Hooglied 5:2-8
In dit lied van de liefde en van de blijdschap komt hier een zeer treurig toneel voor. De bruid spreekt hier, niet tot haar liefste, (zoals tevoren, want Hij is nu weggegaan), maar van Hem, en het is een treurig verhaal, dat zij doet van haar eigen dwaasheid en haar slecht gedrag jegens Hem, niettegenstaande Zijn goedheid, en van de rechtvaardige bestraffing, waaronder zij deswege is gevallen, het kan wellicht zien op Salomo's eigen afval van God en de treurige uitwerkselen van die afval nadat God in zijn hof was gekomen, bezit had genomen van de tempel, die hij had gebouwd, en hij met God een feestmaal had gehouden op de offeranden, vers 1. Hoe dit zij, het is van toepassing op het maar al te veelvuldig voorkomend geval beide van kerken en van particuliere gelovigen, die door hun zorgeloosheid en vleselijke gerustheid Christus er toe brengen om zich van hen terug te trekken.
Merk op:
I. De ongesteldheid, die over de bruid was gekomen, en de lusteloosheid, die zich van haar had meester gemaakt, vers 2, ik slaap, maar mijn hart waakt.
1. Hier verschijnt het bederf: ik slaap, de wijze maagden sluimerden, zij was in haar bed, Hoofdstuk 3:1, maar nu slaapt zij. Geestelijke krankheden zullen, als er niet dadelijk tegen gestreden wordt, toenemen en veld winnen. Zij sliep, vrome neigingen verkoelden, zij veronachtzaamde haar plicht, zij werd er nalatig in, zij gaf zich toe in gemakzucht, was gerust en niet op haar hoede. Dit is soms de slechte uitwerking van meer dan gewone verruiming-een goede oorzaak. Paulus zelf was in gevaar van opgeblazen te worden door de overvloedige openbaringen, en te zeggen: Ziel, neem rust, hetgeen een doorn in het vlees noodzakelijk voor hem maakte om hem voor insluimeren te behoeden. Christus discipelen waren, toen Hij in Zijn hof was gekomen, de hof van Zijn doodsbenauwdheid, door slaap bevangen en konden niet met Hem waken. Ware Christenen zijn niet altijd even levendig en opgewekt in de Godsdienst.
2. "Genade is evenwel gebleven, mijn hart waakt, mijn eigen geweten doet er mij verwijten om, en houdt niet op van mij op te wekken uit mijn traagheid. De geest is gewillig, en naar de inwendige mens heb ik een vermaak in de wet Gods, welke ik dien met het gemoed. Ik ben voor het ogenblik overweldigd door verzoeking, maar alles gaat niet één weg in mij. Ik slaap, maar het is geen slaap des doods, ik worstel er tegen, het is geen diepe slaap, ik kan niet rustig zijn onder deze ziekte. Wij behoren nota te nemen van onze sluimeringen en krankheden, en er met smart en schaamte aan te denken dat wij in slaap zijn gevallen toen Christus met ons was in de hof. Als wij betreuren wat verkeerd in ons is, dan moeten wij toch het goede niet voorbijzien, dat in ons gewrocht is en in het leven is behouden. Mijn hart waakt in Christus, die mij dierbaar is als mijn eigen hart en mijn leven is, als ik slaap, sluimert noch slaapt Hij."
II. De roepstem, die Christus tot haar liet uitgaan toen zij onder deze ziekte was, het is de stem van mijn liefste, zij wist dat het Zijn stem was, en was er zich spoedig van bewust, hetgeen een teken was dat haar hart waakte. Evenals het kind Samuël hoorde zij op het eerste roepen, maar zij heeft zich niet, zoals hij, vergist in de persoon, zij wist dat het de stem was van Christus. Hij klopt om ons op te wekken om te komen en Hem binnen te laten, klopt door Zijn woord en Geest, klopt door beproevingen en door ons eigen geweten. Hoewel dit niet uitdrukkelijk is aangehaald, wordt er toch waarschijnlijk op gedoeld in Openbaring 3:20 :Zie Ik sta aan de deur en Ik klop Hij roept zondaars in het verbond met Hem en heiligen in gemeenschap met Hem. Hen, die Hij liefheeft, zal Hij niet met rust laten in hun zorgeloosheid, maar Hij zal een middel vinden om hen te doen opwaken, hen te bestraffen en te kastijden. Als wij Christus niet gedachtig zijn, dan denkt Hij aan ons, en voorziet er in dat ons geloof niet zal ophouden. Petrus verloochende Christus, maar de Heer keerde zich om en zag hem aan, en zo bracht Hij hem weer tot zichzelf.
