Handelingen 22:22-30
Paulus was voortgegaan met zijn verhaal, had hun getoond, dat hem bevolen was het Evangelie onder de Heidenen te gaan prediken zonder daarbij enigerlei opmerking te maken, die onvriendelijk was voor de Joden. Wij kunnen onderstellen, dat hij voornemens was hun verder mede te delen, hoe hij later, op de bijzondere aanwijzing des Heiligen Geestes te Antiochië tot dien dienst werd afgezonderd, hoe innige, hartelijke liefde hij koesterde voor de Joden, hoe hij hen achtte en eerde, hun steeds, overal waar hij kwam, den voorrang gaf door hun het eerste de aanbieding des Evangelies te doen, hoe hij wenste Joden en Heidenen tot een lichaam te verenigen, om hun dan te tonen hoe wonderbaarlijk God hem had geholpen en zijn arbeid had gezegend, en welke goede diensten er gedaan waren ter bevordering van de belangen van Gods koninkrijk onder de mensen in het algemeen, zonder enigerlei schade of nadeel voor de wezenlijke belangen der Joodse kerk in het bijzonder. Maar wat hij ook voornemens geweest was te zeggen-zij besloten, dat hij tot hen niets meer zeggen zou: zij hoorden hem nu tot dit woord toe. Tot nu toe hadden zij hem geduldig, en ook wel met enige aandacht, aangehoord. Maar als hij spreekt van zijn gezonden worden tot de Heidenen, hoewel Christus zelf hem dit gezegd had, kunnen zij dit niet dragen, zij kunnen, zo groot was hun vijandschap tegen, en hun naijver op, de Heidenen, het niet eens dragen hen te horen noemen. Toen er van hen melding werd gemaakt was hun geduld ten einde, vergaten zij alle regelen van betamelijkheid en billijkheid. Zo werden zij tot jaloersheid verwekt door degenen, die geen volk zijn, Romeinen 10:19. Nu wordt ons hier gezegd hoe woedend en gewelddadig het volk was tegen Paulus, omdat hij de Heidenen heeft vermeld als komende onder de kennis der Goddelijke genade, waardoor zijne prediking onder hen gerechtvaardigd wordt.
I. Zij vielen hem in de rede door hun stem te verheffen ten einde hem in verwarring te brengen, en opdat niemand meer een woord zou horen van hetgeen hij zeggen zou. Mensen, wier geweten verontrust is, worden terstond geprikkeld en geërgerd, en zij, die zich door gene rede willen laten leiden, zullen er gewoonlijk ook niet naar willen luisteren. De geest van vijandschap tegen het Evangelie van Christus openbaart zich over het algemeen door dat men aan de dienstknechten van Christus en van Zijn Evangelie het zwijgen oplegt, hun den mond snoert, zoals de Joden het hier aan Paulus deden. Hun vaderen hadden tot de besten der zieners gezegd: Ziet niet, Jesaja 30:10. En zo zeggen wij nu tot de besten der sprekers: Spreek niet. Houd op, waarom zouden wij u slaan? 2 Kronieken 25:16.
II. Zij schreeuwden tegen hem als iemand, die niet waardig is te leven, en nog veel minder om in vrijheid te zijn. Zonder zijne argumenten, die hij te zijner verdediging had aangevoerd, te onderzoeken, of ze te willen beantwoorden of wederleggen, riepen zij met een verward gedruis: "Weg van de aarde met zulk enen, die voorgeeft ene opdracht te hebben om voor de Heidenen te prediken, het is niet behoorlijk, dat hij leve." Aldus zijn de mannen, die de grootste zegen waren voor hun tijd, voorgesteld, niet alleen als een last voor de aarde, maar als de plaag en het verderf van hun geslacht. Hij, die de grootste ere waardig was van het leven, wordt veroordeeld als het leven zelf niet waardig te zijn. Zie hoe verschillend de gevoelens zijn van God en de mensen ten opzichte van Godvruchtigen en toch komen beiden hierin overeen, dat zij waarschijnlijk niet lang in deze wereld zullen leven. Van de Godvruchtige Joden zegt Paulus, dat zij mensen waren, die de wereld niet waardig was, Hebr. 11:38. En zij moeten weggenomen worden, opdat de wereld rechtvaardig gestraft zal worden met hun verlies. De ongodvruchtige Joden zeggen hier van Paulus, dat het niet behoorlijk is, dat hij leve, en dat hij dus weggenomen moet worden, opdat hij niet langer een last zij voor de wereld, zoals de twee getuigen in Openbaring 11:10.
