2. Zo vergaderden zij zich samen, om zich tot een bondgenootschap te verenigen, om tegen Jozua en tegen Israël te krijgen, eenmoediglijk; eenstemmig, een van zin.
Tot hiertoe hadden de Kanaänieten slechts verdedigender wijze gehandeld, maar hier beraadslagen zij om aanvallenderwijze te werk te gaan. Vreemd was het, dat zij dit niet vroeger gedaan hadden, en nog vreemder, dat zij dit nu deden, nadat zij zoveel bewijzen van de macht van de God van Israël gezien hadden bij de inneming van de steden Jericho en Ai, en al de wonderen, die plaatsgevonden hadden. Het is duidelijk te zien, dat hun zinnen verblind en hun harten verhard waren tot hun verwoesting. Toch was in de handelwijze van deze koningen iets, dat voor de Israëlieten tot lering kan zijn. Ofschoon over verschillende volken regerende, en zulke verscheidene belangen hebbende, ja zelfs zo menigmaal in strijd met elkaar, toch besluiten zij zich tegen Israël te verenigen. Zo moest Israël alle onderlinge onenigheden ter zijde gesteld hebben, en zo moet het Israël van God in onze dagen zich verenigen tegen alle vijanden van het koninkrijk van God..
(Numeri 13:25"; "Deuteronomium 11:31" en "Deuteronomium 27:3) Daar hebben wij een beschrijving van de verschillende delen van het land ten westen van de Jordaan gegeven; hier hebben wij er nog iets bij te voegen betreffende de streek land lange de kust van de Middellandse Zee, maar in een omgekeerde orde van het noorden naar het zuiden. De Middellandse Zee zelf wordt in de Bijbel nu eens enkel "de Zee" genoemd, dan weer de "grote" zee, soms met de bijvoeging "tegen de ondergang van de zon" of de "achterste" zee. Zeeboezems vormt zij langs de effen kust niet, behalve die van Acco of Ptolomaïs (Acre). Volgen wij de kust in de boven aangegeven richting, dan zien wij, dat de Karmel ze verdeelt in de noordelijke vlakten van Acco, en de zuidelijke vlakten van Saron en Sephala (volgens Luther, gronden, vlakke velden, 1 Kronieken 27:29). De vlakte van Acco strekte zich uit zes uur van de Ladder van Tyrus (beneden Tyrus en de Witte kaap) over Acco tot aan de voet van de Karmel, en werd later aan de stam van Aser toegevoegd die echter de bewoners niet verdreef (hoofdstuk 19:24vv. Richteren 1:31). Deze vlakte is buitengewoon vruchtbaar, waar zij ook bebouwd wordt, en is een van de bekoorlijkste oevers. Vier à vijf uur landwaarts in wordt zij begrensd door een heuvelkrans of een lage bergrij, die daar van de vlakte van Zebulon scheidt; zij heeft een golvende oppervlakte, aan de zeezijde door een steile duinrand bepaald. Thans echter is de grond woest en onbebouwd, en hier en daar bedekt met rietbossen van manshoogte, of begroeid met distels. Door de vlakte ontlasten zich twee bergstromen in de bocht: ten noorden de Belus of de Glasrivier, ten zuiden de beek Kison (Deuteronomium 8:10" en "Deuteronomium 9:10), welke laatste de heuvelkrans in ene steile bergengte doorsnijdt zeer nabij de voet van de Karmel, aan de mond 12 el breed en 2 voet diep zijnde. Het water is helder en groen van kleur, en aan de oevers liggen fraaie tuinen. De vlakte, die zich zuidelijk van de Karmel tot aan de rivier van Egypte en Wady-el-Arisch uitstrekt, is een kustvlakte van 30 Duitse mijl lang, die naar het zuiden steeds in breedte toeneemt, zodat zij bij Joppe 4 mijl, bij Gaza 6 mijl breed wordt. Zij wordt door een vooruitstekende heuvelrij bij Joppe in een noordelijke en zuidelijke helft verdeeld, de eerste 11 mijl lang in de vlakte van Saron de laatste 10 mijl lang heet Sephala; het overige gedeelte van 9 mijl in de lengte wordt van Gaza af steeds onvruchtbaarder, en is nog eer zij de rivier van Egypte bereikt, geheel een woestenij geworden. Daarentegen was de vlakte van Saron in de lente een welriekende bloemengaard van witte en rode rozen, witte en gele lelies, narcissen, anemonen, tulpen, violen, en een soort welriekende klimop, zodat haar pracht en vruchtbaarheid tot een spreekwoord is geworden (Hooglied 2:1 Jesaja 35:2) bijzonder in de streek tussen Joppe en het meer zuidelijk gelegen Bamleh. Even zo vruchtbaar is de Sephala, of de lage kustvlakte, met heuvels doorsneden, tot het land van de Filistijnen behorende, met de vijf hoofdsteden Gad, Asdod, Askelon, Ekron en Gaza. Over de beken en stromen die zuidelijk van Gaza de vlakten doorsnijden, "Deuteronomium 8:10"..