Merk op hoe aandoenlijk de roeping is: Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin.
1. Hij verzoekt, smeekt, om binnengelaten te worden, Hij, die het zou kunnen eisen, en klopt, die gemakkelijk de deur zou kunnen neerwerpen.
2. Hij geeft haar alle mogelijke vriendelijke en liefkozende benamingen. Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duif, Mijn volmaakte. Niet slechts geeft Hij haar geen harde benamingen verwijl Hij haar haar onvriendelijkheid niet om niet voor Hem opgebleven te zijn, maar legt er zich integendeel op toe om nog altijd Zijn tedere liefde voor haar uit te drukken, Zijn goedertierenheid zal Hij van haar niet wegnemen. Op hen, die door het geloof aan Christus ondertrouwd zijn, ziet Hij als Zijn zusters, Zijn vriendinnen, Zijn duiven, en alles wet dierbaar is, en, bekleed zijnde met Zijn gerechtigheid, zijn zij volmaakt. Deze overweging moet haar er toe brengen om Hem open te doen. Christus liefde tot ons moet onze liefde voor Hem opwekken, zelfs in de meest zelfverloochenende gevallen. Doe Mij open. Kunnen wij toegang weigeren aan zo'n vriend, aan zo'n gast? Zullen wij niet meer spreken tot één die onze bekendheid oneindig waard is, en haar zo liefdevol begeert, hoewel wij alleen er door bevoordeeld worden.
3. Hij pleit op verlegenheid, ellende, en vraagt om toegang "sub forma pauperis" als een arme reiziger, die een nachtverblijf nodig heeft. "Mijn hoofd is vervuld met dauw, met de koude nachtdruppen, bedenk welke moeilijkheden en ongemakken Ik verduurd heb om u te verdienen, zodat Ik gewis wel zo klein, zo gering een vriendelijkheid van u kan verdienen, als deze is." Toen Christus met doornen was gekroond doornen, die waarschijnlijk bloed uit Zijn gezegend hoofd deden vloeien, toen was Zijn hoofd vervuld met dauw. Bedenk welk een smart het voor Mij is om zo onvriendelijk behandeld te worden, zoals het voor een teder echtgenoot zou wezen om door zijn vrouw in een regenachtige, stormachtige nacht buiten de deur te worden gehouden." Vergelden wij Hem aldus Zijn liefde? De veronachtzaming, die zorgeloze zielen Jezus Christus aandoen, zijn voor Hem als een gestadig druipen ten dage des slagregens.
III. De verontschuldiging, die zij aanvoert om haar inwilliging van dit verzoek te verschuiven, vers 3. Ik heb mijn rok uitgetogen, hoe zal ik hem weer aantrekken? Zij is half in slaap, zij kent de stem van haar liefste, zij kent Zijn kloppen, maar kan het niet van zich verkrijgen om Hem open te doen zij was ongekleed en wilde zich de moeite niet geven om zich weer aan te kleden, zij had haar voeten gewassen, en wilde niet dat het nodig zou zijn om ze wederom te wassen. Zij kon niemand anders zenden om de deur te openen het moet onze eigen daad zijn om Christus in ons hart te laten komen en toch was zij er afkerig van om zelf te gaan. Zij zei niet: Ik wil niet opendoen, maar hoe zal ik? Beuzelachtige verontschuldigingen zijn de taal van overheersende traagheid in de Godsdienst. Christus roept ons om Hem open te doen, maar wij zeggen dat wij er geen zin in hebben, of dat wij er de kracht niet toe hebben, of dat wij geen tijd hebben, en daarom denken wij dat wij wel voor verontschuldigd gehouden kunnen worden, zoals de luiaard, die niet wilde ploegen omdat het koud was. En als zij, die behoorden uit te zien naar de komst des Heeren hun lenden omgord hebbende, zich ontgorden en hun rok uittrekken, dan zullen zij bevinden dat het moeilijk is bij hun vorig besluit te blijven, de rok weer aan te trekken, het is dus het best om hem aan te houden. Verontschuldigingen te maken, Lukas 14:18, wordt opgevat en verklaard als een geringachten van Christus, Mattheus 22:5, en dat is het ook. Diegenen betonen grote minachting van Christus, die geen koude rukwind voor Hem kunnen verdragen, niet uit hun warm bed voor Hem kunnen opstaan.
