Deuteronomium 30:1-10
Deze verzen kunnen op tweeërlei wijze beschouwd worden: als een voorwaardelijke belofte, of als een volstrekte en bepaalde voorzegging.
I. Zij moeten voornamelijk beschouwd worden als een voorwaarlijke belofte, en als zodanig behoren zij dan aan alle personen en aan alle volken, en niet alleen aan Israël. En de bedoeling er van is: ons te verzekeren dat de grootste zondaars, als zij berouw hebben en zich bekeren, vergeving van hun zonden zullen ontvangen en in Gods gunst zullen worden hersteld. Dit is de strekking van het verbond van de genade, het laat plaats voor berouw in geval van wangedrag, en belooft vergeving na betoond berouw, hetgeen het verbond in de staat van de onschuld niet gedaan heeft. Merk hier nu op:
1. Hoe het berouw beschreven wordt, dat de voorwaarde is van deze beloften.
a. Het begint in ernstig nadenken, in ter harte nemen vers 1. "Gij zult u herinneren hetgeen gij had vergeten, of waarop gij geen acht hebt geslagen.". Nadenken is de eerste stap tot bekering. Gedenkt. brengt het weer in het hart, o gij overtreders. De verloren zoon kwam eerst tot zichzelf, en toen tot zijn vader. Hetgeen zij moesten gedenken, is de zegen en de vloek. Indien de zondaren slechts ernstig wilden nadenken over het geluk, dat zij verloren hebben door de zonde, en de ellende, waarin zij zich gestort hebben, en dat zij door berouw aan die ellende kunnen ontkomen, en dat geluk wederom kunnen smaken, dan zouden zij niet vertragen om weer te keren tot de Heere hun God. De verloren zoon gedacht aan de zegen en de vloek, toen hij nadacht over zijn tegenwoordige armoede en de overvloed van brood in het huis van zijn vader, Lukas 15:17.
b. Het bestaat in een oprechte bekering. Dit nadenken, dit ter harte nemen, kan niet anders dan droefheid naar God teweegbrengen en schaamte, Ezechiël 6:9, 7:16. 6 Maar hetgeen het leven en de ziel is van berouw, en zonder hetwelk de hartstochtelijkste uitdrukkingen slechts een bespotting zijn, is een weerkeren of bekering, tot de Heere onze God, vers 2. Wanneer gij u zult bekeren tot de Heere uw God met uw gehele hart en uw gehele ziel. Wij moeten weerkeren tot onze trouw en gehoorzaamheid aan God als onze Heere en Heerser, tot onze afhankelijkheid van Hem als onze Vader en Weldoener, onze toewijding aan Hem als ons hoogste doel, en onze gemeenschap met Hem als onze God in het verbond. Wij moeten terugkeren tot God van alles wat zich tegen Hem stelt, of in mededinging met Hem is. In dit weerkeren tot God moeten wij oprecht zijn met hart en ziel, en geheel en al met geheel het hart en geheel de ziel.
c. Het wordt getoond door een voortdurende gestadige gehoorzaamheid aan de heiligen wij van God. Als gij van Zijn stem gehoorzaam zult zijn, vers 2, gij en uw kinderen, want het is niet genoeg, dat wij zelf onze plicht doen, wij moeten hem ook onze kinderen leren en hen aansporen om hem te doen. Of dit komt hier als de voorwaarde van het erfrecht op de zegen, mits hun kinderen zich nauwgezet aan hun plicht hielden. Deze gehoorzaamheid moet wezen met het oog op God, gij zult van Zijn stem gehoorzaam zijn, vers 8, en nog eens in vers 10. Zij moet oprecht wezen, en blijmoedig, en geheel en al, met uw hele hart, en met uw hele ziel, vers 2. Zij moet voortkomen uit een beginsel van liefde, en ook die liefde moet wezen met uw hele hart en met uw hele ziel, vers 6. Het is op het hart en de ziel, dat God ziet, en het is het hart en de ziel die Hij eist, die wil Hij hebben, en niets anders, geheel en al, of in het geheel niet. En zij moet algemeen wezen, naar alles, dat ik u heden gebied, vers 2, en wederom in vers 8, gij zult doen al Zijn geboden. Want hij, die zich vergunt één gebod te overtreden, maakt zich schuldig aan alle, Jakobus 2:10. Een oprecht hart merkt op al Gods geboden, Psalm 119:6.