2. Zo vergaderden zij zich samen, om zich tot een bondgenootschap te verenigen, om tegen Jozua en tegen Israël te krijgen, eenmoediglijk; eenstemmig, een van zin.
Tot hiertoe hadden de Kanaänieten slechts verdedigender wijze gehandeld, maar hier beraadslagen zij om aanvallenderwijze te werk te gaan. Vreemd was het, dat zij dit niet vroeger gedaan hadden, en nog vreemder, dat zij dit nu deden, nadat zij zoveel bewijzen van de macht van de God van Israël gezien hadden bij de inneming van de steden Jericho en Ai, en al de wonderen, die plaatsgevonden hadden. Het is duidelijk te zien, dat hun zinnen verblind en hun harten verhard waren tot hun verwoesting. Toch was in de handelwijze van deze koningen iets, dat voor de Israëlieten tot lering kan zijn. Ofschoon over verschillende volken regerende, en zulke verscheidene belangen hebbende, ja zelfs zo menigmaal in strijd met elkaar, toch besluiten zij zich tegen Israël te verenigen. Zo moest Israël alle onderlinge onenigheden ter zijde gesteld hebben, en zo moet het Israël van God in onze dagen zich verenigen tegen alle vijanden van het koninkrijk van God..
(Numeri 13:25"; "Deuteronomium 11:31" en "Deuteronomium 27:3) Daar hebben wij een beschrijving van de verschillende delen van het land ten westen van de Jordaan gegeven; hier hebben wij er nog iets bij te voegen betreffende de streek land lange de kust van de Middellandse Zee, maar in een omgekeerde orde van het noorden naar het zuiden. De Middellandse Zee zelf wordt in de Bijbel nu eens enkel "de Zee" genoemd, dan weer de "grote" zee, soms met de bijvoeging "tegen de ondergang van de zon" of de "achterste" zee. Zeeboezems vormt zij langs de effen kust niet, behalve die van Acco of Ptolomaïs (Acre). Volgen wij de kust in de boven aangegeven richting, dan zien wij, dat de Karmel ze verdeelt in de noordelijke vlakten van Acco, en de zuidelijke vlakten van Saron en Sephala (volgens Luther, gronden, vlakke velden, 1 Kronieken 27:29). De vlakte van Acco strekte zich uit zes uur van de Ladder van Tyrus (beneden Tyrus en de Witte kaap) over Acco tot aan de voet van de Karmel, en werd later aan de stam van Aser toegevoegd die echter de bewoners niet verdreef (hoofdstuk 19:24vv. Richteren 1:31). Deze vlakte is buitengewoon vruchtbaar, waar zij ook bebouwd wordt, en is een van de bekoorlijkste oevers. Vier à vijf uur landwaarts in wordt zij begrensd door een heuvelkrans of een lage bergrij, die daar van de vlakte van Zebulon scheidt; zij heeft een golvende oppervlakte, aan de zeezijde door een steile duinrand bepaald. Thans echter is de grond woest en onbebouwd, en hier en daar bedekt met rietbossen van manshoogte, of begroeid met distels. Door de vlakte ontlasten zich twee bergstromen in de bocht: ten noorden de Belus of de Glasrivier, ten zuiden de beek Kison (Deuteronomium 8:10" en "Deuteronomium 9:10), welke laatste de heuvelkrans in ene steile bergengte doorsnijdt zeer nabij de voet van de Karmel, aan de mond 12 el breed en 2 voet diep zijnde. Het water is helder en groen van kleur, en aan de oevers liggen fraaie tuinen. De vlakte, die zich zuidelijk van de Karmel tot aan de rivier van Egypte en Wady-el-Arisch uitstrekt, is een kustvlakte van 30 Duitse mijl lang, die naar het zuiden steeds in breedte toeneemt, zodat zij bij Joppe 4 mijl, bij Gaza 6 mijl breed wordt. Zij wordt door een vooruitstekende heuvelrij bij Joppe in een noordelijke en zuidelijke helft verdeeld, de eerste 11 mijl lang in de vlakte van Saron de laatste 10 mijl lang heet Sephala; het overige gedeelte van 9 mijl in de lengte wordt van Gaza af steeds onvruchtbaarder, en is nog eer zij de rivier van Egypte bereikt, geheel een woestenij geworden. Daarentegen was de vlakte van Saron in de lente een welriekende bloemengaard van witte en rode rozen, witte en gele lelies, narcissen, anemonen, tulpen, violen, en een soort welriekende klimop, zodat haar pracht en vruchtbaarheid tot een spreekwoord is geworden (Hooglied 2:1 Jesaja 35:2) bijzonder in de streek tussen Joppe en het meer zuidelijk gelegen Bamleh. Even zo vruchtbaar is de Sephala, of de lage kustvlakte, met heuvels doorsneden, tot het land van de Filistijnen behorende, met de vijf hoofdsteden Gad, Asdod, Askelon, Ekron en Gaza. Over de beken en stromen die zuidelijk van Gaza de vlakten doorsnijden, "Deuteronomium 8:10"..