III. Zij werden als dol van woede tegen Paulus en tegen den overste omdat hij hem niet terstond doodde, of hem aan hen als hun prooi overleverde, om door hen te worden verscheurd, vers 23. Als mensen, wier verstand door hartstocht verbijsterd was, riepen zij als brullende leeuwen en beren, huilden zij als wolven, zij smeten de klederen van zich met woede en geweld, als wilden zij zeggen, dat zij hem evenzo zouden verscheuren, indien zij hem slechts konden bereiken. Of liever, aldus toonden zij hoe bereid en gereed zij waren hem te stenigen. Zij, die Stefanus gestenigd hebben, wierpen hun klederen af, vers 20. Of, zij scheurden hun klederen, alsof hij Godslastering had gesproken, en wierpen stof in de lucht, in verfoeiing en afgrijzen er van, of aanduidende hoe bereid zij waren stenen te werpen op Paulus, indien de overste het hun had toegelaten. Maar waartoe dient het naar ene reden te zoeken voor deze uitdrukkingen van woede, waarvoor zij zelven gene reden zouden hebben weten te geven? Alles wat zij wilden, was, den overste goed te doen begrijpen hoe vertoornd en verwoed zij op Paulus waren, zodat hij hun met niets meer kon behagen, dan met hun toe te laten naar hun wil met hem te doen.
IV. De overste droeg zorg voor zijne veiligheid door te bevelen, dat men hem in de legerplaats zou brengen, vers 24. Ene gevangenis heeft wel eens ter bescherming van Godvruchtigen tegen volkswoede gestrekt. Paulus' ure was nog niet gekomen, hij had zijne getuigenis nog niet voleindigd, en daarom heeft God iemand verwekt om voor hem te zorgen, toen geen zijner vrienden het waagde om voor hem in de bres te staan. Geef, Heere! de begeerten des goddelozen niet.
V. Hij gaf bevel hem te pijnigen, ten einde hem de bekentenis van zware of in het oog lopende misdaden te ontwringen, waardoor het volk in zo buitengemene woede tegen hem was ontstoken. Hij zei, dat men hem met geselen onderzoeken zou. (zoals men nu in sommige landen met dat doel op de pijnbank brengt), opdat hij verstaan mocht om wat oorzaak zij alzo over hem riepen. Hierin heeft hij niet billijk gehandeld. Hij had sommigen van de schreeuwende, onstuimige aanklagers naar den burcht moeten laten brengen als verstoorders van den vrede, en hen moeten laten onderzoeken, en ook door geselen, om te weten te komen welke beschuldiging zij inbrachten tegen een man, die zo goede rekenschap van zich zelf kon geven, en niets scheen gedaan te hebben, dat des doods of der banden waardig was. Het zou passend geweest zijn hun te vragen, maar volstrekt niet passend om aan Paulus te vragen, waarom zij alzo over hem riepen? Hij kon zeggen, dat hij er hun gene billijke reden toe had gegeven, indien er ene reden was, laten zij haar dan aantonen. Geen mens is verplicht zich zelven te beschuldigen, al is hij ook schuldig, veel minder behoort hij gedwongen te worden zich zelven te beschuldigen, als hij onschuldig is. De overste moet voorzeker het Joodse volk niet gekend hebben, toen hij tot de gevolgtrekking kwam, dat hij zeker iets heel ergs, een zeer groot kwaad gedaan moet hebben, over wie zij zulk een groot geschreeuw aanhieven. Hadden zij niet evenzo tegen onzen Heere Jezus geroepen: Kruis hem! kruis hem! toen zij geen woord op de vraag des rechters wisten te antwoorden: Wat heeft hij dan kwaads gedaan? Is het ene billijke of rechtvaardige reden om Paulus te geselen, dat een ruwe, onstuimige, samengerotte hoop volks tegen hem schreeuwt, zonder te kunnen zeggen waarom of waartoe, en moet hij dus door pijniging genoodzaakt worden om het te zeggen?