IV. De machtige invloeden van de goddelijke genade, door welke zij gewillig gemaakt werd om op te staan en de deur voor haar liefste te openen. Toen Hij niet bij haar overmocht door overreding, deed Hij zijn hand door het gat van de deur om er de grendel af te doen, als één, die vermoeid is van wachten, vers 4. Dit geeft een werking te kennen van de Geest op haar ziel, waardoor zij van onwillig gewillig was gemaakt, Psalm 110:3. De bekering van Lydia wordt voorgesteld door het openen van haar hart, Handelingen 16:14, en van Christus wordt gezegd, dat Hij het verstand van Zijn discipelen opende, Lukas 24:45. Hij, die de geest des mensen binnen in hem geformeerd heeft, kent alle toegangen ervan en waar er in te komen, Hij kan het gat van de deur vinden, om er Zijn hand doorheen te steken ter overwinning van vooroordelen, en ter inbrenging van Zijn eigen leer en wet. Hij heeft de sleutel Davids Openbaring 3:7, waarmee Hij de deur van het hart ontsluit op zo'n wijze als er gepast voor is, zoals de sleutel past in het slot op een wijze, die de natuur geweld doet, doch alleen de boze natuur.
V. Haar zich buigen onder deze methodes van Goddelijke genade ten laatste. Mijn ingewand werd ontroerd om ter wille van Hem. De wil was gewonnen door een goed werk, gewrocht op haar genegenheden. Mijn ingewand was ontroerd ter wille van Hem zoals die van de twee discipelen, toen Christus hun hart brandende in hen maakte. Zij was bewogen met ontferming over haar liefste, omdat zijn hoofd vervuld was met dauw. Tederheid van gemoed en een vlezen hart bereiden de ziel voor de ontvangst van Christus in haar, en daarom wordt Zijn liefde tot ons op de aandoenlijkste wijze voorgesteld. Heeft Christus in Zijn ontferming ons verlost? Laat ons in ontferming Hem ontvangen, en om Zijnentwil hen, die te eniger tijd in benauwdheid zijn.
Dit goede werk werkte op haar genegenheden hief haar op, en maakte dat zij zich schaamde over haar dofheid en traagheid, vers 5. Ik stond op om man liefs te open te doen, Zijn genade neigde haar er toe en overwon de tegenstand van het ongeloof. Het was haar eigen daad, maar Hij heeft die in haar gewerkt. En nu drupten haar handen van mirre op de handvatten van de grendel. Hetzij:
1. Dat zij die daar vond, toen zij haar hand aan de grendel bracht om die terug te schuiven, Hij, die Zijn hand door het gat van de deur stak, legde ze daar neer, als een bewijs dat Hij er geweest was. Als Christus krachtig gewerkt heeft in een ziel, laat Hij er een gezegende lieflijkheid in na, die er zeer aangenaam aan is. Daarmee heeft Hij olie aan het slot gedaan om het gemakkelijker te doen werken. Als wij ons in de levendige beoefening van het geloof onder de invloed van de goddelijke genade tot onze plicht begeven, dan zullen wij bevinden dat alles veel gemakkelijker en aangenamer gaat dan wij verwacht hebben. Als wij slechts willen opstaan om aan Christus open te doen, dan zullen wij zien dat de moeilijkheid, die wij hebben gevreesd, op verwonderlijke wijze uit de weg is geruimd, en dan zullen wij met Daniël zeggen: Mijn Heer spreke, want gij hebt mij versterkt, Daniël 10:19, Of,
2. Zij heeft zelf de mirre daar gebracht. Haar ingewand ontroerd zijnde om haar liefste die zolang in de koude en de nattigheid had gestaan, heeft zij, toen zij Hem ging opendoen iets bereid om Zijn hoofd te zalven, en Hem aldus te verkwikken, en misschien om te voorkomen dat Hij kou zou vatten. Zij was zo gehaast om Hem te ontmoeten, dat zij niet wilde wachten ten einde de gewone toebereidselen te maken, maar haar hand in de pot met zalf stak, opdat zij Hem terstond bij Zijn binnentreden zou kunnen zalven. Zij, die de deuren van hun harten, deze eeuwige deuren, voor Christus openen, moeten Hem ontmoeten met de levendige beoefening van geloof en van andere genadegaven, om Hem daarmee te zalven.
