Markus 1:29-39
In deze verzen hebben wij:
I. Een bijzonder bericht van een wonder, door Christus gewrocht, in de genezing van de moeder van Simons vrouw, die de koorts had Dit verhaal hadden wij reeds in Mattheus. Merk op:
1. Dat Christus, toen Hij datgene gedaan had, waardoor Zijn roem door het gehele land verbreid werd, nu niet stilzat. Neen, Hij bleef goed doen, want dat was Zijn streven, Zijn bedoelen, maar niet Zijn eigen eer.
2. Toen Hij uit de synagoge gegaan was, waar Hij met Goddelijk gezag had geleerd en met Goddelijke macht had genezen, heeft Hij toch gemeenzaam gesproken met de arme vissers, die Hem vergezelden, en achtte dit niet beneden zich. Laat dezelfde gezindheid, dezelfde nederigheid van geest in ons zijn, die in Hem geweest is.
3. Hij ging in het huis van Petrus, waarschijnlijk aldaar genodigd zijnde voor het onthaal, dat een arme visser Hem kon bieden, en Hij nam het aan. De apostelen hebben alles verlaten om Christus te volgen, in zover hetgeen zij hadden hen niet verhinderde om met Hem te zijn, maar toch niet op zulk ene wijze, dat zij hetgeen zij hadden niet voor Hem konden gebruiken.
4. Hij genas zijne schoonmoeder, die ziek was. Waar Christus komt, komt Hij om goed te doen, en daar zal Hij voorzeker het Hem geboden onthaal rijkelijk vergelden. Merk op, hoe volkomen de genezing was, toen de koorts haar verliet, heeft zij haar niet, als gewoonlijk, zwak gelaten, maar dezelfde hand, die haar had genezen, had haar ook versterkt, zodat zij instaat was hen te dienen. De genezing heeft plaats om geschikt te maken tot werken, opdat wij Christus mogen dienen, en om Zijnentwil ook Zijn volk.
II. Een algemeen bericht van vele genezingen, door Hem gewrocht- krankheden genezen, duivelen uitgeworpen. Het was op den avond van den sabbat, toen de zon onderging, of was ondergegaan. Velen hadden wellicht gewetensbezwaar om hun kranken tot Hem te brengen voordat de sabbat voorbij was, maar hun zwakheid hieromtrent was geen vooroordeel, dat hen belette zich tot Christus te wenden. Hoewel Hij bewees, dat het geoorloofd is op den sabbatdag te genezen, waren zij Hem, indien dit toch een struikelblok voor hen was, toch ook welkom op een anderen tijd. Merk nu op:
1. Hoe talrijk de patiënten waren. De gehele stad was bijeen vergaderd omtrent de deur, als bedelaars voor ene bedeling. Die ene genezing in de synagoge heeft die menigte tot Hem gebracht. Anderen, die voorspoed bij Christus gehad hebben, moeten ons aanvuren in ons zoeken en vragen naar Hem. Thans gaat de Zon der gerechtigheid op met genezing onder zijne vleugelen, en tot Hem zullen de volken vergaderd worden. Merk op hoe de mensen tot Christus toestroomden in een particulier huis, zowel als in de synagoge, waar Hij is, laat daar ook Zijne dienstknechten, Zijne kranken, zijn. En aan den avond van den sabbat, als de openbare Godsverering voorbij is, dan moeten wij onzen dienst voor Jezus Christus toch nog voortzetten. Hij genas, zoals Paulus predikte, in het openbaar en van huis tot huis. 2. Hoe machtig de geneesmeester was: Hij genas allen, die tot Hem gebracht werden, hoe velen dit ook waren. Ook was het niet slechts een bijzondere kwaal of ziekte, die Christus genas, maar allen, die door verscheidene ziekten kwalijk gesteld waren, werden door Hem genezen, want Zijn woord was een panpharmacon, een zalf voor elke wond. Inzonderheid het wonder, dat Hij in de synagoge verrichtte, herhaalde Hij des avonds in het huis, want Hij wierp vele duivelen uit, en liet de duivelen niet toe te spreken, want Hij liet hen weten wie Hij was, en dat bracht hen tot stilzwijgen. Of wel: Hij liet hen niet toe te zeggen dat zij Hem kenden-want zo kan die plaats ook gelezen worden- Hij wilde hun niet meer veroorloven te zeggen wat zij gezegd hadden, vers 24 :ik ken U, wie Gij zijt.
