Hooglied 5:9-16
I. Hier is de vraag, die de dochters van Jeruzalem deden aan de bruid betreffende haar liefste, in antwoord op de opdracht, die zij haar had gegeven, vers 9.
Merk op:
1. De eerbiedige benaming, die zij aan de bruid geven: o gij schoonste onder de vrouwen. Onze Heer Jezus maakt Zijn bruid in waarheid beminnelijk, niet slechts in Zijn eigen ogen, maar in de ogen van al de dochters van Jeruzalem. De kerk is de voortreffelijkste maatschappij of gemeenschap in de wereld, de gemeenschap van de heiligen is de beste gemeenschap, en de schoonheid van het heiligdom is een alles overtreffende schoonheid, de heiligen zijn de voortreffelijkste mensen, heiligheid is de symmetrie van de ziel, zij is haar overeenkomst met zichzelf, zij beveelt zich aan bij allen, die er bevoegde beoordelaars van zijn, zelfs zij, die weinig bekendheid hebben met Christus, zoals deze dochters van Jeruzalem hier, kunnen niet anders Jan een lieflijke schoonheid zien in hen, die Zijn beeld dragen, dat wij moeten liefhebben overal waar wij het zien, al is het ook in verschillend gewaad.
2. Haar vraag betreffende haar liefste: Wat is uw liefste meer dan een ander liefste? Als gij wilt dat wij hem voor u zullen vinden, geef ons zijn kenmerk, waaraan wij hem kunnen herkennen als wij hem zien.
A. Sommigen houden het voor een lichtvaardige vraag, haar afkeuring van haar te kennen gevende omdat zij zoveel beweging om hem maakt. "Waarom zijt gij toch zo vurig en hartstochtelijk in uw vragen naar uw liefste, meer dan anderen naar haar liefste? Waarom zijt gij zo op hem gesteld, meer dan anderen die genegenheid voor hem hebben?" Zij, die ijverig zijn in de godsdienst, zijn mensen over wie zij, die er onverschillig voor zijn, zich verbazen. De vele zorgelozen lachen om de weinigen, die bezorgd en ernstig zijn. "Wat is er in hem, dat zo bekoorlijk is meer dan in een ander? Als hij weggegaan is, dan zult gij, die de schoonste zijt onder de vrouwen, wel spoedig een ander hebben." Vleselijkgezinde harten zien niets voortreffelijks of buitengewoons in de Heer Jezus, in Zijn persoon of Zijn ambten, in Zijn leer of in Zijn gunsten, alsof er in de kennis van Christus en in gemeenschap met Hem niets meer was dan in de kennis van de wereld en in de omgang met haar.
B. Anderen beschouwen het als een ernstige vraag en veronderstellen dat zij, die haar deden bedoeld hebben:
a. De bruid te vertroosten die, naar zij wisten, nieuwe moed zou vatten, zo zij slechts voor een tijd van haar liefste kon spreken, niets zou haar meer genoegen doen, niets kon haar zo sterk een afleiding geven in haar smart dan de aangename taak om de schoonheden van haar liefste te beschrijven.
b. Om zelf inlichtingen te verkrijgen, zij hadden gehoord in het algemeen dat Hij voortreffelijk en heerlijk was, maar zij verlangen er meer bijzonderheden van te weten. Zij vragen zich verwonderd af wat de bruid ertoe bewoog om haar met zoveel vurigheid en ijver te bezweren nopens haar liefste, en zij komen tot de gevolgtrekking dat er in Hem meer moet wezen dan in een andere liefste, en zij willen hiervan gaarne overtuigd worden. Men kan beginnen hoop te koesteren voor mensen, als zij beginnen naar Christus te vragen en naar Zijn alles overtreffende schoonheid en volmaaktheden. En soms kan de buitengewone ijver waarmee een persoon naar Christus vraagt een middel wezen om er velen toe op te wekken, 2 Corinthiers 9:2, zoals de apostel door het geloof van de heidenen de doden tot een heiligen wedijver wilde opwekken, Romeinen 11:14. Zie Johannes 4:10.
II. De beschrijving, die de bruid geeft van haar liefste in antwoord op deze vraag. Wij moeten altijd bereid wezen om hen, die naar Christus vragen, te onderrichten en te helpen. Ervaren christenen, die zelf goed bekend zijn met Christus, moeten alles doen wat zij kunnen om anderen met Hem bekend te maken.
