Handelingen 18:7-11
Hier wordt ons meegedeeld:
I. Dat Paulus van daar, dat is, van de synagoge, is weggegaan. Christus heeft, toen Hij Zijne discipelen uitzond, bevolen om niet van het ene huis in het andere over te gaan: maar het kon toch nodig zijn, zoals het nu voor Paulus nodig was. Hij ging weg uit hun synagoge, er uit verdreven zijnde door de verkeerdheid en boosheid der ongelovige Joden, en hij kwam in het huis van een man, met name Justus, vers 7. Hij schijnt naar diens mans huis gegaan te zijn, niet om er te herbergen, want hij verbleef nog bij Aquila en Priscilla, maar om er te prediken. Toen de Joden hem niet vreedzaam voort wilden laten gaan met zijn arbeid in hun bijeenkomsten, heeft deze rechtschapen man zijne deuren voor hem geopend, en hem gezegd, dat hij hem welkom was, als hij in zijn huis wilde prediken, en Paulus nam het voorstel aan. Het was niet de eerste maal, dat de arke Gods in ene particuliere woning een onderkomen vond. Toen Paulus gene vrijheid verkreeg, om in de synagoge te prediken, predikte hij in een huis, zonder dat dit te kort deed aan de waardigheid of waardij zijner leer. Maar let op het bericht omtrent dezen man en zijn huis.
1. De man was bijna een Jood, hij was iemand, die God diende, hij was geen afgodendienaar, hoewel hij een Heiden was, maar een aanbidder van den God Israël's, en van Hem alleen, zoals Cornelius. Nu heeft Paulus, om des te minder aanstoot te geven aan de Joden, hoewel hij hen verlaten had, zijne bijeenkomsten in diens mans huis gehouden. Zelfs toen hij genoodzaakt was zich van hen af te wenden en tot de Heidenen te gaan, heeft hij zich toch beijverd hun vriendelijkheid te betonen.
2. Het huis stond naast de synagoge, het paalde er aan, dat sommigen zouden kunnen verklaren als gekozen zijnde met het doel om de mensen van de synagoge naar de bijeenkomst af te trekken. Ik denk veeleer, dat het geschied was met liefderijke bedoeling, nl. om te tonen, dat hij hun zo nabij wilde wezen als maar mogelijk was, en dat hij bereid was tot hen terug te keren, indien zij bereid waren zijne boodschap aan te nemen, niet langer wilden weerstaan en lasteren, zoals zij gedaan hadden.
II. Dat Paulus weldra goede vrucht zag op zijn arbeid, zowel onder de Joden als onder de Heidenen.
1. Crispus, een Jood, en wel een zeer voorname, de overste der synagoge, geloofde aan den Heere met geheel zijn huis, vers 8. Het was voor de ere van het Evangelie, dat er sommige oversten waren, en personen van den eersten rang in kerk en staat, die het omhelsden. Dat de overste van hun synagoge, een man, van wie men met recht kon denken, dat hij de overigen overtrof in kennis der Schrift en ijver voor den Godsdienst, het Evangelie geloofde, liet aan de Joden nu gene verontschuldiging voor hun ongeloof, en toch bleven zij tegenstaan en lasteren. Niet slechts hij, maar geheel zijn huis geloofde, en waarschijnlijk zijn zij met hem door Paulus gedoopt, 1 Corinthiërs 1:14.
2. Velen van de Corinthiërs, die Heidenen waren (en sommigen van hen personen van ene slechte levenswijze, zoals blijkt uit 1 Corinthiërs 6:11, en dit waart gij sommigen,) hem horende, geloofden, en werden gedoopt. Eerst hoorden zij, want het geloof is uit het gehoor. Sommigen zijn wellicht Paulus gaan horen, omdat zij in hun geweten overtuigd waren, dat zij zich op een verkeerden weg bevonden, maar waarschijnlijk kwamen de meesten uit nieuwsgierigheid, omdat het ene nieuwe leer was, die gepredikt werd, maar horende, geloofden zij, door de kracht, die in hen werkte, en gelovende, werden zij gedoopt, en aldus namen zij beslist de belijdenis aan van het Christendom, verklaarden zij zich voor Christus, en verkregen aldus het recht om in de voorrechten der Christenen te delen.
