Job 27:1-6
Jobs rede wordt hier een spreuk genoemd, een "mashal", de titel van Salomo's spreekwoorden, omdat zij ernstig en gewichtig was, en zeer leerrijk, en hij als gezaghebbende sprak. Het is afgeleid van een woord, dat heersen betekent, en sommigen denken dat het te kennen geeft dat Job nu zegevierde over zijn tegenstanders en sprak als iemand, die hen in het nauw had gebracht. Van een uitnemend prediker zeggen wij: hij weet zijn hoorders te beheersen. Dat heeft Job hier gedaan.
Er was een langdurige strijd geweest tussen Job en zijn vrienden, zij schenen geneigd om de zaak bijgelegd te zien, en daar "de eed is tot bevestiging en een einde is van alle tegenspreken" Hebreeën 6:16, ondersteunt Job hier al wat hij gezegd heeft ter handhaving van zijn oprechtheid met een plechtige eed, teneinde de tegenspraak tot zwijgen te brengen en de schuld geheel op zich te nemen, indien hij aan de waarheid tekort doet.
Merk op:
1. De vorm van zijn eed, vers 2. Zo waarachtig als God leeft, die mijn recht weggenomen heeft. Hier:
a. Spreekt hij op hoge wijze van God, daar hij Hem de levende God noemt (hetgeen betekent de eeuwig levende, de eeuwige God, die leven heeft in zichzelf) en zich op Hem beroept als de enige en soevereine rechter. Wij kunnen bij geen meerderen zweren, en het is een belediging voor Hem om bij iemand anders te zweren.
b. Maar toch spreekt hij ook op harde, onbetamelijke wijze van Hem, daar hij zegt dat Hij zijn recht weggenomen heeft, dat is: geweigerd heeft hem recht te doen in zijn twistgeding en tot zijn verdediging te verschijnen, en dat Hij, door zijn beproevingen te laten voortduren, waarop zijn vrienden hun afkeuring van hem grondden, hem de gelegenheid had ontnomen, waarop hij had gehoopt om zich te zuiveren. Elihu heeft hem bestraft voor dit woord, Hoofdst. 34:5, want God is rechtvaardig in al Zijn wegen en neemt niemands recht weg. Maar zie hoe licht wij geneigd zijn aan gunst te wanhopen, indien zij ons niet terstond wordt betoond, zo lauwhartig zijn wij en zo spoedig zijn wij het moede om op Gods tijd te wachten. Hij legt God ook ten laste dat Hij zijn ziel bitterheid heeft aangedaan, niet slechts niet voor hem is verschenen, maar tegen hem is verschenen, en door hem zulke zware beproevingen op te leggen zijn leven had verbitterd, hem van al het lieflijke ervan had beroofd. Door ons ongeduld kwellen wij onze eigen ziel, en dan klagen wij dat God ons kwelt en bitterheid aandoet. Maar zie nu ook Jobs vertrouwen in het deugdelijke van zijn zaak en in de goedheid van zijn God, daar hij, hoewel God thans toornig op hem schijnt te zijn en tegen hem handelt, zijn zaak toch goedsmoeds aan Hem kon overgeven.
2. Het onderwerp van zijn eed, of wat hij zweert en betuigt, vers 3, 4.
a. Dat hij geen onrecht zal spreken, geen bedrog zal spreken. Dat hij in het algemeen geen onwaarheid in zich dulden zal, dat hij, gelijk hij in geheel dit twistgeding altijd gesproken heeft zoals hij dacht, ook verder nooit zijn geweten zal bezwaren door anders te spreken, hij zal geen leer voorstaan, van geen feit spreken, als hij niet gelooft dat die leer en dat feit waar zijn. Hij zal ook geen waarheid ontkennen, al is die ook nog zozeer tegen hem, en nademaal zijn vrienden hem beschuldigen van een huichelaar te zijn, is hij bereid om, zo het van hem geëist wordt, al hun vragen onder ede te beantwoorden. Van de ene kant zou hij voor niets ter wereld willen ontkennen wat hem ten laste wordt gelegd, indien hij er zich schuldig aan wist, maar hij zou de waarheid zeggen de gehele waarheid en niets dan de waarheid en de schande dragen van een huichelaar te zijn. Van de andere kant: zich bewust zijnde van zijn oprechtheid, er zich van bewust zijnde dat hij niet zo'n man was als hij door zijn vrienden werd voorgesteld, wilde hij nooit zijn oprechtheid ontkennen, noch zichzelf beschuldigen van hetgeen waaraan hij niet schuldig was, wilde hij er niet toe gebracht worden, neen, zelfs niet door de pijnbank van hun onrechtvaardige bestraffingen, om zichzelf valselijk te beschuldigen. Als wij geen valse getuigenis mogen spreken tegen onze naaste dan mogen wij het ook niet spreken tegen onszelf.
