Handelingen 16:35-40
In deze verzen hebben wij:
I. Orders gezonden, om Paulus en Silas uit de gevangenis te ontslaan, vers 35, 36.
1. De hoofdmannen, die hen den vorigen dag zo laaghartig hadden mishandeld, gaven die orders, en dat zij dit zo vroeg deden, als het dag geworden was, duidt aan, hetzij dat zij begrepen, dat de ontzettende aardbeving, die zij te middernacht gevoeld hadden, de zaak hunner gevangenen bepleitte, of dat hun geweten hen beschuldigde wegens hetgeen zij hun gedaan hadden, zodat zij zeer ongerust waren. Terwijl de vervolgden met hun voeten in den stok zongen, wentelden de vervolgers zich onrustig heen en weer op hun legerstede, in benauwdheid der ziel, meer klagende over de striemen van hun geweten, dan de gevangenen geklaagd hebben over de striemen op hun rug, en hadden meer haast om hen vrij te laten, dan zij om vrijlating te vragen. Nu heeft God Zijn' dienstknechten barmhartigheid doen vinden voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hielden, Psalm 106:46. De hoofdmannen zonden stadsdienaars-rhabdouchous -hen, die de roeden hadden, de gerechtsdienaars, die gebruikt waren om hen te geselen, om hun om vergeving te gaan vragen. De order luidde: Laat die mensen los. Waarschijnlijk hebben zij nog meer kwaad tegen hen in den zin gehad, maar God heeft hun hart omgewend, en gelijk Hij tot nu toe hun grimmigheid loffelijk voor Hem gemaakt heeft, zo heeft Hij het overblijfsel dier grimmigheid opgebonden. Psalm 76:11. 2. De stokbewaarder bracht hun die tijding, vers 36. De hoofdmannen hebben gezonden, dat gij zoudt losgelaten worden. Sommigen denken, dat de stokbewaarder bij tijds aan de hoofdmannen bericht gezonden had van hetgeen er dien nacht in zijn huis was voorgevallen, en aldus de invrijheidstelling voor zijne gevangenen heeft verkregen. Gaat dan nu uit. Niet dat hij begerig was van hen, als zijne gasten, te scheiden, maar wèl van hen, als zijne gevangenen. Zij zullen hem nog welkom zijn in zijn huis, maar hij is verheugd hen bevrijd te weten uit den kerker, en den stok. God zou door Zijne genade de hoofdmannen even gemakkelijk hebben kunnen bekeren als den stokbewaarder, en hen tot het geloof en den doop kunnen doen komen, maar God heeft de armen dezer wereld verkoren, Jakobus 2:5.
II. Hoe Paulus met ernst wijst op het schenden van het privilegie, waaraan de hoofdmannen zich hadden schuldig gemaakt, vers 37. Paulus zei tot de stadsdienaren: "Zij hebben ons, die Romeinen zijn, onveroordeeld -tegen alle wet en gerechtigheid-in het openbaar gegeseld en in de gevangenis geworpen, en werpen zij ons nu heimelijk daaruit? Denken zij ons hiermede het kwaad te vergoeden, dat zij ons aangedaan hebben? Niet alzo, maar dat zij zelven komen en ons uitleiden, en erkennen, dat zij ons onrecht hebben aangedaan." Waarschijnlijk hadden de hoofdmannen al een wenk ontvangen, dat die mensen Romeinen waren, en waren zij er zich al van bewust, dat zij in hun woede verder gegaan waren, dan zij voor de wet konden verantwoorden, en was dit de reden, waarom zij bevel gaven tot hun invrijheidstelling. Merk nu op:
1. Dat Paulus zich hier niet op beroepen heeft, voor dat hij gegeseld was, hoewel die geseling waarschijnlijk hierdoor voorkomen zou zijn, omdat hij den schijn niet wilde hebben dat hij bevreesd was te lijden voor hetgeen hij had gepredikt. In een zijner oraties tegen Verres verhaalt Tullius Cicero dat een zekere Ganius, dien Verres in Sicilië liet geselen, al den tijd, dat de geselslagen op hem neerkwamen, niets anders uitriep dan: Civis Romanus sum -Ik ben Romeins burger. Paulus heeft dit niet gedaan, hij had iets edelers om er zich onder zijn lijden mede te vertroosten. 