VI. Paulus beriep zich op zijn privilege als Romeins burger, dat hem van al die soort van onderzoekingen en straffen vrijstelde, vers 25. Als zij hem met riemen bonden aan den geselpaal, zoals zij dit in het tuchthuis plachten te doen met de snoodste misdadigers, ten einde hun ene bekentenis te ontwringen, hief hij geen geschreeuw aan tegen hun onrechtvaardig optreden tegen een onschuldige, maar met grote zachtmoedigheid wees hij hun op het onwettige van hun handelwijze tegen hem als Romeins burger, hetgeen hij eens te voren gedaan had na gegeseld te zijn, Hoofdstuk 16:37. Hier maakt hij er echter gebruik van om het te voorkomen. Hij zei tot den hoofdman over honderd, die daar stond:" Gij kent de wet, is het ulieden, die zelven Romeinen zijt, geoorloofd een Romeinsen mens, en dien onveroordeeld, te geselen?" Zijne wijze van spreken toont duidelijk aan, welk ene grote gerustheid en kalmte van gemoed deze Godvruchtige bezat, daar hij evenmin in toorn was ontstoken wegens de versmaadheid en mishandeling, die men hem aandeed, als ontroerd was van vrees wegens het gevaar, waarin hij zich bevond. De Romeinen hadden ene wet, (lex Sempronia genaamd), waarbij bepaald was, dat een magistraat, die een Romeins burger kastijdde of veroordeelde indicta causa -zonder zijne verdediging te horen en over zijne gehele zaak beraadslaagd te hebben, onderhevig zou zijn aan het vonnis des volks, dat zeer op zijne rechten en vrijheden gesteld was. Het is ook inderdaad het recht van iedere mens, dat hem geen kwaad gedaan worde, tenzij het bewezen is, dat hij kwaad gedaan heeft, zoals het het recht is van iedere Engelsman, dat hem door het Magna Charta verzekerd is, dat hem leven of goed niet anders ontnomen kan worden dan door een vonnis, gewezen door twaalf mannen, die van zijn eigen stand zijn.
VII. De overste werd hierdoor verrast en verschrikt, hij had Paulus voor een omzwervenden Egyptenaar gehouden, en was er over verwonderd, dat hij Grieks kende, Hoofdstuk 21:37, maar nu is hij er nog meer over verwonderd, te bevinden, dat hij een even aanzienlijk man is als hij zelf. Hoe vele waardige mannen van grote verdienste worden niet veracht, alleen maar omdat zij niet gekend worden, en worden beschouwd en behandeld als het uitvaagsel der maatschappij, als aller afschrapsel, terwijl zij, die deze mening van hen koesteren, hen, indien zij hen slechts in hun ware hoedanigheid kenden, als de heerlijken, de voortreffelijken der aarde zouden erkennen! De overste had oversten over honderd, officieren van minderen rang, onder zich, Hoofdstuk 21:32. Een hunner bracht hem dit bericht, vers 26.
Zie wat gij te doen hebt, want deze mens is een Romein, en de hoon, die hem wordt aangedaan zal beschouwd worden als ene belediging van de majesteit des Romeinsen volks, zoals zij zo gaarne zeggen. Allen wisten hoe hoog dit privilege van een Romeins burger gehouden werd. Cicero looft en verheft het in een zijner redevoeringen tegen Verres.
O nomen dulce libertatis, O jus eximium nostræ civitatis! O lex Porcia! O leges Semproniæ! facinus est vincere Romanum civem scelus verberare - O vrijheid, ik bemin uw zoeten naam! En deze onze Porcische en Sempronische wetten, hoe bewonderenswaardig zijn zij! Het is ene misdaad een Romeins burger te binden, maar ene onvergeeflijke misdaad is het hem te slaan. "Laat ons dus wel toezien", zegt de overste over honderd, "indien deze mens een Romein is, en wij doen hem enigerlei smaadheid aan, dan zijn wij minstens in gevaar van onzen rang in het leger ontzet te worden." Nu wilde de overste:
1. Zich van de waarheid hiervan uit Paulus' eigen mond overtuigen, vers 27. "Zeg mij, zijt gij een Romein? Hebt gij recht op het privilege van een Romeins burger?" "Ja", zegt Paulus, en wellicht heeft hij hem ene acte getoond, waaruit het bleek, daar zij hem anders wel nauwelijks op zijn woord geloofd zouden hebben. 2. De overste sprak toen vrijelijk met hem over dat burgerrecht, en nu bleek het, dat Paulus' privilege als Romeins burger van hoger waardij was dan het zijne, meer eervol was, want de overste erkent, dat hij dit burgerrecht gekocht heeft, "Ik heb dit burgerrecht voor ene grote som gelds verkregen, ik heb het duur betaald, hoe zijt gij er aan gekomen?" Ik ben ook een burger geboren, zegt Paulus. Sommigen denken, dat hij door zijne geboorteplaats recht op dit burgerschap heeft verkregen, daar aan Tarsen door den keizer gelijke rechten met Rome verleend waren. Anderen denken, dat hij het verkregen had door zijn vader of grootvader, die gediend had in den oorlog tussen Caesar en Antonius, of in een anderen Romeinsen burgeroorlog, en er zich zeer bijzonder in onderscheiden hebbende, met dit burgerrecht beloond werd, en Paulus dus een geboren Romeins burger was. Hier beroept hij er zich op ter zijner eigene behoudenis, waarvoor wij niet slechts mogen, maar verplicht zijn alle wettige middelen in het werk te stellen.
