Hebreeën 3:7-19
Van hier tot het einde van het hoofdstuk geeft de apostel hun ernstige vermaning en raad, en hij haalt daartoe aan een gedeelte van Psalm 95, vers 8 en v.v., waaromtrent valt op te merken:
I. Wat hij hun raadt: Spoedig en dadelijk acht te geven op de roepstem van Christus: Hoor Zijne stem, luister er naar, neem die aan, en bedenk wat God door Christus tot u zegt, pas het op uzelven toe met geschikte genegenheid en pogingen, en doe het heden, want morgen kan het te laat zijn.
II. Waar hij hen tegen waarschuwt: Verharding van het hart, doof worden voor de roeping en den raad van Christus. Sluit uw oor en uw hart niet voor Zijne stem, wanneer Hij u wijst op het kwaad der zonde, de uitnemendheid der heiligheid, de noodzakelijkheid om Hem aan te nemen als uw Zaligmaker. De verharding van het hart is de oorsprong van al onze verdere zonden.
III. Welk voorbeeld ter waarschuwing hij aanhaalt: dat van de vaderen der Israëlieten in de woestijn: de verbittering ten dage der verzoeking. Dit ziet op de merkwaardige gebeurtenis te Massa Meriba, Exodus 17:2-7. Merk hier op:
1. Dagen van verzoeking zijn dikwijls dagen van verbittering.
2. God tergen, wanneer Hij ons beproeft en ons laat zien dat wij geheel afhangen van Hem en onmiddellijk uit Zijne hand leven, is verbittering van hogen aard,
3. De zonden van anderen, vooral van onze nabestaanden, moeten voor ons een waarschuwing zijn. De zonden en straffen onzer vaderen moeten door ons herdacht worden, om ons terug te houden van hun kwade voorbeeld te volgen. Wat nu de zonden van de voorvaderen der Joden betreft, die hier worden aangehaald, hebben wij te letten op het volgende.
A. De toestand, waarin die vaderen waren, toen zij dus zondigden, zij waren in de woestijn, uit Egypte uitgeleid, maar nog niet in Kanaän gekomen, de gedachte daaraan had hen van zondigen moeten terughouden.
B. De zonden, waaraan zij zich schuldig maakten, zij verzochten en verbitterden God, zij wantrouwden God, murmureerden tegen Mozes en wilden niet horen naar Gods stem.
C. De verzwaring van hun zonde, zij zondigden in de wildernis, waar zij meer onmiddellijk van God afhankelijk waren, zij zondigden toen God hen beproefde, zij zondigden terwijl zij Zijn werken zagen, wonderwerken verricht bij den uittocht uit Egypte, en hun onderhoud en verzorging dag aan dag in de woestijn. Zij gingen veertig jaren lang voort zo tegen God te zondigen. Dat ware grote verzwaringen.
D. De bron en oorsprong van die verzwaarde zonden, welke waren:
a. Zij dwaalden met het hart, en deze dwalingen des harten brachten vele andere dwalingen van hun lippen en hun leven teweeg. b. Zij kenden Gods wegen niet, ofschoon Hij voor hen uit wandelde. Zij kenden Zijne wegen niet, zo min de wegen van Zijn voorzienigheid, waarin Hij met hen wandelde, als de wegen van Zijn geboden, waarin zij met Hem moesten wandelen, zij letten niet op Zijne voorzienigheid en niet op Zijne geboden op de rechte wijze.
E. De rechtvaardige en grote toorn Gods over hun zonden, en daarbij het grote geduld, dat Hij hun betoonde, vers 10. Daarom was Ik vertoornd over dat geslacht.
a. Alle zonde, maar vooral die bedreven wordt door Gods belijdende en bevoorrechte volk, krenkt en beledigt God niet alleen, maar vertoornt Hem.
b. God is traag in het verwoesten van Zijn volk in of om hun zonden, Hij wacht lang om hun nog genadig te kunnen zijn.
c. God rekent stipt met den tijd, gedurende welken Zijn volk voortgaat met tegen Hem te zondigen en Hem door hun zonden te vertoornen, maar ten laatste, wanneer zij volharden in hun zonden en in het bedroeven van den Heiligen Geest, zullen hun zonden voor hen zelven krenkend worden, hetzij in een weg van oordeel of van barmhartigheid.
