Deuteronomium 21:1-9
In de voorafgaande wetten is krachtig en afdoend gezorgd voor de vervolging van een moedwillige moordenaar, Hoofdstuk 19:1-1 en verv, wiens terdoodbrenging het wegnemen was van de schuld van het land, maar indien dat niet kon gedaan worden, omdat de moordenaar niet bekend was, dan moesten zij niet denken dat het land nu niet in gevaar was van verontreinigd te worden, omdat het door geen veronachtzaming van hen was, dat de moordenaar ongestraft bleef, neen, er wordt hier een handeling van grote plechtigheid bevolen om de schuld weg te doen, als uitdrukking van hun vrees voor en afschuw van deze zonde.
I. Het veronderstelde geval is dat een verslagene zal gevonden worden en dat het niet bekend is wie hem verslagen heeft, vers 1. Soms heeft de voorzienigheid Gods op wondervolle wijze deze verborgen werken van de duisternis aan het licht gebracht, en door vreemde voorvallen of ontmoetingen heeft de zonde van de schuldigen hen gevonden, in die mate zelfs, dat het tot een spreekwoord is geworden: Moord zal uitkomen. Maar zo is het toch niet altijd, nu en dan worden des duivels beloften van geheimhouding en straffeloosheid in deze wereld vervuld, doch het is slechts voor een ijdje, er komt een tijd, wanneer verborgen moordenaars ontdekt zullen worden, de aarde zal haar bloed ontdekken, Jesaja 26:21, op het onderzoek, dat de gerechtigheid er naar zal doen, en er komt een eeuwigheid, wanneer zij, die aan de straf van mensen zijn ontkomen, onder het rechtvaardige oordeel Gods zullen liggen. En de straffeloosheid, waarmee zoveel moorden en andere boosheden worden gepleegd, maakt het nodig dat er een oordeelsdag zij, om het weggedrevene te zoeken, Prediker 3:15.
II. Er worden hier bevelen gegeven omtrent hetgeen in zo'n geval te doen is. Men neemt aan dat vlijtige nasporingen gedaan werden naar de moordenaar, dat er getuigen zijn gehoord, een streng en nauwkeurig onderzoek werd ingesteld naar de omstandigheden, ten einde zo mogelijk de schuldige te ontdekken, maar indien desalniettemin geen spoor van deze gevonden kon worden, en er niemand was, die men van de moord kon beschuldigen, dan:
1. Moesten de oudsten van de naastbijzijnde stad (waarin een gerechtshof van drie en twintig rechters gevestigd was) zich met de zaak bezighouden. Indien het onzeker was, welke stad de naastbijgelegene was, dan moest het groot sanhedrin commissarissen zenden, om door een nauwkeurige meting die zaak te beslissen, vers 2, 3. Openbare personen moeten zorgzaam zijn voor het openbare welzijn, en zij, die in steden macht en aanzien hebben, moeten zich ten koste geven om grieven te herstellen en hetgeen verkeerd is in het land en in hun omgeving weg te nemen of te hervormen. Zij die het dichtst bij hen zijn, moeten het grootst aandeel hebben in hun goede invloed, als dienstknechten Gods, hun ten goede.
2. De priesters en Levieten moeten die zaak leiden, en er hun bijstand aan verlenen, vers 5 opdat zij er de behandeling van kunnen leiden naar de wet, en inzonderheid om de mond van het volk te zijn bij God in het gebed, dat bij die treurige gelegenheid opgezonden moest worden vers 8. God Israëls Koning zijnde, moeten Zijn dienaren hun magistraten wezen, en door hun woord, als de mond van het hof en van de wetgeleerden, moeten alle geschillen beslecht worden. Het was hun voorrecht zulke gidsen te hebben, zulke opzieners en oversten en het was hun plicht om bij alle gelegenheden gebruik van hen te maken, inzonderheid voor heilige zaken, zoals deze.
