Deuteronomium 25:13-19
I. Hier is een wet tegen bedrieglijke maten en gewichten, zij moeten ze niet slechts niet gebruiken, maar zij moeten ze niet hebben, ze niet hebben in de zak, niet hebben in het huis, vers 13, 14, want indien zij ze hadden, zouden zij sterk in verzoeking zijn ze te gebruiken. Zij moeten niet een groot gewicht en een grote maat hebben om er mee te kopen, en een klein gewicht en een kleine maat om er mee te verkopen, want dat was bedrog naar beide kanten, terwijl ieder, op zichzelf al slecht genoeg was, zoals wij lezen van hen, die de efa verkleinden, waarmee zij het koren maten, dat zij verkochten, en de sikkel vergrootten, waarmee zij het geld wogen, dat zij er voor ontvingen, Amos 8:5. Maar gij zult een volkomen en eerlijke weegsteen hebben, vers 15. Wat de maatstaf is van recht. moet zelf recht wezen, indien zij dat niet is, dan is zij een voortdurend bedrog. Hiervoor was reeds tevoren gezorgd, Leviticus 19:35, 36. Deze wet wordt versterkt met twee zeer goede redenen.
1. Dat rechtvaardigheid en billijkheid Gods zegen over ons brengen. Het middel om onze dagen te verlengen en voorspoed te hebben, is rechtvaardig en billijk te wezen in al onze handelingen, eerlijkheid is de beste staatkunde.
2. Dat bedrog en onrecht ons blootstellen aan de vloek Gods, vers 16. Niet slechts het onrecht zelf, maar allen die onrecht doen, zijn Code een gruwel. En rampzalig is de man, die verafschuwd wordt door zijn Maker. Hoe hatelijk in het bijzonder al de kunsten van bedrog zijn aan God, wordt door Salomo onderscheidene malen aangeduid, Spreuken 11:1, 20:10,23 en de apostel zegt ons dat de Heere een wreker is over allen, die bedriegen in enigerlei handeling, 1 Thessalonicenzen 4:6.
II. Een wet om Amalek te verdelgen. Hier is een oprecht gewicht en een oprechte maat, dat gelijk Amalek aan Israël gemeten heeft, aan Amalek weer gemeten zal worden.
1. Het kwaad, dat Amalek aan Israël gedaan heeft, moet hier herdacht worden, vers 17, 18. Toen dit kwaad gedaan was, werd reeds bevolen dat het ter gedachtenis in een boek geschreven zou worden Exodus 17:14-16, en hier, dat de gedachtenis er van bewaard moest blijven, niet in persoonlijke wraakoefening, want het geslacht, dat door de Amalekieten had geleden, was er niet meer, zodat zij, die nu leefden, en hun nakomelingen geen persoonlijken wrok over dit onrecht konden gevoelen maar in ijver voor de ere Gods (die door de Amalekieten beledigd was) die troon des Heeren, tegen welke de hand van Amalek was uitgestrekt. De handelwijze van de Amalekieten tegenover Israël wordt hier voorgesteld:
a. Als uiterst laaghartig en vals. Zij hadden volstrekt geen reden om met Israël te twisten zij hebben hun ook de oorlog niet verklaard, er hun generlei kennis van gegeven, maar overvielen hen, toen zij pas uit Egypte, uit het diensthuis waren gekomen en, voor zover het hun toescheen, slechts Gode gingen offeren in de woestijn.
b. Als zeer barbaars en wreed, want zij sloegen de zwakken, die zij hadden behoren te ondersteunen. De grootste lafaards zijn gewoonlijk ook de grootste wreedaards terwijl zij, die mannenmoed hebben, ook menselijk medelijden hebben.
c. Als zeer goddeloos en onheilig, zij vreesden God niet. Indien zij enige eerbied hadden gehad voor de God Israëls, van wie zij een teken zagen in de wolk, of enigerlei vrees voor Zijn toorn van welks sterkte over Farao zij onlangs gehoord hadden, dan zouden zij die aanval op Israël niet gewaagd hebben. Wel, hier was nu de grond en oorzaak van de twist, en het toont aan hoe God wat aan Zijn volk gedaan wordt, beschouwt als gedaan aan Hemzelf en dat Hij zeer bijzonder zal afrekenen met hen die pasbeginnenden in de Godsdienst hinderen en ontmoedigen, en (als agenten van Satan) de zwakke en gebrekkiger aanvallen, hetzij om hen af te leiden van God, of om hen te ontrusten, en aldus Zijn kleinen ergeren.
2. Dit kwaad moet ter bestemder tijd gewroken worden, vers 19. Als hun oorlogen die zij voerden om hun koninkrijk te vestigen en hun landpalen uit te breiden, geëindigd waren, dan moeten zij oorlog voeren tegen Amalek, vers 19, niet slechts om hen te verjagen, maar om hen te verteren, om de gedachtenis van Amalek van onder de hemel uit te delgen. Het was een voorbeeld van Gods lankmoedigheid, dat Hij de wraak nog zo lang verschoof, die Amalek tot berouw en bekering had moeten brengen, maar ook een voorbeeld van schrikkelijke vergelding, dat zo lang daarna het nageslacht van Amalek verdelgd werd om het kwaad, dat hun voorouders aan Gods Israël gedaan hadden, opdat geheel de wereld moge zien en zeggen, dat wie hen aanraakt Gods oogappel aanraakt. Het was bijna vier honderd jaren daarna, dat Saul bevel kreeg, om dit vonnis ten uitvoer te leggen, 1 Samuël 15, en door God werd verworpen, omdat hij het niet ten volle gedaan heeft, maar sommigen van dit gevloekte volk in het leven liet blijven, in minachting, niet slechts van de bijzondere orders, die hij van Samuël had ontvangen, maar ook van het algemene gebod, hier door Mozes gegeven, en waarvan hij niet onkundig kon zijn. David heeft later enige verwoesting onder hen aangericht, en in Hizkia's tijd hebben de Simeonieten de overigen van de ontkomenen geslagen, 1 Kronieken 4:43, want als God oordeelt, zal Hij overwinnen.