Leviticus 25:1-7
De wet van Mozes legde groten nadruk op de sabbat, waarvan de heiliging de vroegste en oudste is van al de Goddelijke inzettingen bestemd en bedoeld om de kennis en aanbidding van de Schepper in wezen te houden onder de mensen. Deze wet nu deed niet slechts de waarneming van de wekelijkse sabbat herleven, maar tot nog verdere bevordering van de eer er van is er de inzetting van het sabbatsjaar aan toegevoegd, vers 4, in het zevende jaar zal voor het land een sabbat van de rust zijn. Hierop grondden de Joden de algemeen aangenomen overlevering dat de wereld na zes duizend jaren bestaan te hebben (duizend jaren voor God als één dag zijnde) zal ophouden en door de eeuwige sabbat gevolgd zal worden. Het is echter wel een zwakke grond om er de vaststelling op te bouwen van die dag en die ure, welke te kennen Gods kroonrecht is. Dit sabbatsjaar begon in September bij het einde van de oogst, de zevende maand van hun kerkelijk jaar, en de wet was:
1. Dat zij in de zaaitijd, die onmiddellijk volgde op hun inzameling, geen koren zouden zaaien in het land, en in de lente hun wijnstokken niet zouden snoeien, en bijgevolg ook in het volgende jaar koren- noch wijnoogst moesten verwachten.
2. Dat zij wat hun grond vanzelf opbracht zich niet mochten toeëigenen, er niets van mochten gebruiken, dan hetgeen-zoals wij zeggen-van de hand in de tand ging, maar het voor de arme dienstknechten, de vreemdelingen en het vee moesten overlaten, vers 5-7. Het moet een sabbat van de rust zijn voor het land, zij moeten er noch werk in doen, noch er vruchten van verwachten, alle jaarlijkse arbeid moest in het zevende jaar stilstaan, evenzeer als de dagelijkse arbeid op de zevende dag. De Joden zeggen: "Zij begonnen voor het sabbatsjaar niet te rekenen, vóór zij de verovering van Kanaän voltooid hadden, hetgeen in het achtste jaar was van Jozua, het zevende jaar daarna was het eerste sabbatsjaar, en zo was het vijftigste het jubeljaar." In dit jaar was er een algemene vrijlating van schulden, Deuteronomium 15:1, 2, en een openbare voorlezing van de wet op het feest, Deuteronomium 31:10, 11.
Hierdoor heeft God willen tonen:
a. Dat Hij hun landheer was, en dat zij Zijn leenhouders waren, afhankelijk van Zijn wil. Landheren zijn gewoon een overeenkomst te treffen met hun pachters, waarbij zij bepalen wanneer zij hun land voor het eerst zullen beploegen, hoe lang zij het zullen bebouwen, en wanneer zij het zullen laten rusten. God wilde hun aldus dit goede land geven en overdragen onder zulke voorwaarden en beperkingen, als waardoor zij zullen weten dat zij er niet de eigenaars van waren, maar afhankelijk waren van hun Heer.
b. Het was een weldaad voor hun land om het soms te laten rusten, opdat het niet uitgeput zou raken, maar in goede staat zou blijven voor de nakomelingschap, met welks belangen God wilde, dat zij te rade zouden gaan, zij mochten de grond niet gebruiken alsof hij slechts voor één geslacht was bestemd.
c. Als zij aldus gedurende een geheel jaar van allen landelijke arbeid ontheven waren, dan hadden zij zoveel te meer tijd om zich aan de zaken en de beoefening van de Godsdienst te wijden, en kennis te verkrijgen van God en Zijn wet. d. Hiermede werd hun geleerd barmhartig en vrijgevig te zijn, zich niet van alles meester te maken, maar anderen met hen te laten delen in de gaven van Gods milddadigheid, die de aarde vanzelf voortbracht.
e.Zij moesten in voortdurende afhankelijkheid leven van de Goddelijke voorzienigheid, bevindende dat, gelijk de mens niet bij brood alleen leeft, hij ook niet door zijn eigen vlijt alleen brood heeft, maar, indien het God behaagt, door het woord van zegen uit de mond Gods, zonder enigerlei zorg of moeite van de mens, Mattheus 4:4
f. Zij werden herinnerd aan het geruste leven, dat de mens in het paradijs heeft geleid, toen hij alle goede dingen at, niet zoals later in het zweet zijns aanschijns. Arbeid en moeite zijn met de zonde in de wereld gekomen.
g. Hen werd geleerd te bedenken hoe de armen leefden, die zaaiden noch oogstten, namelijk door de zegen Gods op een weinig. Eindelijk. Dit jaar van rust was een type van de geestelijke rust, waartoe alle gelovigen ingaan door Christus, onze ware Noach, die ons troost en rust geeft over ons werk en over de smart van onze handen, vanwege het aardrijk dat de Heere vervloekt heeft, Genesis 5:29. Door Hem worden wij ontheven van de last van wereldse zorg en moeite en instaat gesteld en aangemoedigd om door het geloof te leven. En gelijk de vruchten van deze sabbat des lands gemeenschappelijk werden gebruikt en genoten, zo is de zaligheid door Christus gewerkt een gewone zaligheid, en dit sabbatsjaar scheen herleefd te zijn in de Christelijke kerk, toen de gelovigen alle dingen gemeenschappelijk hadden, Handelingen 2:44.