VI. Haar droeve teleurstelling, toen zij nu haar liefste ging opendoen. En hier hebben wij het treurigste deel van het verhaal. Ik deed mijn liefste open, maar helaas, mijn liefste was geweken, Hij was doorgegaan. Zij heeft Hem niet opgedaan op Zijn eerste kloppen, en nu kwam zij te laat, toen zij later alle zegen wilde beërven. Christus wil gezocht worden terwijl Hij te vinden is, als wij de tijd laten slippen missen wij ons doel. Christus straft ons uitstellen terecht met Zijn weigeringen, en schort de mededelingen op van Zijn vertroostingen aan hen, die nalatig en slaperig zijn in plichtsbetrachting. Christus' wijken is een zaak van grote droefheid voor de gelovigen. De koninklijke psalmist klaagt over niets in zo smartvolle bewoordingen als over Gods verbergen van Zijn aangezicht voor hem. De bruid is hier op het punt van zich het haar uit te rukken, haar kleren te scheuren en haar handen te wringen, uitroepende: Hij is geweken, Hij is doorgegaan, en hetgeen haar daarbij een dolksteek in het hart is, dat zij het zichzelf te wijten heeft, zij zelf heeft Hem er toe gebracht om heen te gaan. Als Christus van ons wijkt, dan is het om iets dat Hij onvriendelijk opneemt.
Let nu op hetgeen zij deed in deze omstandigheden, en op hetgeen haar overkomen is.
A. Nog noemt zij Hem haar liefste, besloten zijnde om, hoe bewolkt en donker de nacht ook zij, haar betrekking tot Hem niet op te geven, noch haar deel in Hem. Het is een zwakheid, om bij iedere vrees, hetzij voor onze eigen tekortkomingen, of voor Gods verbergen van Zijn aangezicht, tot harde gevolgtrekkingen te komen omtrent onze geestelijken staat. Iedere verlatenheid is nog geen wanhoop. Ik zal zeggen: Heer, ik geloof, al moet ik er oplaten volgen: Heer, kom mijn ongeloof te hulp. Hoewel Hij mij verlaat, heb ik Hem toch lief, Hij is de mijne.
B. Nu gedenkt zij aan de woorden, die Hij tot haar gesproken heeft, zich haar dwaasheid verwijtende van niet eerder te hebben gehandeld naar haar overtuiging. "Mijn ziel ging uit vanwege Zijn spreken, Zijn woorden vertederden mij toen Hij zei: Mijn hoofd is vervuld met dauw, en toch, ellendige, die ik was, bleef ik liggen, en maakte verontschuldigingen en deed Hem niet open." Het onderdrukken en smoren van onze overtuigingen is iets dat zeer bitter zal zijn in de herinnering, als God onze ogen opent. Soms heeft het woord geen onmiddellijke uitwerking op het hart, maar vertedert het later, als er nog eens over nagedacht wordt. Nu versmelt mijn ziel om het woord, dat Hij vroeger had gesproken.
C. Zij is niet weer naar bed gegaan, maar ging Hem zoeken. Ik zocht Hem, ik riep Hem. Zij had zich deze moeite kunnen besparen, als zij opgestaan was toen Hij haar het eerst riep, maar wij leggen ons zeer veel werk op en scheppen ons grote moeilijkheden door onze eigen traagheid en zorgeloosheid in het gebruik maken van de gelegenheden, die ons worden geboden. Toch strekt het haar tot lof dat zij, toen haar liefste geweken was, Hem bleef zoeken, haar begeerten naar Hem zijn sterker geworden, en haar vragen naar Hem werd meer zorgvol doordat Hij zich teruggetrokken heeft. Zij roept Hem door gebed, roept Hem na, smeekt Hem om terug te komen, en zij bidt niet slechts, maar gebruikt middelen, zij zoekt Hem op de wegen, op welke zij Hem placht te vinden.
D. Maar toch miste zij Hem nog, Ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet, ik riep Hem, doch Hij antwoordde mij niet. Zij had geen blijk of bewijs van Zijn gunst, geen merkbare vertroostingen, zij was geheel in het duister en in twijfel omtrent Zijn liefde tot haar. Er zijn van de zodanige, die ware, oprechte liefde hebben tot Christus, en toch geen onmiddellijke verhoring hebben op hun gebeden om Zijn vriendelijk aangezicht, maar Hij geeft hun iets, dat van gelijke waarde is als Hij hen versterkt met kracht in hun ziel, om Hem te blijven zoeken, Psalm 138:3. Paulus kon niet overmogen in zijn gebed, dat de doornen uit zijn vlees zou worden weggenomen, maar werd verhoord door dat hem genade werd gegeven, die voor hem genoeg was.
