1 Thessalonicenzen 1:2-5
I. De apostel begint met dankzegging aan God. Daar hij vermelden wil de dingen, die voor hem een reden van blijdschap waren, en zeer prijzenswaardig in hen en grotelijks in hun voordeel, kiest hij daarvoor den weg van dankzegging aan God, die de bewerker is van alle goed, dat tot ons komt of te eniger tijd door ons verricht wordt. God is het voorwerp van alle godsdienstige verering, aanbidding of dankzegging. En dankzegging aan God is een grote plicht, die altijd en voortdurend vervuld moet worden. Ook wanneer wij God niet letterlijk met woorden dankzeggen, moeten wij een dankbaar gevoel voor Gods goedheid in onze harten hebben. Dankzegging moet dikwijls herhaald worden, en niet alleen moeten wij dankbaar zijn voor de gunsten, die wij zelven ontvangen, maar ook voor de zegeningen aan anderen geschonken, aan onze medemensen en mede-Christenen. De apostel zegt dank niet alleen voor hen, die zijn bijzondere vrienden of die bijzonder door God gezegend waren, maar voor allen.
II. Hij voegt gebed bij zijn dankzegging. Wanneer wij in enige zaak door gebeden en smekingen onze begeerten aan God kenbaar maken, moeten wij daar dankzegging bijvoegen, Filippenzen 4:6. En wanneer wij voor enige zegening dankzeggen, moeten wij er gebed bijvoegen. Wij moeten altijd en zonder ophouden bidden, niet alleen voor ons zelven maar ook voor anderen, voor onze vrienden, en hen noemen in onze gebeden. Soms kunnen wij hun namen noemen en wij moeten melding maken van hun lot en toestand, tenminste hun weg en toestand moeten ons voor de aandacht staan en wij moeten die zonder ophouden gedenken. En gelijk er veel is waarvoor wij, voor ons zelven of voor onze vrienden, hebben te danken, zo is er veel gelegenheid voor aanhoudend gebed om nieuwe gaven.
III. Hij vermeldt in bijzonderheden waarom hij zo dankbaar is. En wel:
1. De zaligmakende zegeningen hun geschonken. Deze waren de grond en reden van zijn dankzegging.
A. Hun geloof en het werk huns geloofs. Hij zegt hun dat hun geloof luidbaar was in alle plaatsen, vers 8. Dat is de oorspronkelijke genade, en hun geloof was waar en levend, want het was een werkend geloof. Waar een waarachtig geloof is, daar zal het werkzaam zijn en invloed hebben op hart en leven, het zal ons aandrijven om te werken voor God en voor onze eigen zaligheid. Wij hebben vertroosting van ons eigen geloof en van dat van anderen, wanneer wij het werk des geloofs bewerken.
Toon mij uw geloof uit uwe werken, Jakobus 2:18.
B. Hun liefde en den arbeid der liefde. Liefde is een van de voornaamste genaden, zij is ons in dit leven van groot nut en zal in het volgende leven blijven en volkomen worden. Geloof werkt door liefde, het openbaart zich in de uitoefening van liefde tot God en tot onze naasten, gelijk liefde zich tonen zal in arbeid, zij zal de moeiten en bezwaren aan onze belijdenis verbonden, gaarne dragen.
C. Hun hoop en de verdraagzaamheid van die hoop. Wij zijn in hope zalig. De hoop wordt vergeleken bij den helm van den krijgsman en het anker van den zeevaarder, en is ons van groot nut in tijden van gevaar. Waar een wèlgegronde hoop op het eeuwige leven is, daar zal ze zich openbaren in verdraagzaamheid, in het geduldig dragen van de bezwaren van den tegenwoordigen tijd en een lijdzaam wachten op de heerlijkheid, die geopenbaard zal worden. Want indien wij hopen hetgeen wij niet zien, zo verwachten wij het met lijdzaamheid, Romeinen 8:25.
2. De apostel vermeldt niet alleen deze drie grote gaven, geloof, hoop en liefde, maar evenzo spreekt over:
A. Het voorwerp en den oorsprong van deze genaden, namelijk onzen Heere Jezus Christus.
B. Van hun oprechtheid: voor God onzen Vader. De grote beweegreden voor oprechtheid is de wetenschap, dat Gods oog altijd op ons rust, en het is een teken van onze oprechtheid, wanneer wij tonen dat wij in alles Gode welbehaaglijk wensen te zijn, en dat ons recht is wat in Gods ogen recht is. Dan zijn het werk des geloofs, de arbeid der liefde en de verdraagzaamheid der hoop oprecht, wanneer ze geschieden als onder Gods oog.
