Markus 13:28-37
Wij hebben hier de toepassing van deze profetische leerrede, leert nu op de rechte wijze voorwaarts te zien.
I. "Wat betreft de verwoesting van Jeruzalem, verwacht haar binnen zeer korten tijd, zoals gij, wanneer de tak van den vijgenboom teder wordt en de bladeren uitspruiten, verwacht dat de zomer nabij is, vers 28. Als tweede oorzaken beginnen te werken, dan verwacht gij daar naar de rechte orde en tijd de uitwerkselen van te zien. Evenzo, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, als gij de Joodse natie in een oorlog gewikkeld ziet, verward en verbijsterd door valse christussen en profeten, en zich het ongenoegen der Romeinen op den hals halende, inzonderheid, als gij ziet, dat zij u om uws Meesters wil vervolgen, en daardoor volharden in hetgeen zij deden toen zij Hem ter dood hebben gebracht, en het dus herhalen, zodat zij de mate hunner ongerechtigheid vol doen worden, zegt dan, dat hun ondergang nabij is, ja voor de deur is, en zorgt dienovereenkomstig voor uzelven". Wèl waren al de discipelen, behalve Johannes, weggenomen voor den dag des kwaads, maar het volgende geslacht, dat zij moesten opleiden, zou dit alles beleven, en door de instructies, die Christus naliet, werden zij bewaard van er in te delen.
"Dit geslacht, dat nu opkomt, zal niet voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn, waarvan Ik u gesproken heb met betrekking tot Jeruzalem, en weldra zullen zij beginnen te geschieden. En gelijk deze verwoesting nabij, en als het ware binnen het gezicht is, zo is zij ook zeker en gewis. Het raadsbesluit is uitgegaan, het is ene voleinding, die vast besloten is." Daniël 9:27. Christus zegt deze dingen niet bloot en alleen om hen te verschrikken, neen, zij zijn de verklaring van het vaste voornemen Gods, De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, aan het einde des tijds, maar Mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan, vers 31. Geen enkele van deze voorzeggingen zal falen om letterlijk vervuld te worden.
II. "Wat betreft het einde der wereld: vraagt niet wanneer dat komen zal, want het is niet betamelijk daarnaar onderzoek te doen, want van dien dag en die ure weet niemand, dit is ene zaak, die nog op verren afstand is. De juiste tijd er van is vastgesteld in den raad Gods, maar is door generlei woord van God geopenbaard, hetzij aan mensen op aarde, of aan engelen in den hemel. De engelen zullen er bijtijds kennis van ontvangen ten einde zich te bereiden voor den dienst op dien dag, en hij zal bekend gemaakt worden aan de kinderen der mensen met het geklank der bazuin, maar voor het ogenblik worden mensen en engelen omtrent het juiste tijdstip hiervan nog in het duister gelaten, opdat zij aan het werk en den dienst van heden al hun aandacht zullen wijden." Maar nu volgt: noch de Zoon. Is er dan iets, dat aan den Zoon onbekend is? Wij lezen wel van een boek, dat verzegeld was, totdat het Lam de zegels opende, maar kende Hij er den inhoud niet van voordat de zegels geopend waren? Was het. niet met Zijn medeweten geschreven? In de eerste tijden der Christenheid zijn er personen geweest, die uit dezen tekst hebben afgeleid, dat er sommige dingen waren, die aan Christus als mens onbekend waren, en hierom Agnoetae werden genoemd. Het is niet ongerijmder om dit te zeggen, beweerden zij, dan te zeggen dat Zijn menselijke ziel smart en angst geleden heeft, en velen van de rechtzinnige kerkvaders hebben daar hun goedkeuring aan gehecht. Sommigen zouden de moeilijkheid willen ontwijken door te zeggen, dat Christus dit sprak