2. Waarin de gunst bestaat, die beloofd is op dit berouw. Hoewel zij door hun benauwdheid en hun ongeluk onder de volken waarheen zij gedreven waren, tot God zijn gekomen, vers 1, zal God hen desalniettemin aannemen, want beproeving en benauwdheid worden ons gezonden om ons tot berouw en bekering te brengen. Al waren zij tot aan het einde des hemels verdreven, zal van daar hun boetvaardig gebed het genaderijk oor Gods bereiken en zal Zijn gunst hen aldaar vinden, vers 4. "lJndique ad ccelos tantundem est viae" Van elke plaats gaat dezelfde weg naar de hemel. Op deze belofte pleit Nehemia voor het verstrooide Israël, Nehemia 1:9.
Hier wordt beloofd:
a. Dat God zich over hen zal ontfermen, als geschikte voorwerpen van Zijn medelijden, vers 3. Tegen zondaren, die volharden in hun zonde, heeft God toorn, Hoofdstuk 29:20, maar met hen, die berouw hebben en zich beklagen, heeft Hij medelijden Jeremia 31:18, 20. Ware boetvaardigen kunnen grotelijks bemoedigd zijn door de ontferming en de barmhartigheid van onze God, die nooit uitgeput zijn, maar altijd overvloeien.
b. Dat Hij hun gevangenis zal wenden, en hen weer zal vergaderen uit al de volken, waarheen zij verstrooid waren, vers 3, al was het van nog zo ver, vers 4. Eén van de Chaldeeuwse paraphrasten past dit toe op de Messias, het aldus verklarende: Het woord des Heeren zal u vergaderen, door de hand van Elias de grote priester, en zal u weerbrengen door de hand van de Messias, want dit was Gods verbond met Hem, dat Hij de bewaarden in Israël zou weerbrengen, Jesaja 49:6. En dit was de bedoeling van Zijn dood, dat Hij de kinderen Gods, die verstrooid waren, bijeen zou vergaderen, Johannes 11:51, 52. Tot Hem zal de vergadering van het volk wezen, Genesis 49:10.
c. Dat Hij hen weer zal brengen in hun land, vers 5. Boetvaardige zondaren worden niet alleen verlost uit hun ellende, maar weer hersteld in waar geluk, in de gunst van God. Het land, waarin zij gebracht zijn om het te beërven, is wel niet hetzelfde, maar in sommige opzichten beter dan dat, hetwelk onze vader Adam bezat, en uit hetwelk hij was verdreven.
d. Dat Hij hun wel zal doen vers 5 en zich over hen zal verblijden ten goede, vers 9. Want er is blijdschap in de hemel wegens de bekering van zondaren, de vader van de verloren zoon verblijdde zich over hem ten goede. Dat Hij hen zal vermenigvuldigen, vers 5. En opdat, als zij talrijk geworden zijn, iedere mond spijs zou hebben, zal Hij hen doen overvloeien in al het werk van hun hand, vers 9. Nationale bekering en verbetering brengen nationale overvloed, vrede en voorspoed. Er is beloofd: De Heere zal u doen overvloeien in de vrucht van uw beesten en van uw land ten goede. Velen hebben overvloed tot schade en nadeel, de voorspoed van de zotten zal hen verderven. Hij is dan ten goede, als God er ons genade bij geeft om hem te gebruiken tot Zijn eer en heerlijkheid.