1. Zij verzekert haar in het algemeen dat Hij iemand is van onvergelijkelijke volmaaktheden en ongeëvenaarde waarde, vers 10. Kent gij mijn liefste niet? Kunnen de dochters van Jeruzalem onbekend zijn met Hem, die Jeruzalems kroon is, haar gekroond Hoofd is? Laat mij u dan zeggen:
A. Dat Hij alles in zich heeft wat lieflijk en beminnelijk is: Mijn liefste is blank en rood, de kleuren, die een volkomen schoonheid vormen. Dit duidt niet op enigerlei buitengewone schoonheid van Zijn lichaam, als hij mens geworden zal zijn. Er is nooit van het kind Jezus gezegd wat van het kind Mozes gezegd werd toen hij geboren was, namelijk dat hij uitnemend schoon was, Handelingen 7:20 neen, Hij had geen gedaante noch heerlijkheid, Jesaja 53:2, maar Zijn goddelijke heerlijkheid en de samenwerking van alles in Hem als Middelaar maken Hem in waarheid beminnelijk in de ogen van hen, die verlicht zijn om geestelijke dingen te onderscheiden. In Hem kunnen wij de lieflijkheid des Heeren aanschouwen, Hij was het heilig kind Jezus, dat was Zijn schoonheid. Als wij op Hem zien als ons geworden zijnde tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing dan blijkt Hij in alles zeer beminnelijk te zijn. Zijn liefde jegens ons maakt Hem beminnelijk, Hij is blank in de vlekkeloze onschuld van Zijn leven, rood in het bloedige lijden, waar Hij door heengegaan is bij Zijn dood, blank in Zijn heerlijkheid als God (toen Hij van gedaante veranderd werd waren Zijn klederen wit als het licht), rood in Zijn aannemen van de menselijke natuur Adam rode aarde, blank in Zijn tederheid jegens Zijn volk, rood in Zijn ontzaglijke verschijning tegen Zijn en hun vijanden.
B. Dat Hij die beminnelijkheid in zich heeft die in niemand anders gevonden wordt. Hij is de voornaamste onder tien duizend, vers 10, ongeëvenaard voor schoonheid, schoner dan de mensenkinderen, dan iemand hunner, dan zij allen, er is niemand Hem gelijk, niemand kan bij Hem vergeleken worden, in vergelijking met Hem moeten alle dingen schade en drek geacht worden, Filipp. 3:8, Hebreeën 1:4. Hij is de banierdrager boven tien duizend, zo luidt het oorspronkelijke, de grootste en schoonste van het gezelschap. Hijzelf is een opgerichte banier, Jesaja 11:10, tot welke wij vergaderd moeten worden, en die wij altijd op het oog moeten hebben. En er is alle reden waarom Hij de binnenste en de bovenste plaats moet hebben In onze ziel, die de schoonste is onder tien duizend in zichzelf, en de schoonste onder twintig duizend voor ons.
2. Zij geeft een nauwkeurige opgave van Zijn volkomenheden, verbergt Zijn macht of schone evenredigheid niet, alles in Christus is beminnelijk. Tien voorbeelden noemt zij hier van Zijn schoonheid. Haar bedoeling in het algemeen is aan te tonen, dat Hij in ieder opzicht geschikt is voor Zijn onderneming, en alles in zich heeft, dat Hem kan aanbevelen in onze achting, liefde en vertrouwen. Christus' verschijning aan Johannes, Openbaring 1:13 en verv, kan vergeleken worden met de beschrijving, die de bruid hier van Hem geeft, beider strekking is Hem voor te stellen als alles overtreffende in heerlijkheid, dat is: dat Hij beide groot en lieflijk is, beminnelijk in de ogen van de gelovigen, en deze gelukkig makende in Hem. A. Zijn hoofd is van het fijnste goud. Het hoofd van Christus is God, 1 Corinthiers.11. 3, en aan de heiligen is beloofd dat de Almachtige hun goud zal zijn, Job 22:25, hun bescherming, hun schat, en nog veel meer was Hij dit voor Christus, in wie al de volheid van de Godheid lichamelijk woont, Coloss. 2:9. Christus' hoofd wijst op Zijn soevereine heerschappij over allen en Zijn levenwekkende invloeden op Zijn kerk en al haar leden, dit is als goud, goud, het vorige woord betekent blinkend goud, het laatste sterk, dicht goud. Christus' soevereiniteit is beide schoon en machtig. Nebukadnezars monarchie wordt vergeleken bij een gouden hoofd, Daniël 2:38, omdat zo alle andere monarchieën overtrof, en dat doet ook Christus' regering.
B. Zijn haarlokken zijn gekruld en zwart niet zwart als de tenten Kedars, wier zwartheid haar mismaaktheid was, bij welke daarom de kerk zichzelf vergelijkt, Hoofdstuk 1:5, maar zwart als een raaf, wier zwartheid haar schoonheid is. Soms wordt Christus' haar voorgesteld als wit, Openbaring 1:14, wijzende op Zijn eeuwigheid, dat Hij is de Oude van dagen maar hier als zwart en gekruld, aanduidende dat Hij eeuwig jong is, en dat er in Hem geen verval, geen vermolming is, niets dat oud worden kan. Alles aan Christus is beminnelijk in de ogen van de gelovige, zelfs Zijn haar is dit, het was jammer dat het nat zou zijn, zoals toen het vervuld was met dauw, met de nachtdruppen, terwijl Hij wachtte om genadig te zijn, vers 2.