3. Dit maakte terstond een einde aan die zaak. Zij, aan wie bevolen was Paulus met geselen te onderzoeken, gingen heen, zij lieten van hem af, vers 29, ten einde niet in den val te lopen. De overste zelf, hoewel hij, naar wij kunnen veronderstellen, veel invloed had bij de machthebbers, werd bevreesd toen hij hoorde, dat Paulus een Romein was, omdat hij hem, wel nog niet geslagen, maar toch wel gebonden had, ten einde hem te doen slaan. Aldus worden velen van slechte daden teruggehouden door mensenvrees, die er zich niet van zouden laten terughouden door de vreze Gods. Zie hier het voordeel van menselijke wetten en van het ambt der overheid, en hoe veel reden wij hebben om er God voor te danken, want, al hebben zij ook aan Gods volk en dienstknechten geen steun of bijzondere bescherming verleend, hebben zij toch door de algemene handhaving van billijkheid en eerlijkheid tussen mens en mens er toe bijgedragen om de woede van slechte, onredelijke, onwettig handelende mensen te beteugelen, en te zeggen: Tot hiertoe zult gij komen en niet verder, hier zullen uwe hoogmoedige golven tot staan gebracht worden. Daarom is het onze plicht om voor allen, die in hoogheid zijn gezeten, met gezag zijn bekleed, te bidden, want wij hebben reden van hen de weldaad te verwachten om, zolang wij ons zelven rustig en vreedzaam gedragen, een gerust en stil leven te kunnen leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid, 1 Timotheus 2:1, 2.
4. Den volgenden dag bracht de overste Paulus voor het sanhedrin, vers 30. Eerst maakte hij hem los van de banden, opdat die niet terstond in zijn nadeel zouden doen oordelen, en opdat hij, de overste, niet beschuldigd zou worden van een Romeins burger te hebben gebonden, en toen beval hij dat de overpriesters en hun gehele raad zouden komen, om van de zaak van Paulus kennis te nemen, want hij bevond, dat zij den Godsdienst betrof, en dus beschouwde hij hen als het meest geschikt om er over te oordelen. In dit zelfde geval heeft Gallio Paulus ontslagen, daar hij bevond, dat het hun wet betrof, dreef hij hen weg van den rechterstoel, Hoofdstuk 18:16, en wilde er zich niet mede inlaten, maar deze Romein, die een krijgsman was, hield Paulus in gevangenschap, en deed een beroep van het grauw op den groten raad. Nu kunnen wij hopen, dat hij hiermede Paulus' veiligheid bedoelde, denkende, dat zo hij een onschuldig en onschadelijk man was, de overpriesters en ouderlingen hem recht zouden laten wedervaren, en hem onschuldig zouden verklaren, al was het ook, dat de heffe des volks tegen hem was, want zij waren, of behoorden te wezen, mannen van aanzien, en in hun hof werd recht gesproken naar de regelen der billijkheid. Als de profeet geen goed kon gedaan krijgen onder de arme klasse van lieden, maakte hij hieruit op, dat het was omdat zij den weg des Heeren, het recht huns Gods niet weten, en hij stelde zich voor beter te zullen slagen bij de groten, zoals ook de overste hier gedaan heeft. Maar weldra zag hij zich teleurgesteld, want zij hadden te zamen het juk verbroken en de banden verscheurd, Jeremia 5:4, 5. Maar, b. Wat hier gezegd wordt het doel te zijn, dat hij er mede beoogde, was: zijne eigene nieuwsgierigheid bevredigen. Hij wilde de zekerheid weten waarom hij van de Joden beschuldigd werd. Indien hij Paulus bij zich in zijne eigene kamer had ontboden en vrijelijk met hem had gesproken, dan zou hij spoedig van hem te weten zijn gekomen wat meer dan een voldoend antwoord was op zijne vraag, hem in zijn ingesteld onderzoek meer dan voldaan zou hebben, en hem had kunnen bewegen om een Christen te worden. Maar het is maar al te zeer de gewoonte van voorname lieden om datgene op een afstand van zich te houden, dat hun geweten wakker zou kunnen schudden, en niets meer van de kennis van Gods wegen te hebben, dan genoeg is om er over te kunnen praten.