afkeuring verdiend heeft.
2. Elihu gebruikt zeer sterke uitdrukkingen voor zijn beschuldiging. In het algemeen: Wat man is er gelijk Job? vers 7. "Hebt gij ooit zo'n man gekend als Job, of ooit iemand op zo buitensporige wijze horen spreken?" Hij stelt hem voor:
a. Als nederzittende in het gestoelte van de spotters, "hij drinkt de bespotting in als water," dat is: "Hij veroorlooft zich zeer veel vrijheid om beide God en zijn vrienden te smaden, hij vindt daar behagen in, en is zeer vrijgevig met zijn afkeurende aanmerkingen." Of, "hij luistert zeer gretig naar de smaad en de minachting, die anderen op hun broederen werpen, daar heeft hij een welbehagen in, dat looft en prijst hij." Of, zoals sommigen het verklaren: "door deze zijn dwaze uitdrukkingen maakt hij zich tot het voorwerp van bespotting, stelt hij zich bloot aan smaad en minachting geeft hij aan anderen aanleiding om over hem te lachen, terwijl zijn Godsdienst daaronder lijdt, en deszelfs eer er door wordt aangerand." Het is ons nodig te bidden dat God ons nooit aan onszelf zal overlaten om iets te zeggen of te doen dat ons tot een smaad van de dwazen zal stellen, Psalm 39:9.
b. Als wandelende in de raad van de goddelozen, en staande op de weg van de zondaren. Hij gaat over weg in gezelschap met de werkers van de ongerechtigheid, vers 8, niet dat hij in zijn levenswandel zich met hen vergezelde, maar in zijn denkwijze heeft hij hen gesteund en begunstigd, en hun handen gesterkt. Indien (zoals in vers 9 volgt ten bewijze ervan) het een man niet baat, als hij welbehagen heeft aan God waarom zou hij dan ook de teugel niet vieren aan zijn lusten, en zich vergezellen met de werkers van de ongerechtigheid? Hij, die zegt: "ik heb tevergeefs mijn hart gezuiverd en mijn handen in onschuld gewassen, zou niet alleen trouweloos zijn aan het geslacht van Gods kinderen," Psalm 73:13, 15, maar genoegen doen aan Zijn vijanden, door te spreken zoals zij spreken.