1 Timotheus 2:1-8
Hier is:
I. Een gebod aan de Christenen gegeven om te bidden. Voor alle mensen in het algemeen en voornamelijk voor de overheid. Timotheus moest zorg dragen dat dit geschieden zou. Paulus schrijft hem geen gebedsformulier voor, hetgeen hij gedaan zou hebben indien hij bedoeld had, dat de dienaren op die wijze tot dat gebed gehouden waren, maar zegt in het algemeen, dat gedaan moeten worden smekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen, smekingen om voor het boze bewaard te blijven, gebeden om het goede te verkrijgen, voorbiddingen voor anderen, dankzeggingen voor reeds ontvangen barmhartigheden. Paulus achtte het voldoende hun algemene wenken te geven, zij hadden de Schrift om hen in het gebed te leiden, en den Geest des gebeds om door hen te spreken, en behoefden dus geen verderen leidraad. Het doel van het Christelijk geloof is bevordering van het gebed, en de discipelen van Christus moeten biddende mensen zijn. Bidt altijd niet alle gebed, Efeze 6:18. Wij moeten bidden in de eerste plaats voor ons zelven, dat is hier ingesloten. Verder moeten wij bidden voor alle mensen, voor de mensheid in het algemeen, en voor bijzondere personen, die onze gebeden behoeven of begeren. Zie hier dat de Christelijke godsdienst geen sekte is, want hij leert de mensen deze algemene liefde om te bidden niet alleen voor hen, die met ons het eens zijn, maar voor alle mensen. Bidt voor koningen, vers 2, ofschoon de koningen in dien tijd heidenen waren, vijanden van het Christendom en vervolgers van de Christenen, toch moest voor hen gebeden worden, want dat is voor het algemeen welzijn, dat er een behoorlijke regering zou zijn, die uitgeoefend werd door geschikte personen, voor welken wij dus behoren te bidden al zouden wij zelven ook onder hen lijden. Voor koningen en allen die in hoogheid zijn, dat is, de onder hen staande regeringspersonen, wij moeten voor hen bidden en wij moeten voor hen danken, bidden voor hun welzijn en dat van hun koninkrijken, en wij moeten daarom niet tegen hen samenscholen, opdat in hun vrede wij vrede mogen hebben. En wij moeten danken voor hen en voor de zegeningen, die wij onder hun regering hebben, opdat wij een gerust en godzalig leven mogen leiden in alle godzaligheid en eerlijkheid. Hier zien wij wat wij voor de koningen moeten begeren: dat God hun harten wil wenden en er toe richten dat wij onder hen een gerust en stil leven mogen leiden. Hij zegt niet: dat wij onder hen voorkeur mogen genieten, rijk worden, in eer en aanzien toenemen, neen, het toppunt der wensen van een Christen is een goed en stil leven te leiden en in nederigen staat onaangevochten door de wereld te gaan. Wij moeten begeren dat wij en anderen een stil en gerust leven mogen leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid, waaruit blijkt dat er geen stil en gerust leven zijn kan zonder godzaligheid en eerbaarheid. Laat ons aan onzen plicht gedenken en dan mogen wij verwachten beschermd te zullen worden door God en de regering beiden. In alle godzaligheid en eerbaarheid. Hier hebben wij onze plichten als Christenen in twee woorden samengevat: godzaligheid, dat is de ware verering van God, en eerbaarheid, dat is een goed gedrag jegens alle mensen. Deze twee moeten samengaan, wij zijn niet waarlijk eerbaar als wij niet godzalig zijn en Gode de Hem verschuldigde eer geven, en wij zijn niet waarlijk godzalig indien wij niet eerbaar zijn, want God haat den roof in het brandoffer. Hier valt op te merken:
1. Christenen behoren mensen te zijn, die veel bidden, zij moeten daarin overvloedig zijn en zich begeven tot smekingen, gebeden enz. 2. In onze gebeden moeten wij edelmoedige belangstelling tonen in anderen, zowel als in ons zelven, wij moeten bidden voor alle mensen en danken voor alle mensen, en niet onze gebeden en dankzeggingen bepalen tot onze eigen personen of gezinnen.