C. Hij noemt de bron, waaruit deze genaden vloeien, namelijk Gods verkiezende liefde.
Wetende, geliefde broeders, uwe verkiezing van God, vers 4. Hij gaat terug tot den oorsprong van den stroom, en die is Gods eeuwige verkiezing. Sommigen verstaan onder deze verkiezing enkel hun tijdelijke afzondering van de ongelovige Joden en heidenen, door hun bekering, maar die geschiedde toch naar het voornemen desgenen, die alle dingen werkt naar den raad van Zijnen wil, Efeziërs 1:11. Sprekende van hun verkiezing noemt hij hen: geliefde broeders, want de oorsprong van de broederschap der Christenen en van de betrekking, die zij op elkaar hebben, is hun verkiezing. En er is een goede reden, waarom wij elkaar moeten liefhebben, in gelegen, want wij zijn allen geliefden Gods, en werden door Hem in Zijnen raad geliefd alvorens in ons nog iets was om lief te hebben. De verkiezing van de Thessalonicenzen was aan den apostel bekend, en daarom mocht zij hun zelven bekend zijn, en dat wel door haar vruchten en uitwerkselen, hun oprecht geloof en hoop en liefde, door de gezegende verkondiging van het Evangelie onder hen. Merk op:
a. Allen, die in de volheid des tijds werkelijk geroepen en geheiligd worden, waren van eeuwigheid verkoren tot zaligheid.
b. De verkiezing Gods is naar Zijn welbehagen en genade, en niet om enige verdiensten onzerzijds werden wij verkozen.
c. De verkiezing Gods wordt aan de vruchten kenbaar.
d. Wanneer wij God dankzeggen voor Zijne genade, ons en anderen bewezen, moeten wij opgaan tot de bron, en God danken voor Zijn verkiezende liefde, die ons onderscheiden heeft.
3. Een andere reden voor des apostels dankzegging is gelegen in den zegen op zijne bediening onder hen. Hij was dankbaar zowel om hunnentwil, als om zijnentwil, dat hij niet vergeefs onder hen gewerkt had. Hij had daarin het zegel en bewijs van zijn apostelschap, en grote aanmoediging in zijn werk en lijden. Hun gewillige aanneming en naleving van het door hem verkondigde Evangelie was een bewijs, dat zij door God verkoren waren. Daardoor wist hij hun verkiezing. Het is waar, dat hij in den derden hemel geweest was, maar daar had hij niet de dingen der eeuwigheid doorzocht of hun verkiezing gevonden, die kende hij aan de vruchten van het Evangelie onder hen, vers 5, en hij nam dat met dankbaarheid aan.
A. Het Evangelie was dus tot hen gekomen niet alleen in woorden, maar in kracht, zij hadden niet alleen de klank er van aangehoord, maar zich ook aan zijn invloed onderworpen. Het streelde niet alleen hun oor en prikkelde hun verbeelding, het vulde niet voor een poos hun hoofden met stellingen en hun zielen met aangename aandoeningen, maar het bewerkte hun harten, een goddelijke macht ging er van uit, die hun gewetens overtuigde en hun leven veranderde. Hieraan kunnen wij onze verkiezing van God weten, dat wij niet enkel over de goddelijke dingen spreken als papegaaien, maar den invloed van die dingen in onze harten gevoelen, waardoor onze lusten gedood en wij der wereld gespeend en voor hemelse dingen opgewekt worden.
B. Het kwam in den Heiligen Geest, dat is: met de machtige werking van den goddelijken Geest. Waar ook het Evangelie met kracht komt, daar geschiedt dat door de werking des Heiligen Geestes, en indien de Geest Gods niet het Woord Gods vergezelt om het door zijne macht werkzaam te maken, dan zal het laatste voor ons een dode letter blijven. En de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
C. Het Evangelie kwam tot hen in vele verzekerdheid. Zij onderhielden het dus door de macht des Heiligen Geestes. Zij waren volkomen overtuigd van de waarheid ervan, en werden dus niet gemakkelijk geschokt door tegenwerpingen en twijfelingen, zij waren gewillig om alles voor Christus te verlaten en hun zielen en eeuwige zaligheid alleen toe te vertrouwen aan de waarachtigheid der openbaring van het Evangelie. Het Woord was hun niet, gelijk de gevoelens van sommige wijsgeren, een zaak van twijfelachtige bespiegeling, maar het voorwerp van hun geloof en de grond van hun verzekerdheid. Hun geloof was een bewijs der dingen, die zij niet zagen. De Thessalonicenzen wisten dus welke mensen de apostel en zijne medearbeiders waren, wat zij om hunnentwille gedaan hadden en met welk gevolg.