III. Dat Paulus bemoedigd werd door een visioen om met zijn arbeid te Corinthe voort te gaan, vers 9. De Heere (Jezus) zei tot Paulus door een gezicht in den nacht, toen hij nadacht over zijn werk, in zijn hart sprekende op zijn leger, en overwoog of hij al of niet hier zou blijven, welke methode voor arbeiden hij hier zou volgen, en welke waarschijnlijkheid er was, dat hij goed zou kunnen doen, is Christus hem ter rechter tijd verschenen, en toen zijne gedachten zich binnen in hem vermenigvuldigden, hebben de vertroostingen Gods zijne ziel verkwikt.
1. Hij hernieuwde zijne opdracht en last om het Evangelie te prediken, "Wees niet bevreesd voor de Joden hoe woedend zij ook zijn, en wellicht in des te groter toorn ontstoken wegens de bekering van den overste hunner synagoge, wees niet bevreesd voor de overheden der stad, want zij hebben gene macht tegen u, dan die hun van Boven is gegeven. Het is de zaak des hemels, die gij voorstaat en bepleit, doe het vrijmoedig. Wees niet bevreesd voor hun woorden ontzet u niet van- wege hun toornige blikken, maar spreek, en zwijg niet. Laat gene gelegenheid voorbijgaan om tot hen te spreken, roep uit de keel, houd niet in, zwijg niet uit vreze voor hen, spreek niet beschroomd en met omzichtigheid, maar duidelijk en onomwonden, spreek kloekmoediglijk, gebruik de vrijheid van spreken, die aan een gezant van Christus betaamt."
2. Hij gaf hem de verzekering Zijner tegenwoordigheid met hem, hetgeen volstond om hem te bezielen met ijver en moed. "Vrees niet, want Ik ben met u om u te beschermen en door te helpen, en u van al uw vrezen te verlossen, spreek, en zwijg niet, want Ik ben met u om u te ondersteunen in hetgeen gij zegt, om met u mede te werken, uw woord te bevestigen door tekenen, die zullen volgen." Dezelfde belofte, die de algemene opdracht bekrachtigde, Mattheus 28:19, 20, Ziet, Ik ben met ulieden, al de dagen, wordt hier herhaald. Zij, met wie Christus is, behoeven niet te vrezen, en behoren niet huiverend terug te deinzen.
3. Hij gaf hem de verzekering, dat Hij hem zou beschermen: "Niemand zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen, gij zult uit de handen van boze en onredelijke mensen verlost worden, en niet, zoals in andere plaatsen, door vervolging van hier verdreven worden." Hij belooft niet, dat niemand de hand aan hem zal leggen, (want weldra zullen wij zien, dat de hand aan hem gelegd is, dat de Joden tegen hem opstonden en hem voor den rechterstoel brachten, vers 12, maar wel, dat "Niemand de hand aan hem zal leggen om hem kwaad te doen, het overblijfsel hunner grimmigheden zal Hij opbinden, gij zult hier niet, zoals te Filippi, gegeseld en in de gevangenis geworpen worden." Paulus heeft in het begin ruwer behandeling te verduren gehad dan later, en hij was nu verblijd naar de dagen, in dewelke hij gedrukt was geweest. De beproevingen zullen niet altoos duren, Psalm 66:10-12. Of wij kunnen het in een meer algemenen zin nemen: "Niemand zal de hand aan u leggen, tou kakoosai se om u kwaad te doen, wèlke moeite zij u ook aandoen, wezenlijk kwaad is er niet in. Zij kunnen u doden, maar zij kunnen u niet schaden, want Ik ben met u." Psalm 23:4, Jesaja 41:10.