3. Het gebed heeft verscheidene onderdelen: smekingen, gebeden, voorbiddingen en dankzeggingen, want wij moeten bidden om de barmhartigheid die wij nodig hebben, maar niet minder dankzeggen voor die, welke wij ontvangen hebben, en wij moeten de oordelen afwenden, welke onze eigen en anderer zonden verdiend hebben.
4. Voor alle mensen, ook voor koningen en anderen, die in hoogheid zijn, moet gebeden worden. Zij hebben behoefte aan onze gebeden, want zij hebben veel moeilijkheden het hoofd te bieden, en hun hoge plaats stelt hen aan velerlei verzoeking bloot.
5. In het bidden voor onze overheid bereiden wij ons meest-waarschijnlijk de gelegenheid om een stil en gerust leven te leiden. Den Joden te Babel werd bevolen den vrede te zoeken van de stad, waarheen de Heere hen gevankelijk had doen wegvoeren, en Hem voor haar welzijn te bidden, want in haar vrede zouden zij vrede hebben, Jeremia 29:7.
6. Indien wij een stil er gerust leven willen leiden, moeten wij leven in alle godzaligheid en heiligheid, onze plichten jegens God en mensen vervullen. Wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, die stille zijn tong van het kwaad en zijn lippen dat zij geen bedrog spreken, die wijke af van het kwade en doe het goede, die zoeke vrede en jage dien na, 1 Petrus 3:10, 11. En de reden die hij er voor aangeeft is: Want dat is goed en aangenaam voor God onzen Zaligmaker, met andere woorden: het Evangelie eist het. Wij behoren te doen en overvloedig te doen hetgeen aangenaam is aan God onzen Zaligmaker.
II. Als reden, waarom wij in onze gebeden voor alle mensen zullen bidden, noemt hij Gods liefde voor de gehele mensheid, vers 4.
1. Een reden, waarom er voor alle mensen moet gebeden worden, is dat er slechts een God is, en dat deze God welwillend is jegens allen. Er is een God, vers 5, en niet meer dan een, er is geen andere, er kan geen andere zijn, want er kan slechts een Oneindige bestaan. Deze ene God wil dat alle mensen zalig worden, Hij begeert niemands dood en verderf, Ezechiël 33:11, maar het welzijn en de redding van allen. Niet in dien zin, dat Hij de zaligmaking van allen besloten heeft, want dan zouden alle mensen gered worden, maar Hij heeft een goeden wil voor de zaligmaking van allen, en geen hunner gaat verloren dan door eigen schuld, Mattheus 23:37. Hij wil dat allen zalig worden en tot kennis der waarheid komen, om in den door Hem bepaalden weg en op geen andere wijze gered te worden. Wij hebben er belang bij deze waarheid te kennen, want dat is de weg om gered te worden. Christus is de weg, de waarheid en het leven.
2. Er is een Middelaar, en die Middelaar gaf zich zelven tot een rantsoen voor allen. Gelijk Gods barmhartigheid zich uitstrekt over al Zijne werken, zo strekt zich het middelaarschap van Christus uit tot alle mensen, in zoverre dat Hij een prijs betaald heeft, groot genoeg voor de redding van alle mensen. Hij bracht de mensheid in nieuwe voorwaarden met God, zodat zij niet meer onder de wet is als een verbond der werken, maar als een regel des levens. Zij zijn onder de genade, niet onder het verbond der onschuld, maar onder een nieuw verbond. Hij gaf zich tot een rantsoen. De dood van Christus was een rantsoen, een betaling. Wij hadden verdiend te sterven. Christus stierf voor ons om ons van dood en hel te verlossen, Hij gaf zich zelven vrijwillig tot een rantsoen, een rantsoen voor allen, zodat de gehele mensheid in beteren toestand is dan die der duivelen. Hij stierf om een algemene zaligheid te verwerven, en daarom stelde Hij zich in de bediening van Middelaar tussen God en mensen. Een middelaar veronderstelt een punt van geschil. De zonde heeft een twist tussen ons en God veroorzaakt. Jezus Christus is de Middelaar, die het ondernam vrede te maken, God en mens tot elkaar te brengen, gelijk een vredemaker of scheidsrechter, een scheidsman, die de hand op beiden leggen moet, Job 9:33. Hij is een rantsoen, en de getuigenis was tot Zijnen tijd, dat is, in het Oude Testament werd van Zijn lijden en de heerlijkheid daarna volgende gesproken als van dingen, die in de laatste tijden geopenbaard zouden worden, 1 Petrus 1:10, 11. En dientengevolge zijn zij geopenbaard, Paulus zelf was aangesteld tot een prediker en apostel, om aan de heidenen de gelukkige tijding van verzoening en verlossing door Jezus Christus te brengen. Deze leer van Christus' middelaarschap was Paulus toevertrouwd om haar aan alle creaturen te verkondigen, Mark 16:15. Hij was aangesteld om een leraar der heidenen te zijn, buiten zijn algemene roeping tot apostel, was hij bepaald aangewezen om een leraar der heidenen te zijn, in geloof en waarheid, of getrouw en oprecht.