C. Zijn ogen zijn als die van de duiven, schoon en helder en kuis, en vriendelijk, bij de waterstromen, waar duiven zich in verlustigen, en waarin zij zich zien als in een spiegel. Zij zijn gewassen om ze helder te maken, met melk gewassen, om ze wit te maken, en bekwamelijk gezet, noch uitpuilende, noch ingezonken. Christus is te rein van ogen, dan dat Hij het kwade zou zien, want het zijn duivenogen, Habakuk 1:13. Alle gelovigen spreken met welbehagen van Christus' alwetendheid, zoals de bruid hier van Zijn ogen, want hoewel zij schrikkelijk zijn voor Zijn vijanden, gelijk een vuurvlam, Openbaring 1:14, zijn zij toch beminnelijk en troostrijk voor Zijn vrienden, als duivenogen, want zij zien hun oprechtheid. Gij weet alle dingen Gij weet dat ik U liefheb. Zalig en heilig zijn zij, die altijd als onder het oog van Christus wandelen.
D. Zijn wangen, de opheffingen van het gelaat, zijn als een bed van specerij, opgehoogd in de tuinen, die er de schoonheid en rijkdom van zijn, als vaten van reukwerk. Er is in het aangezicht van Christus datgene, hetwelk lieflijk is in de ogen van al de heiligen, zelfs in het minste ervan, want de wang is slechts een deel van het aangezicht, de halve ontdekkingen, die Christus doet van zichzelf aan de ziel, zijn opwekkend en verkwikkend, geurig, meer dan de oostelijkste bloemen en reukwerken.
E. Zijn lippen zijn als lelies voor allen, die geheiligd zijn, zoeter dan honing en honingzeem zijn de kussen van Zijn mond, de kussen van Zijn lippen, al de mededelingen van Zijn genade, genade is uitgestort in Zijn lippen, en die Hem hoorden verwonderden zich over de lieflijke woorden, die uit Zijn mond voortkwamen. Zijn lippen zijn als lelies, druppende van vloeiende mirre. Nooit hebben lelies in de natuur mirre gedrupt, maar niets in de natuur kan ten volle de schoonheid en voortreffelijkheid van Christus voorstellen, als het dus bij vergelijking geschiedt, dan moeten de beelden ook in het derde van de vergelijking worden opgevat.
F. Zijn handen zijn als gouden ringen, gevuld met turkoois, een bekend edelgesteente, vers 14. Aanzienlijke personen versierden hun handen door gouden ringen aan hun vingers te steken, gezet met diamanten of andere edelstenen, maar in haar ogen waren Zijn handen zelf als gouden ringen, al de blijken van Zijn macht, de werken van Zijn handen, al de verrichtingen van Zijn voorzienigheid en genade, zijn allen rijk en rein en kostbaar goud als de kostelijke edelsteen en de saffier, alle geschikt gemaakt voor het doel, waartoe zij bestemd waren, als gouden ringen voor de vingers, en allen schoon en zeer gepast, als gouden ringen gevuld met turkoois. Zijn handen, die uitgestrekt zijn, beide om Zijn volk te ontvangen en om hun te geven, zijn aldus rijk en schoon.
G. Zijn ingewand is als blinkend ivoor, want zo moet het overgezet worden, veeleer dan door Zijn buik, want het is hetzelfde woord dat voor ingewand gebruikt werd in vers 4, en het wordt dikwijls toegeschreven aan God. zoals Jesaja 63:15, Jeremia 31:20, en zo geeft het Zijn ontferming te kennen, en Zijn genegenheid voor Zijn bruid, en de liefde, die Hij voor haar koestert zelfs in haar troosteloze en verlaten toestand. Deze Zijn liefde is als blinkend elpenbeen, fraai gepolijst en rijk bewerkt met saffieren. De liefde zelf is sterk en standvastig, en de voorbeelden en omstandigheden ervan zijn schitterend en blinkend, en voegen zeer veel toe aan de onschatbare waarde ervan.
