Deuteronomium 8:10-20
Gesproken hebbende van de grote overvloed, die zij in het land Kanaän zullen vinden, acht Mozes het nodig hen te waarschuwen tegen een misbruiken van die overvloed, een zonde waartoe zij te meer geneigd zullen zijn nu zij, na zolang in een dorre woestijn verbleven te zijn, terstond die wijngaard van de Heer zullen binnentreden.
I. Hij wijst hen op de plicht, die aan een staat van voorspoed is verbonden, vers 10. Het wordt hen vergund te eten, zelfs tot verzadiging toe, maar niet tot oververzadiging, niet tot overdaad. Maar laat hen altijd hun Weldoener gedenken, de Gever van hun goed, en niet nalaten dankzegging te doen voor hun maaltijd, zo zult gij de Heere uw God loven.
1. Zij moeten er zich voor wachten om zo veel te eten en te drinken, dat zij er door ongeschikt zouden worden voor de plicht om God te loven, veeleer moeten zij er naar streven om God hierin met zoveel te meer blijmoedigheid en verruiming des harten te dienen.
2. Zij moeten geen gemeenschap hebben met hen die, als zij gegeten hebben en verzadigd zijn, valse goden loven, zoals de Israëlieten zelf gedaan hebben bij hun aanbidding van het gouden kalf, Exodus 32:6.
3. Van alles, waar zij het genot van hadden moet God de eer ontvangen. Gelijk onze Heiland ons geleerd heeft te zegenen vóór wij eten, Mattheus 14:19,20, zo wordt ons hier geleerd dankzegging te doen voor de maaltijd. Dat is ons Hosanna, God zegene, dat is ons Hallelujah, Gezegend zij God. Wij moeten God danken in alles. Volgens deze wet hebben de vrome Joden het lofwaardig gebruik aangenomen, om God te loven, niet slechts bij hun plechtige maaltijden, maar ook bij andere gelegenheden. Als zij een beker wijn dronken, hieven zij hun handen op en zeiden: Geloofd zij Hij, die de vrucht van de wijnstok geschapen heeft om het hart te verheugen. Als zij de geur van een bloem roken zeiden zij: Geloofd zij Hij, die deze bloem welriekend heeft gemaakt.
4. Als zij dankzegging deden voor de vruchten van het land, dan moesten zij ook danken voor het goede land zelf, dat hen door belofte geschonken was. EIk lieflijk genot moet ons een aanleiding zijn, om God voor onze goede, aangename vestiging te danken, en ik weet niet of wij, die van deze natie zijn, niet evenveel reden hebben, als de Israëlieten hebben gehad om God voor een goed land te danken.
II. Hij wapent hen tegen de verzoekingen van een toestand van voorspoed, en zegt hen op hun hoede er tegen te zijn. Als gij goede huizen gebouwd zult hebben en die bewonen, vers 12, (want, hoewel God hen huizen gaf, die zij niet gebouwd hebben, Hoofdstuk 6:10, zullen die hen niet genoeg zijn, zij moeten grotere en schonere hebben), en als gij rijk zult geworden zijn in vee, in zilver en goud, vers 12, zoals Abraham, Genesis 13:2, wanneer alles wat gij hebt, vermenigvuldigd is:
1. Zo wacht u dan voor hoogmoed. Laat dan uw hart zich niet verheffen, vers 14. Als de goederen vele worden, is het hart geneigd zich te verheffen in eigenwaan, zelfbehagen en zelfvertrouwen. Laat ons er dan naar streven, om in een grote staat ons hart klein te houden, ootmoed is zowel de rust als het sieraad van voorspoed. Wacht u om, al was het ook maar in uw hart, dat hovaardige woord te zeggen: mijn kracht, en de sterkte van mijn hand, heeft mij dit vermogen verkregen, vers 17. De lof van onze voorspoed moeten wij nooit aan onszelf toekennen, aan ons vernuft of onze vlijt, want de spijs is niet altijd van de wijze, noch ook de rijkdom van de verstandige, Prediker 9:11. Het is geestelijke afgoderij om aldus aan ons eigen garen te offeren, en aan ons eigen net te roken, Habakuk 1:16.