3. Zij moesten een koe brengen in een ruw onbewoond en onbebouwd dal, en haar daar slachten, vers 3, 4. Dit was geen offerande (want zij werd niet naar het altaar gebracht), maar een betuiging, dat zij aldus de moordenaar ter dood zouden brengen, indien zij hem in handen hadden. De koe moest er een wezen, die aan het juk niet getrokken heeft, om te kennen te geven (naar sommigen denken) dat de moordenaar een zoon Belials is, zij moest in een ruw dal gebracht worden, om de afschuw te kennen te geven van het feit, en dat de verontreiniging, die bloed brengt over een land, het onvruchtbaar maakt. En de Joden zeggen dat dit dal, waar de koe geslacht werd, daarna tenzij de moordenaar ontdekt werd nooit bebouwd of bezaaid mocht worden.
4. De oudsten moesten hun handen in water wassen over deze jonge koe, die in dat dal de nek doorgehonwen is, en belijden, niet alleen, dat zij zelf dit onschuldige bloed niet vergoten hebben, maar ook niet wisten wie het vergoten had, vers 6, 7,, de moordenaar ook niet willens en wetens hadden verborgen, hem niet hadden geholpen om te ontvluchten, of hem op enigerlei wijze in het plegen van de misdaad behulpzaam zijn geweest. David zinspeelt op dit gebruik, Psalm 26:6, 6 Ik was mijn handen in onschuld, maar indien Pilatus hier het oog op had, dan heeft hij dit ellendig verkeerd toegepast, Mattheus 27:24, toen hij Christus veroordeelde, wetende dat Hij onschuldig was, en nu toch zichzelf vrijsprak van de schuld van onschuldig bloed te vergieten. Pto-testatio non valet contra factum Betuigingen baten niet, als zij tegengesproken worden door het feit.
5. De priesters moesten tot God bidden voor het land en het volk, dat God hun genadig zou zijn, en de oordelen niet over hen zou brengen, die oogluiking van de zonde van moord zou verdienen, vers 8. Men kon vermoeden dat de moordenaar of een inwoner van hun stad was, of er zich nu in verborgen hield, en daarom moeten zij bidden, dat het hun om zijn tegenwoordigheid in hun midden niet slechter gaan zal, Numeri 16:22. Wees Uw volk Israël genadig, dat Gij, o Heere, verlost hebt. Als wij van de goddeloosheid van de goddelozen horen, dan is het ons nodig om vurig tot God te roepen om genade voor ons land, dat er onder zucht en siddert. Wij moeten door ons gebed de mate ledigen, die anderen vullen door hun zonden.
Nu was deze plechtigheid bevolen:
a. Opdat er aanleiding door zij voor openbare gesprekken over de moord, welke dan op de een of andere wijze tot de ontdekking van de moordenaar kunnen leiden.
b. Dat zij de mensen schrik en afgrijzen zou inboezemen van bloedschuld, die niet slechts de consciëntie verontreinigt van hem, die het vergoten heeft, (dit moet ons allen aansporen om met David te bidden: verlos mij van bloedschulden) maar ook het land, waarin het vergoten werd. Het roept tot de magistraat om gerechtigheid tegen de misdadiger, en als dat roepen niet wordt gehoord dan roept het tot de hemel om oordelen over het land. Indien er nu zoveel zorg aangewend moest worden, om het land van schuld te bevrijden, als de moordenaar niet bekend was dan was het voorzeker onmogelijk, om het tegen schuld te beveiligen, indien de moordenaar bekend was en toch beschermd werd. Door deze plechtigheid zal aan allen geleerd worden hun uiterste zorg en naarstigheid aan te wenden om moord te voorkomen, te ontdekken en te straffen. Zelfs de heidense zeelieden waren bevreesd voor bloedschuld, Jona 1:14.
c. Opdat wij allen zouden leren ons te wachten van in zonden van anderen te delen en ons medeplichtig met hen te maken ex post facto na de daad, door de zonde of de zondaar te ondersteunen, en er niet in onze plaats tegen te getuigen. Wij hebben gemeenschap met de onvruchtbare werken van de duisternis, indien wij ze niet bestraffen en er niet tegen getuigen. Het berouw van de gemeente te Corinthe wegens de zonde van een van haar leden, heeft zo'n zorgzaamheid teweeggebracht, zo'n heilige verontwaardiging, vrees en wraak, 2 Corinthiërs 7:11 als door de hier verordineerde plechtigheid wordt te kennen gegeven.