4. Hij gaf hem het vooruitzicht van voorspoed op zijn arbeid, want Ik heb veel volk in deze stad. Daarom zal het niemand gelukken om uw werk te verhinderen, daarom zal Ik met u zijn om uw werk te erkennen, d.i. goed te keuren, en daarom moet gij er krachtig en blijmoedig mede voortgaan, want er zijn velen in deze stad, die door uwe bediening krachtdadiglijk geroepen zullen worden, en in wie gij van den arbeid uwer ziel vrucht zult zien. Er is hier een groot volk voor Mij. De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn, en degenen, die de Zijnen zullen wezen, en Hem zijn alle Zijne werken bekend. "Ik heb hen, ofschoon zij Mij nog niet kennen, ofschoon zij nu nog door Satan gevangen zijn tot zijn wil: want de Vader heeft ze Mij gegeven om een zaad te zijn, dat Mij dient. Ik heb hen geschreven in het boek des levens. Ik heb er hun namen in, en van allen, die Mij gegeven zijn, zal Ik er geen verliezen. Ik heb hen, want Ik ben er zeker van hen te hebben." Die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen. In deze stad, hoewel het ene zeer onheilige, goddeloze stad is, vol van onreinheid, welke onreinheid zeer bevorderd werd door den daar aanwezigen, zeer sterk bezochten tempel van Venus, in dezen hoop, die een en al kaf schijnt te zijn, is toch nog koren, in dit erts, dat slechts schuim schijnt te wezen, is goud. Laat ons aan generlei plaats wanhopen, als toch zelfs in Corinthe Christus veel volk had.
IV. Dat hij, aldus bemoedigd zijnde, geruimen tijd aldaar verbleef, vers 11. Hij onthield zich aldaar een jaar en zes maanden, niet om er op zijn gemak te zijn, maar om zijn arbeid voort te zetten, lerende onder hen het woord Gods. En daar het ene stad was, waarheen de mensen van alle kanten toestroomden, had hij er gelegenheid, om het Evangelie te prediken aan vreemdelingen, die er dan de tijding van brachten naar andere landen. Hij bleef daar zo lang:
1. Om hen in te brengen, die nog buiten waren. Christus had daar veel volk, en door de kracht Zijner genade zou Hij hen allen in ene maand, of in ene week hebben kunnen bekeren, zoals bij de eerste prediking van het Evangelie, toen bij ene enkele uitwerping van het net duizenden er in besloten werden, maar God werkt op onderscheidene wijze. Het volk, dat Christus te Corinthe had, moest langzamerhand en trapsgewijze geroepen worden: sommigen door ene leerrede, anderen door ene andere, wij zien nu nog niet, dat Christus alle dingen onderworpen zijn. Laten de dienstknechten van Christus voortgaan met hun' plicht, al wordt hun werk ook niet geheel op eens gedaan, ja, al wordt er zelfs weinig te gelijk van gedaan.
2. Ter opbouwing van hen, die al ingebracht waren. Zij, die bekeerd zijn, hebben nog nodig, dat hun het woord Gods geleerd wordt, en inzonderheid te Corinthe was het nodig, dat Paulus zelf het hun leerde, want niet zodra was het goede zaad in dien akker gezaaid, of de vijand kwam, en zaaide onkruid, de valse apostelen, de bedrieglijke arbeiders, over wie Paulus in zijne brieven aan de Corinthiërs zo klaagt. Toen de handen gebonden waren van de Joodse vervolgers, die openlijke vijanden waren, werd aan Paulus een nog veel verdrietiger last veroorzaakt, en aan de gemeente nog veel meer schade berokkend door de tong van de Judaïserende leraren, die onder schijn van den Christelijken naam, de grondslagen zelven van het Christendom ondermijnden. Men denkt dat Paulus kort nadat hij te Corinthe was gekomen, den eersten brief aan de Thessalonicenzen heeft geschreven, die, naar tijdsorde, de eerste was van al de brieven, die hij door Goddelijke ingeving geschreven heeft, en de tweede brief aan dezelfde gemeente werd niet lang daarna geschreven. Evangeliedienaren kunnen Christus dienen, en het grote doel van hun' arbeid bevorderen door goede brieven te schrijven, zowel als door goede leerredenen uit te spreken.