A. Het is goed en aangenaam voor God, onzen Zaligmaker, dat wij voor koningen en alle mensen bidden, en evenzo dat wij een stil en gerust leven leiden, en hier is een zeer goede reden, waarom wij dat een en ander doen zouden.
B. God wil dat alle mensen zalig worden, zo dat het niet zozeer een ontbreken van den wil in God is om hen zalig te maken, dan een ontbreken van wil in hen om langs den door God aangewezen weg zalig te worden. Onze gezegende Zaligmaker toont dit gebrek aan in de woorden: Gij wilt tot Mij niet komen opdat gij het eeuwige leven hebben zoudt, Johannes 5:40.
Ik heb u willen vergaderen, maar gij hebt niet gewild.
C. Zij, die gered worden, moeten komen tot de kennis van de waarheid, want dat is de door God aangewezen weg tot redding van zondaren. Zonder kennis kan het hart niet goed zijn, indien wij de waarheid niet kennen, kunnen wij ook niet door haar bestuurd worden.
D. Het is opmerkelijk dat zowel de eenheid van God als de eenheid van Middelaar wordt vastgesteld, maar de Roomse kerk handhaaft een menigte van goden en een menigte van middelaars.
E. Hij, die Middelaar is in den zin van het Nieuwe Testament, gaf zich zelven tot een rantsoen. Vals is de bewering der Roomse kerk, dat er slechts een middelaar voor de vol- doening is, doch verscheidene middelaars voor de tussenkomst zijn, want, volgens Paulus, was de zelfovergave van Christus als een rantsoen een noodzakelijk deel van Zijn Middelaarschap, en inderdaad legt die den grond voor Zijne tussenkomst.
F. Paulus was tot dienaar geordend om dit aan de heidenen te verklaren, dat Christus is de ene Middelaar tussen God en de mensen, die zich zelven gaf tot een rantsoen voor allen. Dit is de inhoud van hetgeen alle dienaren moeten verkondigen tot aan het einde der wereld, en Paulus maakte zijne bediening heerlijk, daar hij de apostel der heidenen was, Romeinen 11:13. G. De dienaren moeten de waarheid prediken, hetgeen zij als zodanig geleerd hebben en waarin zij zelven geloven, zij moeten gelijk de apostel haar prediken in geloof en waarheid, en zij moeten zelf getrouw en betrouwenswaard zijn.
III. Een aanwijzing hoe te bidden, vers 8.
1. Nu, onder het Evangelie, is het gebed niet beperkt tot enig bepaald huis des gebeds, maar de mensen moeten overal bidden, geen plaats is ongeschikt voor gebed, geen plaats Gode aangenamer dan een andere, Johannes 4:21.
Bidden in alle plaatsen. Wij moeten bidden in onze binnenkamers, bidden in onzen familiekring, bidden bij onze maaltijden, bidden wanneer wij op reis zijn, bidden in plechtige samenkomsten, hetzij die openlijk of meer in besloten kring zijn.
2. Het is de wil van God, dat wij in het gebed zullen opheffen heilige handen. Opheffende heilige handen, of reine handen, rein van de besmetting der handen, gewassen in de fontein, die tegen alle zonde en onreinheid geopend is. Ik was mijne handen, Psalm 26:6.
3. Wij moeten bidden in liefde: zonder toorn of twisting, zonder haat tegen iemand.
4. Wij moeten bidden in het geloof, niet twijfelend, Jakobus 1:6.