Deuteronomium 26:16-19
Twee dingen voert Mozes hier aan, om aan al deze bevelen kracht bij te zetten.
I. Dat het Gods geboden waren, vers 16. Het waren niet de geboden door zijn wijsheid ingegeven, noch werden zij ten uitvoer gelegd op zijn eigen gezag, neen de oneindige wijsheid heeft ze ontworpen, en de macht van de Koning van de koningen heeft ze verplichtend voor ons gemaakt. De Heere uw God gebiedt u, daarom zijt gij in dankbaarheid aan Hem gehouden en verplicht ze te gehoorzamen, en het is op uw gevaar, zo gij er ongehoorzaam aan zijt. Het zijn Zijn wetten, daarom zult gij ze doen, want daartoe zijn zij u gegeven, doet ze, en betwist ze niet, doet ze en onttrekt er u niet aan, doet ze, niet achteloos en geveinsd, maar met uw hart en uw ziel, met geheel uw hart en geheel uw ziel.
II. Dat hun verbond met God hen verplichtte om deze geboden te houden. Hij wijst niet slechts met nadruk op Gods soevereiniteit over hen, maar ook op Zijn recht van bezit in hen en op de betrekking, waarin zij tot Hem staan. Het verbond is wederzijds, en op beide zijden verplicht het tot gehoorzaamheid.
1. Opdat wij ons deel van het verbond nakomen, en aan de bedoelingen er van beantwoorden, vers 17. Heden hebt gij plechtig erkend en beleden, "dat de Heere JHWH uw God is, uw Vorst en Heerser. Gelijk Hij dit is door een onbetwistbaar recht, zo is Hij dit ook met uw eigen toestemming." Zij hebben dit stilzwijgend gedaan door het aanhoren van Zijn woord, zij hebben het met luider stem gedaan, Exodus 24, en zullen het nu weer doen eer zij scheiden, Deuter. 29:1. Dit nu verplicht ons in getrouwheid aan ons woord, zowel als uit plicht jegens onze Souverein, Zijn inzettingen en Zijn geboden te houden. Wij zijn in waarheid meinedig, en zullen verraderlijk onze heiligste beloften schenden, indien wij de Heere hebben aangenomen als onze God, en dan niet nauwgezet Zijn geboden houden.
2. Dat ook Gods deel van het verbond gehouden zal worden, en aan zijn bedoelingen zal worden beantwoord, vers 18, 19,. De Heere heeft u niet slechts aangenomen, maar u openlijk erkend als Zijn eigen bijzonder volk, gelijk Hij u beloofd heeft, dat is: overeenkomstig de ware bedoeling en betekenis van de belofte. Nu was hun gehoorzaamheid niet alleen de voorwaarde van deze gunst, en van de voortduring er van, (indien zij niet gehoorzaam waren, zou God hen verstoten en verloochenen), maar zij was ook het voornaamste doel van deze gunst. "Hij heeft u erkend met de bedoeling, dat gij Zijn geboden zoudt houden, opdat gij zowel de beste leiding als de beste aanmoediging zoudt hebben in de Godsdienst." Aldus zijn wij uitverkoren tot gehoorzaamheid 1 Petrus 1:2, uitverkoren om heilig en onberispelijk te zijn, Efeziers 1:4, gereinigd om een bijzonder volk te zijn, en niet alleen goede werken zouden doen, maar er ijverig in zouden zijn, Titus 2:14.
Hier wordt gezegd dat God twee dingen bedoeld heeft met hen als Zijn bijzonder volk te erkennen, vers 19. Hen hoog te zetten, en te dien einde hen heilig te maken, want heiligheid is ware eer en het enige middel tot eeuwige eer.
a. Hen hoog te zetten boven al de volken, die Hij gemaakt heeft. De grootste eer, waartoe wij in deze wereld instaat zijn, is om in verbond met God te worden opgenomen, en in Zijn dienst te leven. Hoog in lof, want God wilde hen aannemen, en dat is ware lof, Romeinen 2:29. Hun vrienden zullen verwonderd wezen, Psalm 48:6. Hun vijanden zullen hen benijden, Zefanja 3:19, 20. Hoog in naam, hetgeen, naar sommigen denken, het voortduren aanduidt van die lof, een naam die niet uitgeroeid zal worden. En hoog in eer, dat is: in al de voordelen van rijkdom en macht, die hen groot zouden maken boven hun naburen. Zie Jeremia 13:11.
b. Opdat zij een heilig volk zouden zijn Gode afgezonderd Hem toegewijd, en voortdurend gebruikt in Zijn dienst. Dit heeft God beoogd met hen tot Zijn. volk te maken, zodat zij, indien zij Zijn geboden niet hielden, al deze genade tevergeefs. zouden hebben ontvangen.