Jeremia 28:1-9
Deze worsteling tussen een ware profeet en een valse profeet, zoals hier gezegd wordt, had plaats gehad "in het begin des koninkrijks van Zedekia" en toch in het vierde jaar, want de eerste vier jaren van zijn regering mogen wel "het begin genoemd worden, of eerste deel," omdat hij gedurende die jaren, onder de heerschappij van de koning van Babel regeerde en hem schatplichtig was, terwijl hij de rest van zijn regering, die men ter onderscheiding van het "het eerste, het tweede deel zou kunnen noemen", afvallig van de koning van Babel regeerde. In het vierde jaar van zijn regering ging hij in persoon naar Babel (zoals wij vinden in Hoofdstuk 51:59), en het is waarschijnlijk, dat dit het volk enige hoop gaf, dat zijn onderhandeling in persoon de oorlog tot een goede afloop zou brengen, in welke hoop de valse profeten hen bemoedigden, in `t bizonder deze Hananja, die van Gibeon was, een stad van priesters, en daarom waarschijnlijk zelf een priester, zowel als Jeremia. Hier hebben wij:
I. De voorspelling, die Hananja deed, en wel in `t openbaar, plechtig, "in het huis des Heeren, en in de naam des Heeren, in een verheven vergadering, voor de ogen van de priesters en van het gehele volk, die waarschijnlijk in afwachting waren van een boodschap uit de hemel". Terwijl hij deze profetie deed, stond hij tegenover Jeremia, hij zei het tot hem, vers 1, met de bedoeling tegen hem op te treden en hem tegen te spreken, zoveel als te zeggen: "Jeremia, gij liegt." De inhoud van deze voorspelling is, dat de macht van de koning van Babel, ten minste over Juda en Jeruzalem haastig verbroken zou worden, dat "in nog twee volle jaren" de vaten van de tempel teruggebracht zouden worden, en, dat Jechonja en alle de gevangenen, die met hem weggevoerd waren, zouden terugkeren, terwijl Jeremia voorspeld had, dat het juk van de koning van Babel nog zwaarder zou worden en dat de vaten en de gevangenen niet zouden terugkeren dan na 70 jaar, vers 2-4. Wanneer wij nu deze voorgewende profetie lezen, en die vergelijken met de boodschappen, die God door de ware profeten zond, kunnen wij opmerken wat een groot verschil er tussen is. Hier is niets van de geest en het leven, de majesteit van stijl en verhevenheid van uitdrukking, die te vinden zijn in de redenen van Gods profeten, niets van die goddelijke vlam en aanblazing. Maar wat hier vooral ontbreekt, is een stemming van vroomheid, hij spreekt met groot vertrouwen in de terugkeer van de voorspoed, maar geen woord van goede raad wordt hun hier gegeven om berouw te hebben, en zich te verbeteren, en zich tot God te bekeren, te bidden, en Zijn aangezicht te zoeken, opdat zij voorbereid mogen worden voor de gunsten, die God voor hen gereed hield. Hij belooft hun in Gods naam tijdelijke zegeningen, maar maakt geen melding van die geestelijke zegeningen, die naar Gods herhaalde belofte er altijd mee gepaard gaan, als in Hoofdstuk 24:7 "Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen." Uit dit alles blijkt, dat, wat hij ook voorwendde, hij slechts "de geest van de wereld had, en niet de Geest die uit God is," 1 Corinthiers 2:12, dat zijn doel was om te behagen, en niet om te stichten.
II. Jeremia's antwoord op deze voorgewende profetie.
1. Hij wenst van harte, dat ze waar mag blijken. Zoveel genegenheid heeft hij voor zijn land, en zo oprecht verlangt hij, dat het voorspoedig zal zijn, dat hij tevreden zou zijn de blaam te dragen van een valse profeet te zijn, als daarrnede zijn ondergang voorkomen kon worden. Hij zei: Amen, de Heere doe alzo! De Heere bevestige uw woorden, vers 5, 6. Dit was niet de eerste maal, dat Jeremia voor zijn volk had gebeden, ofschoon hij tegen hen had geprofeteerd, en de oordelen verbeden, die hij toch zeker wist, dat komen zouden, zoals Christus bad: "Mijn vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan," terwijl Hij toch wist, dat hij niet van Hem voorbij moest gaan. Hoewel hij als een trouw profeet de verwoesting van Jeruzalem voorzag en voorspelde, toch bad hij, als een trouw Israëliet ernstig voor het behoud ervan, in gehoorzaamheid aan het gebod: "Bidt om de vrede van Jeruzalem." Ofschoon God wil, dat Zijn bedoeling de regel zal zijn van profetie en geduld, wil Hij toch, dat Zijn voorschrift de regel zal zijn van gebed en praktijk. God zelf verlangt de dood van de zondaars niet, al heeft Hij er toe besloten, maar wil, "dat alle mensen zalig worden." Jeremia kwam dikwijls voor zijn volk tussenbeide, Hoofdstuk 18:20. De valse profeten dachten zichzelf bij het volk aangenaam te maken door het vrede te beloven, nu toont de profeet, dat hij hun een even goed hart toedroeg als hun profeten, waarvan zij zoveel hielden, en hoewel hij geen volmacht had van God, om hun vrede te beloven, toch verlangde hij het ernstig en bad er voor. Hoe zonderling verdwaasd waren zij, om lief te hebben, die hun het grootst denkbare kwaad deden door hen te vleien, en hem te vervolgen die hun de grootst denkbaren dienst bewees door als hun bemiddelaar op te treden. Zie Hoofdstuk 27:18.
2. Hij beroept zich op de afloop, om de valsheid te bewijzen, vers 7-9. De valse profeten berispten Jeremia, zoals Achab Micha deed, omdat hij niets goeds, maar kwaad profeteerde over hen. Nu betoogt hij, dat het de inhoud van de profetieën was geweest, van andere profeten, zodat men het niet als iets vreemds moest beschouwen, of als iets, dat zijn zending twijfelachtig maakte want van ouds profeteerden profeten "tegen vele landen en grote koninkrijken", zo stoutmoedig waren zij in `t overbrengen van de boodschappen, die God door hen zond, en zo verre er vandaan om mensen te vrezen, of om te zoeken hun te behagen, zoals Hananja deed. Zij zagen er geen bezwaar in, zo min als Jeremia, om te dreigen met oorlog, hongersnood en pestilentie, en wat zij zeiden werd beschouwd als van God te komen, waarom moest Jeremia dan uit de weg geruimd worden "als een pest, als één, die oproer verwekt," terwijl hij niet anders predikte dan Gods profeten altijd voor hem gedaan hebben? Andere profeten hadden verwoesting voorspeld, en soms kwam de verwoesting niet, wat toch geen bewijs was tegen hun goddelijke zending, als in het geval van Jona, want God is genadig, en bereid Zijn toorn af te keren van hen, die zich van hun zonden afkeren. Maar de profeet, die vrede en voorspoed voorspelt, vooral zo als Hananja het deed, volstrekt en onvoorwaardelijk, zonder toevoeging van die noodzakelijke voorwaarde, dat zij niet door hardnekkige zonde hun eigen toegang versperren en de stroom van Gods gunsten tegenhouden, zal slechts dan een waar profeet blijken te zijn, als zijn voorstelling in vervulling gaat: "als het woord van die profeet komt, dan zal die profeet bekend worden, dat hem de Heere in van de waarheid gezonden heeft," maar zo niet, dan zal hij een bedrieger en een leugenaar blijken te zijn.