2. "Wacht u ervoor om God te vergeten." Dit volgt op het verheffen van het hart, want het is doordat hij zijn neus omhoog steekt, dat de goddeloze niet onderzoekt en dat al zijn gedachten zijn dat er geen God is, Psalm 10:4. Zij die zichzelf bewonderen, verachten God.
a. "Vergeet niet uw plicht jegens God", vers 11. Wij vergeten God, indien wij Zijn geboden niet houden, wij vergeten Zijn gezag over ons en onze verplichtingen aan Hem, en verwachtingen van Hem, als wij niet gehoorzaam zijn aan Zijn wetten. Als de mensen rijk worden, zijn zij in verzoeking om de Godsdienst voor een nodeloze zaak te houden, zij zijn gelukkig zonder de Godsdienst, vinden hem beneden zich en te moeilijk en lastig voor hen, hun waardigheid verbiedt hen zich te buigen en hun vrijheid verbiedt hen om te dienen, maar wij zijn schandelijk ondankbaar indien, hoe beter God voor ons is, hoe slechter wij voor Hem zijn.
b. "Vergeet Gods vroegere handelingen met u niet. Uw verlossing uit Egypte, vers 14. De voorziening die Hij voor u gemaakt heeft in de woestijn, die grote en vreselijke woestijn." Zij moeten nooit de indruk vergeten, die het vreselijke van die woestijn op hen gemaakt heeft, zie Jeremia 2:6, waar zij de schaduw van de dood wordt genoemd. Daar heeft God hen bewaard om niet door de vurige slangen verdelgd te worden, hoewel Hij soms daarvan gebruik gemaakt heeft om hen te tuchtigen. Daar heeft Hij hen er voor bewaard om om te komen wegens gebrek aan water, hen volgende met water uit de keiachtige rots, vers 15, uit welke, zegt bisschop Patrick, men eerder vuur dan water verwacht zou hebben. Daar heeft Hij hen gespijzigd met manna, waarvan reeds in vers 3 gesproken is, er voor zorgende hen in het leven te behouden, teneinde hen ten laatste wel te doen, vers 16. Voor Zijn Israël bewaart God het beste voor het laatst. Hoe streng Hij ook met hen scheen te handelen op de weg, Hij zal niet falen hen ten laatste wel te doen.
c. "Vergeet Gods hand niet in uw tegenwoordige voorspoed", vers 18. Gedenk dat Hij het is, die u vermogen geeft want Hij geeft u kracht om vermogen te verkrijgen. Zie hier hoe Gods geven en ons verkrijgen met elkaar in overeenstemming worden gebracht, en pas dit toe op geestelijken rijkdom. Het is onze plicht om wijsheid te verkrijgen, en boven alles wat wij bezitten, verstand te verkrijgen, en toch is het Gods genade, die wijsheid geeft, en als wij haar verkregen hebben, dan moeten wij niet zeggen: het was de sterkte van mijn hand, die mij haar verkregen heeft, maar erkennen, dat het God was, die ons de kracht gaf om het te verkrijgen, en daarom moeten wij Hem de lof er van geven en het gebruik er van Hem wijden. De zegen van de Heer op de hand van de vlijtige maakt rijk, beide voor deze wereld en voor de toekomende. Hij geeft u kracht om vermogen te verkrijgen, niet zozeer om het u gemakkelijk te doen hebben, als wel om Zijn verbond te bevestigen. Al Gods gaven komen tot ons ingevolge Zijn beloften.
III. Hij herhaalt de waarschuwing, die hij hen dikwijls gegeven had voor de noodlottige gevolgen van hun afval van God, vers 19,20.
Merk op:
1. Hoe hij de zonde beschrijft: het is eerst het vergeten van God, en dan het aanbidden van andere goden. Tot welke goddeloosheid zullen zij niet vervallen, die de gedachte aan God uit hun hart verbannen? En zijn eenmaal de genegenheden van God verplaatst, dan zullen zij spoedig misplaatst worden op valse ijdelheden.
2. Hoe hij hen hierom toorn en verderf aankondigt. Indien gij dat doet, dan zult gij voorzeker vergaan, en dan zal de kracht van uw handen, waar gij zo trots op zijt, u niet kunnen helpen. "Ja, gij zult vergaan, zoals de natiën, die voor uw aangezicht worden uitgedreven." In weerwil van Zijn verbond met u en uw betrekking tot Hem, zal God u niet meer achten dan hen, zo gij Hem niet gehoorzaam en getrouw wilt zijn. Zij, die anderen volgen in zonde, zullen hen gewis ook volgen in het verderf. Als wij doen zoals de zondaars doen, dan moeten wij verwachten, dat het ons gaan zal zoals het de zondaars gaat.