met voorzichtig beleid, ten einde verdere vragen van de discipelen te voorkomen. Maar hierop antwoordt een der ouden: Het voegt niet, hier al te nauwkeurig op in te gaan, aldus Leontius bij Dr. Hammond. Het is zeker, zegt aartsbisschop Tillotson, "dat Christus, als God, omtrent generlei zaak onwetend kon zijn, maar de Goddelijke wijsheid, die in onzen Heiland heeft gewoond, heeft zich meegedeeld aan Zijn menselijke ziel, naar het Goddelijk welbehagen, zodat Zijn menselijke natuur soms dingen niet geweten kan hebben, daarom wordt van Christus gezegd, dat Hij toenam in wijsheid, Lukas 2:52, hetgeen van Hem niet gezegd zou kunnen worden, indien de menselijke natuur van Christus noodzakelijkerwijs, krachtens hare vereniging met de Goddelijke natuur, alles weten moest. Dr. Lightfoot verklaart het aldus: Christus noemt zich den Zoon als den Messias. Nu is de Messias, als zodanig, de knecht des Vaders geweest. Jesaja 42:1, door Hem gezonden en afgevaardigd, en als zodanig beroept Hij zich dikwijls op Zijns Vaders wil en gebod, en erkent Hij, van zich zelven niets te kunnen doen, Johannes 5:19, en evenzo zou van Hem gezegd kunnen worden, dat Hij van of uit zich zelven niets wist. De openbaring van Jezus Christus was de openbaring, die God Hem gegeven heeft, Openbaring 1:1. Hij is dus van mening, dat wij hebben te onderscheiden tussen deze voortreffelijkheden en volmaaktheden, die het uitvloeisel waren van zijn persoonlijke vereniging met de Goddelijke en menselijke natuur, en die, welke het gevolg waren van de zalving des Geestes. Uit de eerste vloeide de oneindige waarheid voort van Zijn persoon en Zijn volmaakt vrij-zijn van alle zonde, maar uit de laatste vloeiden Zijne macht voort om wonderen te doen en Zijne wetenschap van toekomstige gebeurtenissen. Aldus (zegt hij) heeft het Hem behaagd om hetgeen Hij aan Zijne kerk wilde openbaren, niet te ontlenen aan de vereniging van Zijn menselijke natuur met de Goddelijke, maar aan de openbaring des Geestes, waardoor Hij dit nochtans niet wist, maar alleen de Vader wist het, dat is alleen God, de Godheid, want (gelijk aartsbisschop Tillotson het verklaart) het wordt hier niet persoonlijk genomen, in onderscheiding van den Zoon en den Heiligen Geest, maar als de Vader is, fons etprincipium Deitatis -de bron en oorsprong der Godheid.
III. Wat beiden betreft: uw plicht is het te waken en te bidden. Daarom wordt het tijdstip geheim gehouden, opdat gij steeds op uwe hoede zijn zult, vers 33. Ziet toe, wacht u voor alles, dat u ongeschikt zou maken voor uws Meesters komst en waardoor uw geest zozeer in verlegenheid zou gebracht worden, dat gij geen goede rekenschap zoudt kunnen afleggen. Wacht u er voor dat Zijne komst u bij verrassing zou overvallen, en bidt om de genade, die nodig is, om er u geschikt en bereid voor te maken, want gij weet niet wanneer de tijd is, en het is van het grootste belang voor u om iedere dag bereid te zijn op hetgeen iedere dag komen kan. Dit wordt door Hem aan het slot opgehelderd door ene gelijkenis.
1. Onze Meester is weggegaan, en heeft ons iets ter bewaring toevertrouwd, waarvan wij rekenschap moeten geven, vers 34. Hij is gelijk een mens, buitenslands reizende, want Hij is heengegaan om geruimen tijd weg te blijven. Hij heeft op aarde Zijn huis achtergelaten, en Zijn dienstknechten heeft Hij macht gegeven en elk zijn werk. Aan sommigen heeft Hij macht gegeven als opzieners, aan anderen Mij geloven: Waakt, waakt, verwacht Mijne wederkomst, bereidt u, opdat gij onbevlekt en onbestraffelijk van Hem bevonden moogt worden in vrede.