E. Zij werd mishandeld door de wachters de wachters vonden mij, zij sloegen mij, zij verwondden mij, vers 7. Zij hielden haar voor een ontuchtige vrouw, (omdat zij op straat was op dat uur van de nacht), wanneer zij in de stad omgingen, en daarom sloegen zij haar. Troosteloze heiligen worden voor zondaars gehouden en worden als zodanig bestraft en gesmaad. Zo werd Hanna, toen zij bitterlijk bedroefd zijnde bad, gewond en geslagen door Eli, één van de eerste wachters, toen hij tot haar zei: Hoelang zult gij u dronken aanstellen? haar aldus een dochter Belials achtende, 1 Samuël 1:14-15. Het is niets nieuws voor hen, die tot de trouwe liefdevolle onderdanen van Zions Koning behoren, om verkeerd voorgesteld te worden door de wachters van Zion, als vijanden of ergernissen van Zijn koninkrijk, zij zouden hen niet kunnen mishandelen en vervolgen, zo zij hen niet belasterden, hun een slechten naam gaven. Sommigen passen dit toe op de leraren, die, hoewel zij naar hun ambt wachters zijn het woord verkeerd toepassen bij hen, wier geweten ontwaakt is, en door onbekwaamheid of door minachting van hun smart, aan de beproefden nog beproeving toevoegen, en het hart des rechtvaardigen bedroefd maken, daar God hem geen smart heeft aangedaan, Ezechiël 13, 22, hen ontmoedigende, die bemoedigd moesten worden, en een proef makende van de smart van Gods verwonden, Psalm 69:27. Die wachters waren slecht genoeg, die de bruid niet konden of niet wilden bijstaan in haar zoeken van haar liefste, Hoofdstuk 3:3, maar deze waren nog veel slechter, die haar er in hinderden door hun strenge en liefdeloze afkeuring, haar sloegen en verwondden met hun verwijten, en hoewel zij de bewaarders waren van de muur van Jeruzalem, handelden alsof zij er de afbrekers van waren, daar zij haar sluier van haar namen, ruw en wreed, alsof die sluier slechts een voorgeven van zedigheid had en slechts het tegendeel ervan bedekte. Zij, wier uitwendig voorkomen volkomen goed is, maar die toch op hatelijke wijze veroordeeld worden als geveinsden, hebben reden om te klagen, zoals de bruid hier: zij hebben mijn sluier van mij genomen.
F. Toen zij door de mishandeling, die ze van de wachters had ondervonden, buiten zichzelf was om zelf haar onderzoek voort te zetten gaf zij opdracht aan hen, die om haar heen waren om er haar behulpzaam bij te zijn, vers 8. Ik bezweer u, gij dochters van Jeruzalem, u, al mijn vrienden en bekenden, indien gij mijn liefste vindt, het kon zijn, dat gij Hem ontmoet eer ik Hem gevonden heb, wat zult gij Hem aanzeggen? Zo lezen het sommigen "Spreek een goed woord voor mij, zeg Hem dat ik ziek ben van liefde."
Merk hier op:
a. Wat haar toestand was: zij beminde Jezus in zo'n mate, dat Zijn afwezigheid haar ziek maakte, zeer ziek, zij kon haar niet dragen, en zij smachtte naar Zijn terugkomst, als een vrouw in barensnood, en zoals Achab ziek was van begeerte naar Naboths wijngaard. Dat is een ziekte, die een teken is van een gezonde gesteldheid van de ziel, en gewis goed zal eindigen, een ziekte, die niet ten dode maar ten leven zal zijn. Het is beter om ziek te zijn van liefde tot Christus, dan gerust en behaaglijk van gevoel te zijn in liefde tot de wereld. b. Welke maatregelen zij nam in die toestand, zij zonk niet weg in wanhoop, denkende dat zij sterven zou aan deze ziekte, maar zij zond een boodschap aan haar liefste zij vroeg haar naburen om raad en verzocht om hun gebeden voor haar, dat zij haar voorspraak bij Hem zouden zijn. "Zegt Hem dat ik, hoewel ik zorgeloos en dwaas en traag ben geweest, en niet zo spoedig ben opgestaan als ik moest om Hem open te doen, Hem toch oprecht liefheb, Hij weet alle dingen, Hij weet dat ik Hem liefheb, hoewel ik in vele opzichten tekort kom in mijn plicht, ja stel mij aan Hem voor als een voorwerp van zijn medelijden, opdat Hij zich over mij ontferme en mij helpe." Zij vraagt haar niet Hem te zeggen hoe de wachters haar mishandeld hadden, hoe onrechtvaardig dit ook in hen was, zij erkent dat de Heer rechtvaardig is, en daarom draagt zij het met geduld, maar: "zegt Hem dat ik doorwond ben van liefde voor Hem." Godvruchtige zielen zijn meer gevoelig voor Christus' zich terugtrekken van hen, dan voor ieder ander leed, hoe ook genaamd.