13. De God nu van de hoop (vgl.
Vers 5) vervulle jullie met alle mogelijke blijdschap en met alle mogelijke vrede (
Hoofdstuk 14:17) in het geloven, in de toestand van het gelovig zijn, opdat u overvloedig mag zijn in de hoop, waarin u reeds rijk bent, door de kracht van de Heilige Geest, die ze in u werkt. Die bede heb ik voor u, opdat die hoop niet temidden van de druk van de tijden wordt uitgeblust, maar integendeel door de nevelen van het natuurlijk kleingeloof steeds heerlijker en schitterender heen breekt.
Evenals Vers 1-4 in een zegenwens (Vers 5, 6) overgingen, zo gaat ook nu de vermaning, die met Vers 7 begon, in een zegenwens over, die tegelijk het slot van de gehele afdeling van Hoofdstuk 14 af vormt.
De zegenwens sluit zich aan de woorden in Vers 12 aan: "Op Hem zullen de heidenen, (tot welke u naar uw afkomst meestal behoort) hopen. " God is de werker van de hoop, evenals van lijdzaamheid en vertroosting en evenals volgens Vers 4 lijdzaamheid en vertroosting hoop werken en toch ook uit de reeds aanwezige hoop voortkomen, zo moet hier God als de God van de hoop de vreugde en de vrede verlenen, in zoverre beide uit de hoop voortvloeien, die zij toch ook weer zelf in hogere mate als gevolg hebben.
God is de bron van alle goede gaven en omdat Hij deze niet alleen heeft, maar zij ook Zijn eigenlijk wezen zijn, omdat Hij de liefde en de almacht niet maar bezit, maar liefde en almacht zelf is, kan Hij naar elke heerlijke eigenschap en naar elke heerlijke gave ook worden genoemd. Wat de heidenen meenden te hebben gewonnen, wanneer zij een godin, bijvoorbeeld de trouw of de hoop vereerden, dat bezit de Christen te zekerder en te krachtiger, wanneer hij levendig inziet dat de waarachtige God de persoonlijke trouw, hoop, liefde zelf is en Hij al deze eigenschappen zó bezit, als had Hij niets dan deze. (V.).
De God van de hoop nu zal de Romeinen met alle vreugde en vrede vervullen. Blijdschap is die heilige vreugde van de Christen, die voortvloeit uit het bezitten van de zaligheid, die blijdschap heeft in zijn grote God en Heiland Jezus Christus (Vers 10). Vervult deze blijdschap alle harten, dan is er ook vrede in. Als het eigen hart blij is, dan wil het niet alleen deelgenoten van zijn vreugde hebben, de vreugde in die God, die ons in genade heeft aangenomen, maakt ons ook gewillig en werkzaam om genade te bewijzen, elke zwakheid van de broeder als een zacht juk te dragen, eendracht te betonen, de eenheid van de Geest door de liefde, de band van de volmaaktheid, te bewaren, vrede te maken en vrede te houden met iedereen. Die zich in zijn God verheugt en in deze vreugde leeft, dat nu alle strijd een einde heeft, dat er nu vrede met God is gesloten, die is een kind van de vrede, een tot vrede bereide.
Al wat in dit leven ware vreugde is, is een voorsmaak van de vreugde van het eeuwige leven; blijdschap in de Heere en Zijn woord, blijdschap in al Zijn weldaden, die lichaam en ziel blij maken, blijdschap in de werkzaamheden voor Zijn rijk overal in de wereld, blijdschap van de broeders in elkaar, van de sterken in de zwakken, die Christus niet veracht, van de zwakken en de sterken, die Christus zo sterk gemaakt heeft, aller gemeenschappelijke vreugde Jeruzalem daarboven en hier beneden. Alle ware vrede in deze wereld van onvrede en angst is een voorsmaak van de vrede in het rijk van de heerlijkheid; vrede met God door het bloed van de verzoening; vrede in tevredenheid met al Zijn wegen, die eindigen in enkel zegen, vrede in gelatenheid onder het lijden van deze tijd, dat niet te waarderen is bij de toekomstige heerlijkheid, vrede in vreedzaamheid met allen, die geroepen zijn tot dezelfde hoop van hun Christelijke roeping, aller gemeenschappelijke en diepste vrede, Hij zelf, Jezus! Met alle blijdschap en vrede vervult ons de God van de hoop in het geloven. Te geloven met ons hart de Heere Jezus Christus, in het geloof te blijven en hoe te nemen, dat éne geeft ons God in genade; zo zijn onze harten vaten en kruiken, die Hij vervult met alle blijdschap en vrede naar de mate van Zijn welbehagen.
