Hooglied 6:4-10
Nu moeten wij veronderstellen dat Christus genadig tot Zijn bruid is weergekeerd, van wie Hij zich had teruggetrokken, weergekeerd om met haar te spreken, en haar vreugde en blijdschap te doen horen, weergekeerd om haar gunst te bewijzen, al haar onvriendelijkheid vergeten en vergeven hebbende, want Hij spreekt met grote tederheid en achting tot haar.
I. Hij verklaart, dat zij waarlijk beminnelijk is, vers 4 : Gij zijt schoon, mijn vriendin! gelijk Thirza, een stad in de stam van Manasse, welker naam aangenaam betekent, of behaaglijk, haar ligging was waarschijnlijk zeer gunstig, en haar gebouwen schoon en evenredig, gij zijt lieflijk als Jeruzalem, een stad, die wel samengevoegd is, Psalm 122:3, en die Salomo gebouwd en verfraaid had, de vreugde van de gehele aarde, het was een eer voor de wereld hetzij zij dit al of niet dachten dat er zo'n stad in was. Het was de heilige stad, en dat was er de grootste schoonheid van, en gevoegelijk wordt de kerk bij haar vergeleken, want zij was er door voorgesteld en afgeschaduwd. De evangeliekerk is het Jeruzalem, dat boven is, Galaten 4:26, het hemelse Jeruzalem. Hebreeën 12:22, God heeft er Zijn heiligdom in, en Hij is er in bijzondere zin tegenwoordig, vandaar komt Hem de schatting van lof, het is Zijn rust tot in eeuwigheid, en daarom is zij de bruid lieflijk als Jeruzalem, en dit ziende, is zij verschrikkelijk als slagorden met banieren. De censuur van de kerk, behoorlijk toegepast, vervult het geweten van de mensen met ontzag, het woord de wapens van haar strijd werpt de overleggingen terneder. 2 Corinthiers 10:5, en zelfs een ongelovige wordt overtuigd en geoordeeld door de plechtigheid van de heilige inzettingen, 1 Corinthiers 14:24, 25. Door het geloof overwinnen de heiligen de wereld, 1 Johannes 5:4, ja evenals Jakob, overmogen zij bij God, Genesis 32:28.
II. Hij bekent Zijn liefde voor haar, vers 5. Hoewel Hij voor een klein ogenblik en in een geringe toorn Zijn aangezicht voor haar verborgen had, vergadert hij haar met verrassende voorbeelden van eeuwige goedertierenheid, Jesaja 54:8. "Wend Uwe ogen tot mij, zo lezen het sommigen, Wend de ogen van geloof en liefde tot mij, want zij hebben mij opgeheven, zie op Mij en word vertroost." Als wij tot God roepen, om het oog van Zijn gunst op ons te richten, dan roept Hij tot ons om het oog onder gehoorzaamheid op Hem te richten. Wij lezen het als een vreemde uitdrukking van liefde: "Wend Uw ogen van Mij af, want Ik kan er de glans, de schittering niet van dragen, zij hebben Mij overweldigd, er is nu bij Mij overmocht om al het voorgevallene voorbij te zien," zoals God tot Mozes zei, toen hij voor Israël bad: Laat Mij, Exodus 32:10. Laat Mij, of Ik moet toegeven. Het behaagt Christus om zich van deze uitdrukkingen van vurige liefde te bedienen, om de tederheid uit te drukken van een meedogende Verlosser en Zijn verlustiging in de verlosten en in de werkingen van Zijn eigen genade in hen.