III. Zijn zich afzonderen tot gebed in de eenzaamheid, vers 35. Hij bad in de eenzaamheid om ons het voorbeeld te geven van gebed in het verborgen. Hoewel Hij, als God, werd aangebeden, heeft Hij als mens zelf gebeden. Hoewel Hij God verheerlijkte en goed deed in Zijn openbaren arbeid, vond Hij toch tijd om alleen te wezen met Zijn Vader, en zo betaamde het Hem alle gerechtigheid te vervullen. Merk nu op:
1. Den tijd, wanneer Christus bad.
a. Het was des morgens, op den morgen na den sabbatdag. Als een sabbatdag voorbij is, dan moeten wij niet denken, dat wij nu met bidden kunnen ophouden tot aan den volgenden sabbat, neen, hoewel wij niet naar de synagoge gaan, moeten wij toch tot den troon der genade gaan, elke dag van de week, en inzonderheid op den morgen na den sabbat, opdat de goede indrukken van dien dag ons zullen bijblijven. Deze morgen was de morgen van den eersten dag der week, dien Hij later geheiligd en merkwaardig heeft gemaakt door een andere soort van vroeg opstaan.
b. Het was vroeg, als het nog diep in den nacht was. Als anderen nog sliepen in hun bed, bad Hij, gelijk een ware zoon van David, die God zoekt in den dageraad, en zich des morgens tot Hem schikt, ja, en te middernacht opstaat om Hem te loven. Men heeft gezegd, dat de morgen een vriend is der muzen, dat is van de beoefening van letteren en kunst, maar hij is het niet minder van genade, dat is van de beoefening der Godsvrucht. Als onze geest fris en opgewekt is, dan is het de tijd voor gebed. God, die de eerste voor ons is, en de beste, moet ook het eerste en het beste van ons hebben.
2. De plaats waar Hij bad, Hij ging uit, en ging heen in een woeste plaats, ergens buiten de stad, op een eenzame, afgelegen plek. Hoewel Hij geen gevaar liep van afgeleid te worden, of blootstond aan verzoeking tot verwaandheid, heeft Hij toch de eenzaamheid opgezocht, om ons het voorbeeld te geven van den door Hem zelven gestelden regel: Als gij bidt, zo ga in uwe binnenkamer. Het verborgen gebed moet in het verborgen geschieden. Zij, die het drukst werkzaam zijn in het openbaar, en daar ook het best werkzaam zijn, moeten toch soms alleen zijn met God, moeten zich terugtrekken in de eenzaamheid, om er met God te spreken en gemeenschap met Hem te onderhouden.
IV. Zijn terugkeren tot Zijn openbaren arbeid. De discipelen dachten, dat zij vroeg op waren, maar zij bevonden, dat hun Meester voor hen opgestaan was, en toen onderzochten zij waar Hij was heengegaan. Zij zijn Hem nagevolgd naar Zijn eenzame plaats, en vonden Hem in het gebed, vers 36, 37. Zij zeiden Hem, dat er veel naar Hem gevraagd werd, en dat een grote menigte kranken Hem wachtte. Zij zoeken U allen. Zij waren fier, dat hun Meester reeds zo hoog in aanzien stond bij het volk, en zij wensten, dat Hij te dezer plaatse nog meer in het openbaar zou verschijnen, omdat het hun eigen stad was, en wij zijn geneigd tot voorliefde voor de plaatsen, die wij kennen en waarin wij belangstellen.
Neen, zegt Christus, Kapernaum moet niet alleen het voorrecht hebben van de prediking en de wonderen van den Messias. Laat ons in de bijliggende vlekken gaan, de dorpen hier in den omtrek, opdat Ik ook daar predike en er wonderen doe, want daartoe ben Ik uitgegaan, niet om voortdurend in ene plaats verblijf te houden, maar om het land door te gaan goed doende. Zelfs de inwoners der dorpen in Israël zullen tezamen spreken van de gerechtigheden des Heeren, Richteren 5:11. Christus had het doel voor ogen, waartoe Hij was uitgegaan, en dat doel heeft Hij gestadig nagejaagd, daarvan zal Hij door den drang of de overreding Zijner vrienden niet worden afgeleid, want, vers 39.
Hij predikte in hun synagogen door geheel Galilea, en om Zijne leer te bevestigen en op te helderen, wierp Hij duivelen uit. Christus' leer is Satans verderf.