e. Dat Hij de vloek, die op hen was, zal doen overgaan op hun vijanden, vers 7. Als God hen vergaderde om hen weer te bevestigen, zullen zij veel tegenstand ontmoeten maar dezelfde vloeken, die een last op hen waren, zullen hun een beschutting wezen, doordat zij over hun tegenstanders zijn gekomen. De beker van de zwijmeling zal van hun hand genomen worden, en in de hand gezet worden van hen, die hen bedroefd hebben, Jesaja 51, 22, 23. f. Dat Hij hun Zijn genade zal geven om hun hart te veranderen en in hun hart te heersen vers 6. De Heere, uw God, zal uw hart besnijden om de Heere, uw God, lief te hebben. Wij willen hier aantekenen:
a.a. Het hart moet besneden worden om God lief te hebben. De onreinheid van het vlees moet weggedaan worden, en de dwaasheid van het hart, zoals de Chaldeeuwse paraphrase het verklaart. Zie Colossenzen 2:11, 12, Romeinen 2:29. De besnijdenis was een zegel des verbonds, het hart is besneden om God lief te hebben, als het door die band krachtig aangespoord wordt tot en gehouden wordt bij, die plicht.
b.b. Het is het werk van Gods genade om het hart te besnijden en er de liefde Gods in uit te storten, en deze genade wordt gegeven aan allen, die berouw hebben en haar zorgvuldig zoeken. Ja, het schijnt veeleer een belofte dan een bevel, vers 8. Gij dan zult u bekeren, en van de stem des Heeren gehoorzaam zijn. Hij, die van ons eist dat wij ons zullen bekeren, belooft genade om ons te kunnen bekeren, en het is onze schuld, zo die genade zonder uitwerking blijft. Hierin is het verbond van de genade wel geordineerd, dat al wat in het verbond geëist wordt, ook beloofd is. Keert u tot Mijn bestraffing, zie Ik zal Mijn Geest overvloedig uitstorten, Spreuken 1:23.
Eindelijk. Het is opmerkelijk hoe Mozes hier God noemt: de Heere uw God, twaalf maal in deze tien verzen, te kennen gevende: Ten eerste. Dat boetvaardigen in hun terugkeren tot God aanmoediging kunnen vinden in hun betrekking tot Hem, Jeremia 3:22. Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de Heere onze God, daarom zijn wij verplicht tot U te komen, tot wie anders zouden wij heengaan? En daarom hopen wij bij U gunst te vinden. Ten tweede. Dat zij, die van God zijn afgevallen, indien zij tot Hem terugkeren en hun eerste werken doen, in hun vorigen staat van eer en geluk hersteld zullen worden. Brengt hier voor het beste kleed. In de bedreigingen van het vorige hoofdstuk wordt Hij steeds de Heere genoemd, een God van macht en de Rechter van allen, maar in de beloften van dit hoofdstuk de Heere uw God, een God van genade en in verbond met u.
II. Dit kan ook beschouwd worden als een voorzegging van de bekering en wederherstelling van de Joden: Wanneer al deze dingen over u gekomen zullen zijn, vers 1. Eerst de zegen en daarna de vloek, dan zal hun de nog weggelegde barmhartigheid geschieden. Hoewel hun hart ellendig verhard was, zal toch Gods genade het vertederen en veranderen, en dan zal, hoewel hun toestand allertreurigst was, de voorzienigheid Gods hun rampen doen eindigen.
1. Nu is het zeker dat dit vervuld werd in hun terugkeer uit de Babylonische gevangenschap. Het was een groot voorbeeld van hun berouw en hun verbetering, dat Efraïm, die vergezeld was met de afgoden ze heeft verzaakt, zeggende: Wat heb ik meer met de afgoden te doen? Die gevangenschap heeft hen grondig en voor goed van afgoderij genezen, en toen heeft God hen weer in hun land geplant, en hun wèl gedaan. Maar:
2. Sommigen denken, dat het nog verder vervuld zal worden in de bekering van de Joden, die nu nog verstrooid zijn, hun berouw over de zonde van hun vaderen in hun kruisigen van Christus, hun bekering tot God door Hem, en hun toetreding tot de Christelijke kerk. Maar ach! wie zal leven als God dit doen zal?