III. Hij herhaalt bijna woord voor woord een deel van de beschrijving. die Hij had gegeven van haar schoonheid, Hoofdstuk 4:1-3 haar haar, haar tanden, haar slapen, vers 5-7 niet omdat Hij haar niet in andere woorden beschreven kon hebben en door andere beelden of vergelijkingen, maar om te tonen dat Hij nog dezelfde achting voor haar had na haar onvriendelijkheid jegens Hem en Zijn zich terugtrekken van haar, die Hij tevoren voor haar gekoesterd heeft. Opdat zij niet zou denken dat Hij, hoewel Hij haar niet geheel zou willen verstoten, er toch te erger om zou denken van haar wie Hij haar kende, zegt Hij nu hetzelfde van haar, als Hij gezegd had, want zij, aan wie het is vergeven, zullen temeer liefhebben, en zullen bijgevolg temeer worden bemind, want Christus heeft gezegd: Ik heb lief die Mij liefhebben. Hij heeft behagen in Zijn volk, niettegenstaande hun zwakheid, als zij er oprecht berouw van hebben en terugkeren tot hun plicht, en Hij prijst hen, alsof zij reeds tot volmaaktheid waren gekomen. IV. Hij geeft haar de voorkeur bovenal haar mededingsters, en ziet al de schoonheden en volmaaktheden van anderen samenkomen en zich concentreren in haar. vers 8, 9. "Er zijn misschien, zestig koninginnen, die, evenals Esther door haar schoonheid tot de koninklijke waardigheid zijn gekomen, en tachtig bijvrouwen, aan wie koningen de voorkeur hebben gegeven boven hun eigen koninginnen, als zijnde meer bekoorlijk, en deze vergezeld door haar staatsjonkvrouwen, maagden zonder getal, die, als er een bal aan het hof is, verschijnen in grote pracht, met een schoonheid, die de ogen verblindt van de toeschouwers, maar mijn duif, mijn volmaakte, is een enige, een heilige."
1. Zij overtreft ze allen. Ga heen door de gehele wereld en beschouw de gezelschappen of verenigingen, van mensen, die zich wijs en gelukkig achten, koninkrijken, hoven, senaten, raadsvergaderingen, of welke corporatie gij van waarde acht te zijn, geen van allen is te vergelijken bij de kerk van Christus, hun eer en hun schoonheid zijn, bij haar vergeleken, niets. O Israël, wie is u gelijk? Deuteronomium 33, 29, 4:6, 7.
Er zijn afzonderlijke personen, als meisjes zonder getal, die beroemd zijn om hun gaven en talenten, de schoonheid van hun taal, hun wijze van spreken, hun verrichtingen, maar de schoonheid van de heiligheid gaat alle andere schoonheid te boven. "Mijn duif, mijn volmaakte is een enige, zij heeft die enige schoonheid, dat zij een duif is, een volmaakte duif, en de mijne, en dat maakt dat zij de koninginnen en maagden overtreft, al zijn die ook nog zovelen in getal."
2. Zij bevat die allen. "Andere koningen hebben vele koninginnen en bijvrouwen en maagden, in wier omgang en gesprekken zij behagen hebben, maar Mijn duif, Mijn volmaakte is die allen voor mij, in die éne heb Ik meer dan zij in al de hunnen hebben." Of, "Hoewel er vele afzonderlijke kerken zijn, sommigen van grote waardigheid, anderen van mindere waardigheid, sommigen van ouderen, anderen van jongeren datum, en vele particuliere gelovigen, van verschillende gaven en talenten, sommigen van grote uitnemendheid, maar die allen tezamen vormen slechts een algemene kerk, zij zijn allen delen van dat geheel, en dat is Mijn duif, Mijn volmaakte." Christus is het middelpunt van de eenheid van de kerk, al de kinderen Gods, die verstrooid zijn, worden door Hem bijeen vergaderd, Johannes 11:52 en ontmoeten elkaar in Hem, Efeziers 1:10, en allen zijn zij zijn duiven.
V. Hij toont hoezeer zij geacht was, niet alleen door Hem, maar door allen, die met haar bekend zijn, en in betrekking tot haar staan. Het zal nog toevoegen aan haar lof om te zeggen:
1. Dat zij de lieveling is van haar moeder, zij had datgene in zich, dat haar zeer bijzonder aanbeval in de liefde van haar ouders zoals van Salomo zelf gezegd werd dat hij teder was en een enige voor het aangezicht van zijn moeder Spreuken 4:3, en zo was zij de enige van haar moeder, zo dierbaar alsof zij een enige was, en zo er nog vele anderen waren, was zij toch de zuivere, degene die haar lief had, voortreffelijker dan al de gezelschappen of verenigingen van mensen, die de wereld heeft opgeleverd. Al de koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid zijn in de schatting van Christus niets in vergelijking met de kerk, die samengesteld is uit de voortreffelijken van de aarde de kostelijke kinderen van Zion, te vergelijken bij dicht goud, en meer uitnemend dan hun naburen.