Het vervullen van de Romeinen met blijdschap en vrede in het geloven moet hun daartoe dienen, dat zij overvloedig mogen zijn in de hoop en dat moet in hun plaats hebben door de kracht van de Heilige Geest. Door middel van deze kracht, die in hen werkt, moeten zij de Christelijke hoop, de zekerheid van de volmaking van hun zaligheid in de rijkste mate hebben. Het is de kracht van de Heilige Geest, die de hoop opwekt, onder strijd en zwakheid bewaart en sterkt en tot zekerheid brengt dat Hij, die allen geroepen heeft tot Zijn rijk en tot Zijn heerlijkheid, de Getrouwe is, die daartoe ook zal brengen.
De apostel begint hier zijn brief te sluiten, dat hij gewoonlijk deed met een zegenbede over de gemeente uit te spreken; hij bidt hun alles van God toe, wat tot versterking van hun geloof, hoop, liefde, blijdschap en vrede kan strekken en wel door de kracht van de Heilige Geest, die hij nu gedurig noemt, om de gelovigen te herinneren dat deze in de gemeente is en door Hem al de genadegaven van God de gelovigen toevloeien. De God van de hoop. De heidenen waren gewoon om voor velerlei zaken velerlei goden te hebben, maar Paulus verenigt met geestelijke wijsheid alles in God. God is de zelfstandigheid van al het goede en heerlijke; in Hem alleen is het goede en van Hem vloeit het uit. Daarom is ook onze toekomst niet buiten God, maar God zelf is onze toekomst. Hij zelf geeft, onthoudt of neemt ons, wat Zijn wijsheid en liefde goeddunkt en buiten Hemzelf bestaat er geen toekomst. IV. Het slot van de brief. De apostel is nu aan het einde van zijn lessen en vermaningen, die hij zich had voorgenomen, aan de Romeinen te geven. Hij voegt daarom nu aan zijn brief iets toe, waarmee bij tegenover de inleiding in Hoofdstuk 1:8, een slot geeft. Aan de ene kant verontschuldigt hij zich, dat hij het gewaagd heeft aan de Romeinen te schrijven, aan de andere kant geeft hij mededelingen over het reisplan, dat hij nu heeft (Vers 14-33). Op de eerste laat hij nog een tweede slotwoord volgen tot aanbeveling van de overbrengster van de brief, met groeten van zijn kant, waarmee hij een waarschuwing verenigt en groeten van de personen, die hem te Corinthiërs omgeven. Daarna herhaalt hij de reeds vroeger uitgesproken zegenwens (Hoofdstuk 16:1-24). Het komt eindelijk nog tot een derde slotwoord, door een rijke diepbewogene lofzegging van God, waarin zowel de eerste begroeting in Hoofdstuk 1:1 vv. als de in Hoofdstuk 1:16 v. genoemde hoofdgedachte van de zendbrief evenzeer opnieuw wordt gehoord, als de inhoud van het eerste slotwoord in betrekking stond tot de inhoud van het begin in Hoofdstuk 1:8, (16:25-27). Over dit slotwoord van onze brief, dat uit verschillende delen bestaat, merkt Bengel op: de uitgang uit een hoofdstad gaat gewoonlijk door poorten met meer dan één portaal.