H. Zijn enkels zijn als marmeren pilaren, zo sterk, zo statig, en geen oneer voor de voeten van het dichtste goud, waarop zij gegrond zijn, vers 15. Dit duidt Zijn vastheid en standvastigheid aan, waar Hij Zijn voet zet, zal Hij staan blijven. Hij is instaat om het gewicht te dragen van de heerschappij, die op Zijn schouders is, en Zijn benen zullen nooit onder Hem wankelen, dit stelt de statigheid en pracht voor van de gangen van onze God, onze Koning in het heiligdom, Psalm 68:25, en de gestadigheid en gelijkmatigheid van al Zijn beschikkingen over Zijn volk. De wegen des Heeren zijn recht, zij zijn allen goedertierenheid en waarheid, dat zijn als marmeren pilaren, duurzamer dan de pilaren des hemels.
I. Zijn gestalte Zijn houding en voorkomen is als de Libanon, die statige berg, Zijn voorkomen is schoon en bekoorlijk, zoals het uitzicht van dat aangename woud of park, uitverkoren als de cederen, die in hoogte en kracht andere bomen overtreffen en van uitnemend nut zijn. Christus is een schoon persoon, hoe meer wij op Hem zien, hoe meer schoonheid wij in Hem zien.
J. Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, het is zuivere essence, ja het is de kwintessens van alle genot, vers 16. De woorden van Zijn mond zijn allen lieflijk voor de gelovige, zoet als melk voor kinderen, zoals honing voor volwassenen, Psalm 119:103. Er is in de kussen van Zijn mond, in al de tekenen van Zijn liefde een alles overtreffende zoetheid, die uiterst aangenaam is aan hen, wier geestelijke zintuigen geoefend zijn. U die gelooft is Hij dierbaar.
3. Zij besluit met een volle verzekerdheid van geloof en hoop, en aldus is zij haar ellende teboven gekomen.
A. Hier is een volle verzekerdheid van geloof betreffende de volkomen schoonheid van de Heer Jezus. "Al wat aan Hem is, is geheel begeerlijk. Waarom houd ik mij op met bijzonderheden te noemen, als toch nergens aan Hem een gebrek is?" Zij is zich bewust dat zij Hem onrecht doet in de beschrijving van de bijzonderheden aangaande Hem, en ver achterblijft bij de waardigheid en de verdienste van het onderwerp, en daarom breekt zij af met deze algemene lofspraak van Hem. Hij is in waarheid beminnelijk, Hij is dit geheel en al, er is in Hem niets dan wat beminnelijk is, en er is niets dat beminnelijk is of het wordt in Hem gevonden, alles wat begeerlijk is, is in Hem, en daarom is al haar begeerte tot Hem, en zoekt zij Hem zo zorgvuldig, en kan zij niet tevreden zijn, zo zij Hem niet heeft. Wie kan anders dan Hem liefhebben, die zo lieflijk is?
B. Hier is een volle verzekerdheid van hoop betreffende haar deel in Hem. "Zulk één is mijn liefste, en zo'n is mijn vriend, gij dochters van Jeruzalem, en daarom moet gij u er niet over verwonderen dat ik zo vurig naar Hem verlang." Zie met welk een heilige vrijmoedigheid zij er aanspraak op maakt om tot Hem in betrekking te staan, en met welk een heilig triomferen zij haar betrekking dan tot Hem bekend maakt. Het is het recht van eigendom dat de voortreffelijkheid lieflijk maakt. Christus te zien, maar Hem niet te zien als de onze, zou veeleer een marteling dan een zaligheid zijn, maar Eén te zien, die zo beminnelijk is, en Hem te zien als de onze, dat is een volkomen voldoening. Hier is een waar gelovige:
a. Die zich geheel aan Christus overgeeft: "Hij is de mijne, mijn Heere en mijn God," Johannes 20:28, de mijne volgens de inhoud van het evangelieverbond, de mijne in alle betrekkingen, mij geschonken om alles voor mij te wezen wat mijn arme ziel van node heeft."
b. Een volkomen welbehagen heeft in Christus. Daarvan wordt hier gesproken met triomf.
Deze is het, die ik heb verkoren, en aan wie ik mij heb overgegeven, niemand de Christus, niemand dan Christus, deze is het op wie mijn hart gezet is, want Hij, is mijn liefste, deze is het op wie ik vertrouw en van wie ik alle goed verwacht, want deze is mijn vriend." Zij, die Christus tot hun liefste maken, zullen Hem hebben tot hun vriend. Hij is geweest Hij is, Hij zal zijn de vriend van alle gelovigen. Hij heeft hen lief, die Hem liefhebben en zij die Hem tot hun vriend hebben, hebben reden om in Hem te roemen en met zielsverlustiging van Hem te spreken. "Laat anderen geregeerd worden door liefde tot de wereld, en hun geluk zoeken in haar vriendschap en gunsten, Dit is mijn liefste, en dit is mijn vriend. Anderen mogen doen wat hun behaagt, maar dit is de keus van mijn ziel, de rust van mijn ziel mijn leven, mijn blijdschap, mijn al, deze is het met wie ik begeer te leven en te sterven."