Deuteronomium 32:44-52
I. Wij hebben hier de plechtige overgave van dit lied aan het volk van Israël, vers 44, 45. Mozes sprak het tot zo velen als hem konden horen, terwijl Jozua het terzelfder tijd in een andere vergadering sprak voor zo velen als zijn stem kon bereiken. Aldus tot hen komende uit de mond van beide hun bestuurders, van Mozes, die de regering neerlegde, en van Jozua, die haar op zich nam, zouden zij zien dat beide van één geest, éénzelfde gevoelen waren, dat zij, hoewel van bevelhebber veranderende, toch geen verandering kregen in het Goddelijk gebod, Jozua, zowel als Mozes, zou tegen hen getuigen, indien zij ooit God gingen verlaten.
II. Een ernstig bevel hun gegeven, om hun hart te zetten op deze en alle andere goede woorden, die Mozes tot hen gesproken heeft. Hoe vurig verlangt hij het goede voor hen allen, hoe begeert hij dat het woord Gods een diepe en blijvende indruk bij hen teweeg zal brengen, hoe ijvert hij over hen met een Godvruchtige ijver, uit vrees dat zij deze grote dingen eenmaal zullen laten varen!
1. De plichten, die hij hun op het hart bindt zijn:
a. "Zelf deze dingen waar te nemen. Zet uw hart beide op de wetten en op de beloften en bedreigingen op de zegeningen en de vloeken, en nu eindelijk op dit lied. Laat uw geest vlijtig deze dingen overdenken en erdoor getroffen zijn, weest ijverig in het betrachten van uw plicht, en houdt u er aan met een vast voornemen des harten."
b. Deze dingen getrouwelijk over te brengen aan hen, die na hen komen zullen. Gebruikt de invloed, die gij hebt op uw kinderen, voor dit doel, en beveelf hun, zoals uw vader Abraham gedaan heeft, Genesis 18:19, dat zij waarnemen te doen al de woorden van deze wet. Zij, die zelf goed en Godvruchtig zijn, kunnen niet anders dan begeren dat ook hun kinderen het zijn zullen, en dat de nakomelingen in hun tijd de Godsdienst in ere zullen houden.
2. De argumenten, die hij aanvoert om hen te bewegen werk te maken van de Godsdienst en er in te volharden, zijn:
a. Het grote gewicht van de zaken zelf, die hij hun had opgedragen, vers 47. Het is geen vergeefs woord, maar het is uw leven. Het is geen onverschillige zaak, maar van volstrekte noodzakelijkheid, geen beuzeling, maar een zaak van aanbelang, een zaak van leven en dood, neemt haar ter harte, en het is voor eeuwig wel met u, veronachtzaamt haar, en gij zijt voor eeuwig verloren. O dat de mensen er toch ten volle van overtuigd waren, dat de Godsdienst hun leven is, ja het leven van hun ziel!
b. Het grote voordeel, dat het voor hen zijn zou, door ditzelfde woord zult gij de dagen verlengen op het land Kanaän, welke belofte een type is van dat eeuwige leven, tot hetwelk, naar Christus ons verzekerd heeft, diegenen zullen ingaan, die de geboden onderhouden, Mattheus 19:17.
III. Orders, gegeven aan Mozes betreffende zijn dood. Nu deze vermaarde getuige voor God zijn getuigenis voleindigd heeft, moet hij opklimmen tot de berg Nebo en er sterven. In de profetie van Christus' twee getuigen is een duidelijke toespeling op Mozes en Elia, Openbaring 11:6, en daar hun wegneming door het martelaarschap plaats had, was zij wellicht niet minder glorierijk dan die van Mozes of Elia. Die orders werden op dezelfde dag aan Mozes gegeven, vers 48. En waarom zou hij, nu zijn werk volbracht was nog een dag langer wensen te leven? Wèl had hij tevoren gebeden, dat hij over de Jordaan mocht gaan maar nu is hij volkomen tevreden en, zoals God hem bevolen had, sprak hij niet meer van deze zaak.
1. God herinnert hem hier aan de zonde, waaraan hij zich had schuldig gemaakt, waarom hij van Kanaän was buitengesloten, vers 51, opdat hij de bestraffing zoveel geduldiger zou dragen omdat hij gezondigd had, en nu zijn droefheid zou vernieuwen om dat onbedachte woord, want ook voor de beste van de mensen is het goed om, als zij sterven, berouw en leedwezen te hebben over de zwakheden en gebreken, waarvan zij zich bewust zijn. Het was een nalaten, dat aldus aan God mishaagd heeft, hij heeft God niet geheiligd, zoals hij Hem had behoren te heiligen in het midden van de kinderen Israëls, hij heeft zich niet met betamelijkheid gedragen bij het volbrengen van de orders, die hij toen ontvangen had.
2. Hij herinnert hem aan de dood van zijn broer Aäron, vers 50, teneinde hem zijn eigen dood meer gemeenzaam te maken, en minder vreeslijk. Het is, als wij sterven, een grote bemoediging voor ons, om te denken aan onze vrienden, die ons zijn voorgegaan door het dal van de schaduwen des doods, inzonderheid aan Christus, onze oudste Broeder en grote Hogepriester.
3. Hij zond hem naar een hoge heuvel om van diens top het land Kanaän in ogenschouw te nemen en dan te sterven, vers 50. De herinnering aan zijn zonde mocht de dood verschrikkelijk maken, maar het gezicht, dat God hem gaf op Kanaän, nam er de verschrikking van weg en was een teken dat God met hem verzoend was, en een duidelijke aanwijzing voor hem dat, hoewel zijn zonde hem buitensloot van het aardse Kanaän, zij hem toch het betere land niet zou ontroven, dat in deze wereld niet anders gezien kan worden dan met het oog des geloofs. Diegenen kunnen getroost en gerust sterven, wanneer het ook zij dat God hen oproept, (in weerwil van de zonden, die zij tegen zichzelf gedenken) die een gelovig vooruitzicht en een wèl gegronde hoop hebben op het eeuwige leven na de dood.