F. Het onherroepelijk vonnis, dat ter wille van hun zonden ten laatste over hen uitgesproken werd. God zwoer in Zijn toorn, dat zij niet in Zijne rust zouden ingaan, de rust van het aardse en het hemelse Kanaän beide. Merk op:
a. Lang-voortgezette zonde doet eindelijk den toorn Gods ontgloeien en opvlammen tegen de zondaren.
b. Gods toorn zal zich openbaren in Zijn rechtvaardig besluit om de zondaren te verdelgen, Hij zal zweren in Zijn toorn, niet overhaast maar rechtvaardig, en Zijn toorn zal hun toestand een rustelozen toestand maken, er is geen rust onder Gods toorn.
IV. Welk gebruik maakt de apostel van hun ontzaglijk voorbeeld? Hij geeft, vers 12, 13 en v.v., den Hebreeën een ernstige waarschuwing en versterkt die door een tedere toespraak.
1. Hij geeft den Hebreeën een ernstige waarschuwing. Ziet toe! Ziet voor u uit, weest op uw hoede tegen de vijanden van binnen en van buiten, weest waakzaam. Gij ziet wat velen van uw voorvaderen buiten Kanaän hield en maakte dat hun dode lichamen in de woestijn vielen, zorgt er voor dat gij ten slotte niet valt in dezelfde zonde, strik en vreeslijk oordeel. Ziet op Christus, het Hoofd der kerk, een veel groter persoon dan Mozes, een terging van Hem zou dus veel groter zonde zijn dan hun terging van Mozes, en gij zoudt in gevaar van gestrenger oordeel komen dan zij. De ondergang van anderen moet voor ons een waarschuwing zijn om ons te hoeden voor de rots, waarop zij te pletter vielen. Israël's val moet een waarschuwing zijn voor allen, die na hen komen, want al deze dingen zijn hun als voorbeelden overgekomen, 1 Corinthiërs 10:11, en wij moeten er acht op slaan. Ziet toe, allen die verlangen veilig naar den hemel te gaan, moeten op hen toezien.
2. Hij versterkt deze waarschuwing met een uitdrukking van toegenegenheid. Broeders, niet alleen naar het vlees, maar in den Heere, broeders, die ik liefheb, en voor wier welzijn ik verlangend arbeide. En thans gaat hij in op het onderwerp van de waarschuwing. Ziet toe, broeders, dat niet te eniger tijd in iemand van u zij een boos, ongelovig hart om af te wijken van den levenden God. Merk hier op:
A. Een ongelovig hart is een boos hart. Ongeloof is een grote zonde, die het hart bozer maakt.
B. Een boos ongelovig hart is de oorzaak van al onze zondige afwijkingen van God, het is de eerste stap tot afval, indien wij ons eerst veroorloven God te wantrouwen, zullen wij Hem spoedig verlaten.
C. Broeders in Christus hebben nodig tegen afval gewaarschuwd te worden. Die staat zie toe dat hij niet valle.
3. Hij voegt een goeden raad bij de waarschuwing, hij raadt hun aan te wenden wat een behoedmiddel zal zijn tegen een boos ongelovig hart: Maar vermaant elkaar te allen dage, zolang als het heden genaamd wordt, vers 13.
A. Wij moeten elkaar alle goed doen, dat in ons vermogen is zolang wij bij elkaar zijn, want dat is slechts een korte en onzekere tijd.
B. Omdat de morgen, de volgende dag, ons niet toebehoort, moeten wij het best-mogelijke gebruik maken van het heden.
C. Indien Christenen elkaar niet te allen dage vermanen, zullen zij gevaar lopen van verhard te worden door de verleiding der zonden.
a. Er is veel verleiding in de zonde, zij schijnt schoon, maar is lelijk, zij schijnt aangenaam, maar is verderflijk, zij belooft veel, maar vervult niets.
b. De verleiding van de zonde verhardt de ziel, een ingewilligde zonde baant den weg voor een tweede, elke begane zonde versterkt de gewoonte, zonde tegen het geweten is het middel om het geweten toe te schroeien, en daarom is het van het hoogste belang elkaar te waarschuwen om ons voor zonde te hoeden.