b. Dat hij bij zijn besluit zou blijven zolang als hij leefde, vers 3. Zolang als mijn adem in mij zal zijn. Ons besluit tegen de zonde behoort evenzo vast te zijn, een besluit waarbij wij ons levenlang blijven. In twijfelachtige of onverschillige zaken is het niet veilig om zo bepaald te spreken, wij weten niet welke redenen er zich kunnen voordoen, die ons nopen om van gedachte te veranderen, God kan ons datgene doen zien, hetwelk wij nu niet weten of bespeuren, maar in zo eenvoudig een zaak als deze kunnen wij niet te beslist wezen, namelijk dat wij nooit onrecht zullen spreken. Er ligt hier wel iets van een reden voor dit besluit in opgesloten, namelijk dat onze adem niet altijd in ons zijn zal, wij zullen weldra de laatste adem uitblazen, en daarom, zolang onze adem in ons is, moeten wij geen onrecht, geen bedrog spreken, niets zeggen of doen dat ons schaden kan als onze adem zal ophouden. De adem in ons wordt de geest Gods genoemd, omdat Hij hem ons ingeblazen heeft, en dat is wederom een reden, waarom wij geen onrecht moeten spreken. Het is God, die ons het leven en de adem schenkt, en daarom moeten wij, zolang er adem in ons is, Hem loven.
3. De verklaring, of uitlegging van zijn eed vers 5, "Het zij verre van mij, dat ik ulieden rechtvaardigen zou, in uw liefdeloze bestraffingen van mij, door te bekennen dat ik een huichelaar ben, neen, totdat ik de geest zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtheid van mij niet wegdoen. Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden en zal ze niet laten varen.
a. Hij wilde altijd een eerlijk man zijn, hij wilde vasthouden aan zijn oprechtheid en God niet vloeken waartoe Satan hem door zijn vrouw had willen dringen, Hoofdst. 2:9. Job denkt hier aan sterven en aan bereid te zijn voor de dood, en daarom besluit hij nooit zijn Godsdienst te laten varen, al had hij dan ook alles verloren wat hij in de wereld bezat. Het beste bereid zijn voor de dood is tot de dood toe te volharden in onze oprechtheid. "Totdat ik sterf," dat is: "al moet ik ook sterven door deze beproeving, zal ik daarom noch voor mijn God, noch voor mijn Godsdienst onverschillig worden. Al zou Hij mij doden, zou ik toch op Hem hopen."
b. Hij wilde er altijd bij blijven dat hij een eerlijk man is, daarvan wilde hij niet afwijken, hij wilde die bewustheid niet opgeven, van de vertroosting en de eer van zijn oprechtheid geen afstand doen, hij was besloten die tot het laatste toe te verdedigen. God weet, en mijn eigen hart weet, dat ik altijd goede bedoelingen gehad heb, mij niet heb toegelaten een enkele mij bekende plicht te verzuimen, of een enkele mij bekende zonde te bedrijven. Dit is mijn blijdschap, en niemand zal mij haar ontroven. Ik zal nooit liegen tegen mijn recht." Het is dikwijls het lot geweest van oprechte mensen om geblameerd en veroordeeld te worden als huichelaars, maar het betaamt hun om er zich kloekmoedig onder te gedragen, en er zich niet door te laten ternederslaan, of er te slechter van zichzelf om te denken, maar met de apostel te zeggen: "Wij hebben een goed geweten, als die in alles willen eerlijk wandelen," Hebreeën 13:18. "Hic murusaheneus esto, nil conscire sibi. Laat dit uw koperen verdedigingsmuur zijn, dat gij aan de u bewuste onschuld vasthoudt."
Job heeft veel geklaagd over de smaad van zijn vrienden, maar-zegt hij- mijn hart zal mij niet smaden, vers 6, dat is: "Ik zal aan mijn hart nooit reden geven om mij te smaden, maar zal altijd een onergerlijk geweten behouden, en zolang ik dat doe zal ik mijn hart niet toelaten mij te smaden." Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, die rechtvaardig maakt. Het besluit te nemen dat ons hart ons niet zal smaden als wij er oorzaak aan geven om dit wel te doen, dat is God beledigen, wiens afgezant het geweten is, en onszelf onrecht te doen, want als een mens gezondigd heeft, dan is het goed als hij een hart in zijn binnenste heeft, dat hem dieswege slaat, 2 Samuël 24:10 S. Maar te besluiten dat ons hart ons niet zal smaden zolang wij vasthouden aan onze oprechtheid, dat is de plannen en bedoelingen te verijdelen van de boze geest (die goede Christenen in verzoeking brengt om aan hun kindschap te twijfelen: indien gij Gods Zoon zijt), en samen te werken met de werkingen van de goede Geest, die van ons kindschap getuigt.