2. Wèl heeft hij er zich daarna op beroepen, maar het was om aan zijn lijden en aan de zaak, waarvoor hij leed, ere bij te zetten, door aan de wereld te laten weten, dat de predikers van het Evangelie, gene zo verachtelijke, nietswaardige mannen waren, als waarvoor men hen gemeenlijk hield, en dat zij ene betere behandeling verdienden. Hij heeft het ook gedaan om de hoofdmannen zachter te stemmen voor de Christenen te Filippi en ene betere behandeling voor hen te verkrijgen, en bij den lieden ene betere mening omtrent den Christelijken Godsdienst ingang te doen vinden, als zij zagen hoe hoog Paulus stond boven hun hoofdmannen, daar hij ene aanklacht tegen hen had kunnen indienen wegens hetgeen zij gedaan hadden, maar het niet gedaan had, hetgeen grotelijks tot eer strekte van den goeden naam, die over hem aangeroepen is. Nu laat Paulus hun weten op hoe velerlei wijze zij zich aan gevangenisstraf en verbeurdverklaring hunner goederen hadden blootgesteld, en dat hij kennis genoeg had van de wet om dit te weten,
a. Zij hebben hen gegeseld, die Romeinen waren. Sommigen denken, dat Silas zowel als Paulus Romeins burger was, maar anderen denken, dat dit er niet noodzakelijk uit volgt. Paulus was een burger, en Silas was zijn metgezel. Nu werd zowel door de lex Porcia als door de lex Sepronia uitdrukkelijk verboden liberum corpus Romani civis, virgis aut aliis verberibus cædi -het vrije lichaam van een Romeins burger met roeden, of met iets anders, te slaan. Romeinse geschiedschrijvers noemen voorbeelden, dat aan burgers hun handvest ontnomen werd wegens ene smadelijke behandeling, die zij aan Romeinse burgers aangedaan hadden. Wij zullen zien, dat Paulus zich hierop beroepen heeft, Hoofdstuk 22, 25, 26. Hun te zeggen, dat zij hen hadden gegeseld, die de boodschappers waren van Christus en de gunstgenoten des hemels, zou geen invloed of uitwerking op hen gehad hebben, maar hun te zeggen, dat zij Romeinse burgers mishandeld hebben, zal hun schrik aanjagen, zo gewoon is het voor de mensen om meer bevreesd te zijn voor den toorn des keizers dan voor dien van Christus. Hij, die een Romein, een aanzienlijk man, een edelman, be- ledigt, al is het ook in onwetendheid of bij vergissing, vindt zich genoopt peccavi -ik heb verkeerd gedaan -te roepen en zijne nederige verontschuldiging aan te bieden, maar wie een Christen vervolgt, omdat hij van Christus is, blijft er bij, en denkt, dat hij dit veilig doen kan, hoewel God gezegd heeft: Wie hen aanraakt, raakt Mijn oogappel aan, en Christus er ons voor gewaarschuwd heeft om Zijne kleinen niet te ergeren.
b. Zij hadden hen onveroordeeld gegeseld, indicta causa -zonder hen te horen, zij hadden niet kalm en onpartijdig onderzocht wat tegen hen werd aangevoerd, en nog veel minder hun gevraagd wat zij ter hunner verantwoording te zeggen hadden. Het geldt als een algemene rechtsregel dat: Causâ cognitâ possunt multi absolvi, incognitâ nemo condemnapotest. -Velen kunnen, wijl hun gehoor werd verleend, vrijgesproken worden, terwijl niemand onverhoord veroordeeld mag worden. Christus' dienstknechten zouden niet zo mishandeld zijn, indien er naar hen en hun zaak een onpartijdig onderzoek was ingesteld.
c. Dit was nog verzwaard, omdat zij het in het openbaar gedaan hadden, want, gelijk dit nog groter smaad was voor de aldus mishandelden, was het ook een des te stouter trotsering van wet en gerechtigheid.
d. Zij hebben hen in de gevangenis geworpen zonder enigerlei reden voor hun gevangenneming te tonen, zij deden het willekeurig en door mondelinge orders. e. Nu werpen zij hen heimelijk daaruit, wèl waren zij niet onbeschaamd genoeg om te volharden in hetgeen zij gedaan hadden, maar zij waren ook niet eerlijk genoeg om schuld te bekennen. Hij staat er op, dat zij hun dwaling en onrecht zullen erkennen, en door hen in het openbaar uit de gevangenis te ontslaan, dit ontslag des te meer eervol te maken, wijl zij hen in het openbaar schande en smaadheid hadden aangedaan. "Dat zij zelven komen en ons uitleiden, getuigenis afleggende van onze onschuld, en dat wij niets gedaan hebben, der geselslagen of banden waardig." Het was geen punt van eer, waaraan Paulus zoveel gewicht hechtte, zo op staan bleef, maar een punt van gerechtigheid, en niet zo zeer voor hem zelven, als voor zijne zaak. "Dat zij komen en het geroep des volks tot zwijgen brengen door te bekennen, dat niet wij de stad beroerd hebben".