2. Dat zij bewonderd werd door al haar bekenden, niet alleen door de dochters, die jonger waren dan zij, maar zelfs door de koninginnen en de bijvrouwen, die reden konden hebben om ijverzuchtig op haar te zijn als een mededingster, zij allen zegenden haar, wensten het goede voor haar, prezen haar, en spraken goed van haar. De dochters van Jeruzalem noemden haar de schoonste onder de vrouwen, allen kwamen overeen om haar de voorrang toe te kennen in schoonheid, en iedere schoof boog zich voor de hare. Zij, die enig besef hebben van de dingen, kunnen niet anders dan in hun geweten ervan overtuigd zijn wat zij ook mogen zeggen dat godvruchtige mensen voortreffelijke mensen zijn, velen zullen aan hen hun goed woord geven, ja meer, ook hun goede wil. Jezus Christus neemt nota van hetgeen de mensen denken en zeggen van Zijn kerk, en Hij heeft een welbehagen in hen, die degenen eren, die de Heer vrezen, en Hij duidt het hun ten kwade, die hen verachten inzonderheid als zij zich onder een wolk bevinden, die een van deze kleinen ergeren.
Vl. Hij wijst op de lof, die haar gegeven werd, en maakt hem tot de Zijne, vers 10. Wie is zij, die er uitziet als de dageraad? Dit is van toepassing beide op de kerk in de wereld en op genade in het hart.
1. Zij zijn lieflijk als het licht, het schoonste van alle zichtbare dingen, christenen zijn, of behoren te zijn, de lichten van de wereld. De patriarchale kerk zag uit als de dageraad, toen de belofte van de Messias het eerst bekend gemaakt werd en de opgang uit de hoogte deze duistere wereld bezocht. De Joodse kerk was schoon als de maan, de ceremoniële wet was een onvolkomen licht, zij scheen door terugkaatsing, zij had veranderingen als de maan, heeft geen dag gemaakt, en de Zon van de gerechtigheid was nog niet opgegaan, maar de christelijke kerk is zuiver als de zon, vertoont een groot licht voor hen, die in duisternis gezeten zijn. Of, wij kunnen het toepassen op het rijk van de genade, het evangeliekoninkrijk.
a. In zijn opkomst ziet het uit als de dageraad na een donkere nacht, het is ontdekkend, Job 38:12, 13, en zeer aangenaam, ziet er lieflijk uit als een heldere morgenstond, maar het is klein in zijn begin, en in het eerst nauwelijks merkbaar.
b. In deze wereld is het op zijn best slechts schoon als de maan, die schijnt met een ontleend licht, en haar wisselingen heeft en haar verduisteringen, en ook haar vlekken, en, als zij vol is, slechts heerst bij nacht. Maar
c. Als het volmaakt is in het rijk van de heerlijkheid, dan zal het zuiver zijn als de zon, de kerk bekleed met de zon, met Christus, als de zon van de gerechtigheid, Openbaring 12:1. Zij, die God liefhebben, zullen dan wezen als de zon, als zij opgaat in haar kracht, Richteren 5:31, Mattheus 13:43, zij zullen blinken in onuitsprekelijke heerlijkheid, en hetgeen volmaakt is zal dan komen, er zal geen duisternis zijn, geen vlekken, Jesaja 30:26.
2. De schoonheid van de kerken van de gelovigen is niet slechts lieflijk, maar ook ontzaglijk, als slagorden met banieren. De kerk is in deze wereld als een leger, als Israëls leger in de woestijn, haar toestand is een toestand van strijd, zij is in het midden van vijanden, en in voortdurende strijd met hen. Gelovigen zijn krijgsknechten in dit leger. Het heeft zijn banieren, het evangelie van Christus is een opgerichte banier, Jesaja 11:12, de liefde van Christus, Hoofdstuk 2:4. Het wordt aangevoerd en in orde gehouden onder tucht, het is schrikkelijk voor zijn vijanden, zoals Israël het was in de woestijn, Exodus 15:14. Toen Bileam Israël gelegerd zag naar zijn stammen bij hun standaarden en met ontrolde banieren, zei hij: Hoe goed zijn uw tenten, o Jakob! Numeri 24:5. Als de kerk haar reinheid bewaart, dan verzekert zij naar eer en overwinning, als zij schoon is als de maan en zuiver is als de zon, dan is zij in waarheid groot en geducht.