4. Hij vertroost hen, die niet alleen wèl aanvingen, maar ook voortzetten en tot het einde volharden, vers 14. Want wij zijn Christus deelachtig geworden, zo wij anders het beginsel van dezen vasten grond tot het einde toe vastbehouden.
A. Het voorrecht der heiligen. Zij zijn Christus deelachtig geworden, dat is: aan Zijn Geest, natuur, genade, rechtvaardigheid en leven, zij hebben aandeel aan alles wat van Christus is, aan alles wat Hij is, aan alles wat Hij gedaan heeft en zal doen.
B. De voorwaarde, waarop zij dit voorrecht bezitten, namelijk hun volharding in vrijmoedige belijdenis en beleving van Christus en het Christendom tot het einde. Zij zullen niet alleen volharden, daartoe vastgehouden door de macht Gods door het zaligmakend geloof, maar er zo toe gedrongen te worden is een van de middelen, waardoor Christus Zijn volk helpt om te volharden. Dat dient om hen waakzaam en ijverig te maken en zo voor afval te bewaren. a. Dezelfde Geest, waardoor Christenen de loopbaan in de wegen Gods moeten aanvangen, moeten zij handhaven tot het einde. Zij, die ernstig beginnen, met levendige liefde, heilige vastberadenheid en nederig toevoorzicht, moeten zo voortgaan. Maar:
b. Er zijn er velen, die bij den aanvang van hun belijdenis groten moed en veel vertrouwen tonen, en toch niet tot den einde volharden.
c. Volharden in het geloof is het beste bewijs voor de oprechtheid van het geloof.
5. De apostel vat samen wat hij vroeger uit Psalm 95 aangehaald heeft, en past het ernstig toe op dat geslacht, vers 15, 16 enz. Terwijl er gezegd wordt: Heden indien gij Zijne stem hoort, enz. Hij wil daarmee zeggen: Hetgeen ik uit de Schrift aangehaald heb slaat niet alleen op die vroegere eeuwen, maar ook op u en op allen, die na u komen zullen, opdat gij er u voor wachten zoudt niet in dezelfde zonden te vervallen en daardoor onder hetzelfde vonnis te komen. De apostel zegt hun dat ofschoon sommigen, die Gods stem gehoord hadden, Hem verbitterden, toch niet allen het deden.
A. Ofschoon de meerderheid der hoorders God verbittert door ongeloof, zijn er anderen, die de boodschap geloven.
B. Ofschoon het horen van het Woord het gewone middel voor de redding is, zal het, zo er niet naar geluisterd wordt, de mensen des te meer aan den toorn Gods blootstellen.
C. God zal een overblijfsel hebben, dat Zijn stem zal gehoorzamen, en Hij zal voor hen zorgen en met ere van hen melding maken.
D. Indien dezen in enige gewone zonde vallen, toch zullen zij deelhebben aan de eeuwige zaligheid, terwijl ongehoorzame hoorders voor eeuwig verloren gaan.
6. De apostel ontleent sommige vragen aan hetgeen hij tevoren gezegd heeft en geeft er de behoorlijke antwoorden op, vers 17-19. Over welken nu is Hij vertoornd geweest veertig jaren? Over degenen, die gezondigd hadden. En welken heeft Hij gezworen, enz.? Merk op:
A. God is vertoornd alleen over die van Zijn volk, die tegen Hem zondigen en in de zonde
B. God is meest vertoornd en beledigd door zonden, die in het openbaar en nationaal bedreven worden, wanneer de zonde algemeen besmettelijk is geworden, is zij het beledigendst.
C. Ofschoon God lang verdraagt, en lang zich laat beledigen, ook door het wicht van algemene en uitstekende zonden, zal Hij ten laatste openbare overtreders door openbare oordelen straffen.
D. Ongeloof, met opstand, die er het gevolg van is, is de grote verdoemelijke zonde van de wereld, vooral in hen, die de openbaring van Gods wil kennen. Die zonde sluit het hart van God en sluit de poort des hemels voor hen, zij brengt hen onder den toorn en den vloek Gods, en laat hen daaronder, zodat Zijn waarheid en gerechtigheid Hem noodzaken hen voor eeuwig buiten te werpen.