III. De onderwerping der hoofdmannen en de vernietiging van hun vonnis tegen Paulus en Silas, vers 38, 39, 1. De hoofdmannen werden bevreesd, toen hun gezegd werd (hoewel zij het misschien reeds wisten) dat Paulus een Romein was. Toen zij het hoorden, vreesden zij, dat sommigen van zijne vrienden aan de regering kennis zouden geven van hetgeen zij gedaan hadden, en dat het er dan slecht aan toe voor hen zou zijn. De handelwijze der vervolgers is dikwijls onwettig geweest, zelfs naar het volkenrecht, en dikwijls onmenselijk, indruisende tegen de wet der natuur, en altijd zondig, tegen de wet Gods. 2. Zij, komende, baden hen de wet niet tegen hen in te roepen, maar het onwettige van hetgeen zij gedaan hadden voorbij te zien en er niet meer van te spreken. Zij leidden hen uit de gevangenis, erkennende, dat zij hen er ten onrechte in gebracht hadden, en nu verlangden zij, dat zij kalm en vreedzaam uit de stad zouden gaan. Zo zijn Farao en zijne dienaren, die God en Mozes getrotseerd hadden, tot Mozes gekomen, en hebben zich voor hem geneigd, zeggende: Trek uit, Exodus 11:18. God kan de vijanden Zijns volks beschaamd doen worden over hun ijver over hen en hun vijandschap van hen, Jesaja 26:11. Jeruzalem is soms tot een lastigen steen gesteld voor allen, die zich daarmee beladen, dien zij zeer gaarne kwijt zouden willen worden, Zacheria 12:3. Indien echter het berouw dier hoofdmannen oprecht ware geweest, dan zouden zij niet begeerd hebben dat Paulus en Silas uit de stad zouden gaan, (zoals de Gadarenen begeerd hebben Christus kwijt te raken,) maar zij zouden hun verzocht hebben te blijven, zich in hun stad te vestigen, om hun den weg der zaligheid te verkondigen. Maar velen zijn er wel van overtuigd, dat het Christendom niet vervolgd moet worden, maar niet dat het moet worden aangenomen, of zij zijn ten minste niet zelf bewogen om het aan te nemen. Zij zijn genoodzaakt Christus en Zijne dienstknechten te eren, voor hun voeten te aanbidden, en te bekennen, dat Hij hen liefhad, Openbaring 3:9, maar komen er niet toe om het nut en voordeel van Christus te hebben of te delen in Zijne liefde.
IV. Het vertrek van Paulus en Silas van Filippi, vers 40. Zij verlieten de gevangenis niet eer zij er wettig uit waren ontslagen, hoewel zij er onwettig in waren gebracht. En toen:
1. Namen zij afscheid van hun vrienden, zij gingen in bij Lydia, waar de discipelen waarschijnlijk bijeen waren gekomen om voor hen te bidden, en daar zagen zij de broeders, of zij gingen hen bezoeken in hun respectieve woningen, hetgeen spoedig gedaan was, want zij waren slechts weinig in getal, en zij vertroostten hen, door hun te verhalen (zegt ene oude Griekse Schriftverklaring) wat God voor hen had gedaan, en hoe Hij voor hen getuigd heeft in de gevangenis. Zij moedigden hen aan om dicht bij Christus te blijven, de belijdenis huns geloofs vast te houden, niettegenstaande de moeilijkheden, die zich daarbij voor hen zouden voordoen, hun verzekerende dat dan alles voor eeuwig wèl zou zijn. Aan pas bekeerden moet veel tot hun vertroosting gezegd worden, want de blijdschap des Heeren zal in zeer veel hun sterkte wezen. 2. Zij gingen uit de stad. Ik vraag mij af waarom zij dit deden, want nu zij op zo eervolle wijze uit de gevangenis ontslagen waren, hadden zij toch zeker wel, voor enigen tijd ten minste, zonder gevaar met hun werk kunnen voortgaan. Maar ik onderstel, dat zij heengingen volgens het beginsel huns Meesters, Markus 1:38. Laat ons in de bijliggende vlekken gaan, opdat Ik ook dáár predike, want daartoe ben Ik uitgegaan. Paulus en Silas hadden ene buitengewone roeping om naar Filippi te gaan, maar toen zij er kwamen zagen zij weinig vrucht op hun arbeid en werden er spoedig van verdreven. Toch zijn zij er niet te vergeefs gekomen, hoewel het begin gering was, werd het laatste toch zeer vermeerderd. Zij hebben nu den grond gelegd voor ene gemeente te Filippi, die zeer uitnemend is geworden, hare bisschoppen en diakenen had, en gemeenteleden, die zich edelmoediger jegens Paulus hebben betoond dan iedere andere gemeente, gelijk blijkt uit zijn brief aan de Filippensen, Hoofdstuk 1:1, 4:14. Laten de Evangeliedienaren niet moedeloos worden, als zij niet terstond vrucht zien van hun arbeid. Het gezaaide zaad schijnt verloren onder de aardkluiten, maar ter bestemder tijd zal het weer opkomen en een overvloedigen oogst opleveren.