Job 2:1-6
Satan, die gezworen vijand van God en Godvruchtige mensen, gaat hier voort met zijn boosaardige vervolging van Job, die hij haatte omdat God hem liefhad, en doet alles wat hij kan om scheiding te maken tussen hem en zijn God, tweedracht te zaaien, kwaad tussen hen te stichten, God dringende om hem te kwellen, en dan Job dringende om God te lasteren. Men zou gedacht hebben dat hij nu genoeg had van zijn vorige aanslag op Job, waarin hij zo teleurgesteld en te schande gemaakt was, maar de boosaardigheid is rusteloos, en dat zijn ook de duivel en zijn handlangers. Zij, die Godvruchtigen belasteren en valselijk beschuldigen, houden hun gezegden tegen hen vol, al worden zij ook nog zo gelogenstraft door de feiten. Satan wil Jobs zaak nog eens voor het gerecht brengen. Het boosaardige, onredelijke aanhouden van die grote vervolger van de heiligen wordt voorgesteld door zijn verklagen van hen voor God dag en nacht, Openbaring 12:10, altijd opnieuw tegen hen aanvoerende wat reeds dikwijls weerlegd en bewezen is vals te zijn. Zo heeft Satan hier Job dag op dag beschuldigd. Hier is:
I. Een zitting van het hof, en de vervolger of aanklager treedt op, vers 1, 2, evenals tevoren, Hoofdst. 1:6, 7. De engelen komen voor Gods troon, en Satan verschijnt onder hen. Men zou verwacht hebben dat hij kwam om zijn boosaardigheid tegen Job te bekennen en zijn vergissing hem aangaande, en geroepen zou hebben: Peccavi-ik heb onrecht gedaan, door iemand te belasteren, van wie God goed sprak, en om vergeving te vragen, maar neen inplaats hiervan komt hij met nog een aanslag tegen Job. Hem wordt dezelfde vraag gedaan als tevoren: Vanwaar komt gij? En gelijk tevoren antwoordt hij: Van om te trekken op de aarde, alsof hij geen kwaad had gedaan, ofschoon hij die Godvruchtige had mishandeld.
II. De Rechter zelf neemt de verdediging van de beschuldigde op zich, vers 3. Hebt gij nu beter dan tevoren acht geslagen op Mijn knecht Job? En zijt gij er nu eindelijk van overtuigd dat hij Mijn getrouwe dienstknecht is een man oprecht en vroom, want gij ziet hij houdt nog vast aan zijn oprechtheid. Dit wordt nu als een verder sterk bewijs van zijn goed karakter opgegeven: inplaats van zijn Godsdienst los te laten en God te vloeken, houdt hij hem meer dan oofti vast als hetgeen, waaraan hij nu meer dan ooit behoefte heeft. Hij is in tegenspoed dezelfde, die hij in voorspoed geweest is, veeleer nog beter, nog meer hartelijk en levendig in het zegenen van God dan hij ooit geweest is, te vaster wortel schietende door aldus geschud te zijn. Zie:
1. Hoe Satan veroordeeld is om zijn beweringen tegen Job. Gij hebt Mij tegen hem opgehitst als een beschuldiger om hem te verslinden zonder oorzaak. Of, "Gij hebt Mij tevergeefs opgehitst om hem te verderven, want dat zal Ik nooit doen." Als Godvruchtige mensen nedergeworpen zijn, zijn zij toch niet verdorven 2 Corinthiers 4:9. Hoe gelukkig is het voor ons, dat mensen noch duivelen onze rechters zullen zijn, want zij zouden ons misschien willen verderven, terecht of ten onrechte, maar dat ons recht voortkomt van de Heere, die bij Zijn oordeel nooit vooringenomen is en er zich nooit in vergist.
2. Hoe Job geprezen wordt voor zijn standvastigheid niettegenstaande de aanvallen, die op hem gedaan worden: nog houdt hij vast aan zijn oprechtheid als zijn wapen van verweer en gij kunt hem niet ontwapenen, als zijn schat, en van die schat kunt gij hem niet beroven, ja uw pogingen om hem ervan te beroven maken slechts dat hij hem zoveel steviger vasthoudt, inplaats dus van hem door de verzoeking zwakker te maken in zijn standvastigheid, is hij er sterker door geworden. God spreekt ervan met bewondering en genoegen, en met iets als van een juichen in de kracht van Zijn eigen genade: nog houdt hij vast aan zijn oprechtheid. Aldus is de beproeving van Jobs geloof bevonden te zijn tot Zijn lof en eer, 1 Petrus 1:7. Oprechtheid wordt gekroond door standvastigheid.
III. De beschuldiging voortgezet, vers 4.
Welke verontschuldiging kan Satan bijbrengen voor het mislukken van zijn vorige aanslag? Wat kan hij zeggen om het te bemantelen, nu hij er zo zeker van is geweest zijn doel te zullen bereiken? Wel, waarlijk! hij heeft dit te zeggen: Huid voor huid, en al wat iemand heeft zal hij geven voor zijn leven. Daar is een zekere waarheid in, liefde voor zichzelf en zucht tot zelfbehoud zijn zeer sterke en heersende beginselen in het hart van de mensen. De mensen beminnen zichzelf meer dan hun dierbaarste bloedverwanten of vrienden, meer zelfs dan hun kinderen, die toch delen zijn van henzelf, zij zullen hun bezittingen niet slechte wagen, maar geven om hun leven te redden. Allen achten het leven zoet en kostbaar, en zolang zij zelf gezond en welvarend zijn kunnen zij ieder verlies, waarin het ook moge bestaan, getroost dragen. Wij behoren een goed gebruik te maken van deze overweging en zolang God ons het leven en de gezondheid laat, ons in het bezit laat van onze ledematen en onze zinnen, met te meer geduld het verlies dragen van andere gerieflijkheden of aangenaamheden des levens. Zie Mattheus 6:25.
Maar Satan grondt hier een beschuldiging op tegen Job, hem listiglijk voorstellende:
1. Als onnatuurlijk voor hen, die hem omringen, als iemand, die de dood van zijn kinderen en dienstknechten niet ter harte nam, er zich niet om bekommerde van hoevelen van hun de huid (als ik dit zo zeggen mag) over de oven wordt getrokken, zolang hij zelf heelhuids blijft. Alsof hij, die zo teer bezorgd was over de zielen van zijn kinderen, onverschillig kon zijn omtrent hun lichaam, en evenals de struis zich verharden tegen zijn jongen, alsof zij de zijnen niet waren.
2. Als volslagen zelfzuchtig, om niets andere gevende dan om zijn eigen rust en veiligheid alsof zijn Godsdienst hem stuurs en nors en kwaadwillig maakte. Aldus worden het volk van God en hun handelingen door de duivel en zijn handlangers in een verkeerd daglicht geplaatst.
IV. Een uitdaging als het ware van God, om Jobs oprechtheid op nog een andere proef te stellen, vers 5 :"strek nu Uwe hand" "uit (want" ik zie, dat "mijn hand te kort is om hem te bereiken en te" "zwak om hem te schaden", en "tast zijn gebeente en zijn vlees aan" "dat zijn bij hem de enige tedere delen, krenk hem, hem slaande," Micha 6:1, en dan zal hij U wel in Uw aangezicht vloeken en zijn oprechtheid loslaten." Satan wist, en wij weten bij ervaring, dat ons hart en onze gedachten door niets zo in verwarring worden gebracht als door hevige pijn en lichaamskrankheid. Tegen het gevoel valt niet te redeneren of te twisten. Paulus zelf had zeer veel moeite om een doorn in het vlees te dragen, en zonder de bijzondere genade Gods zou hij hem niet hebben kunnen dragen, 2 Corinthiers 12:7, 9.
V. Een verlof aan Satan toegestaan, om die proef te doen, vers 6. Satan zou gewild hebben dat God Zijn hand had uitgestrekt om het te doen, maar Hij "beproeft niet gaarne, niet van" "harte." Hij plaagt en bedroeft des mensenkinderen niet van harte, Klaagliederen 3:33, en nog veel minder Zijn eigen kinderen, en daarom, zo het gedaan moet worden, laat Satan het doen, die behagen heeft in zulk werk: Zie hij zij in uw hand, doe uw ergst aan hem, doch met een voorbehoud en een beperking: maar verschoon zijn leven, of zijn ziel. Kwel hem, maar niet ten dode. Satan had het op het dierbaar leven gemunt, hij zou dit gaarne genomen hebben als hij mocht, in de hoop dat doodsbenauwdheid Job er toe gebracht zou hebben zijn God te vloeken, maar God had voor Job genade weggelegd na deze beproeving, en daarom moet hij haar overleven, en hoe beproefd hij ook wordt, zijn leven zal hem tot een buit zijn. Indien God de briesenden leeuw niet geketend hield, hoe spoedig zou hij ons verslinden! Zo ver Hij de toorn van Satan en van goddeloze mensen tegen Zijn volk toelaat, zal Hij hem toch doen strekken tot Zijn en hun lof, en "het overblijfsel daarvan zal Hij opbinden," Psalm 76:11. "Spaar zijn ziel," dat is: "zijn verstand," (zoals sommigen dit lezen) "behoud hem het gebruik daarvan, want anders zal het geen eerlijke proef zijn, indien hij in waanzin of ijdelhoofdigheid God zou vloeken, dan zal dit niets tegen zijn oprechtheid bewijzen. Het zou de taal niet zijn van zijn hart, maar van zijn ziekte."
Job aldus mishandeld door Satan, is hierin een type van Christus, de eerste profetie, Hem betreffende, luidt dat Satan "zijn verzenen zal" "vermorzelen," Genesis 3:15. Hij werd, evenals Job beproefd en gekweld door Satan. Satan verzocht Hem Zijn oprechtheid, Zijn Zoonschap los te laten, Mattheus 4:6. "Indien gij Gods Zoon zijt." Hij ging in het hart van Judas, die Christus verried, en bracht Christus door zijn verschrikkingen (zoals sommigen denken) in Zijn doodsbenauwdheid in de hof. Hij had verlof om Zijn gebeente en Zijn vlees aan te tasten, zonder het voorbehoud van Zijn leven te verschonen, omdat Hij door te sterven deed wat Job niet kon doen: teniet doen dengenen, die het geweld des doods had, dat is de duivel.