Deuteronomium 19:1-13
Het was een van de geboden, gegeven aan de kinderen van Noach, dat wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden, Genesis 9:6, dat is: door de bloedwreker. Nu hebben wij hier de wet vastgesteld tussen bloed en bloed, tussen het bloed van de vermoorde en het bloed van de moordenaar, en een goede en afdoende voorziening gemaakt:
I. Dat de vrijsteden bescherming zullen bieden aan hem, die iemand bij ongeluk gedood heeft, zodat hij niet zou sterven voor datgene als een misdaad, hetwelk niet zijn vrijwillige daad maar zijn ongeluk was. De wet voor die vrijsteden hebben wij gehad in Exodus 21:13, en de uitvoerige bepalingen er voor in Numeri 35:10 en verv. Hier wordt zij herhaald, en nog aanwijzingen er aan toegevoegd voor drie zaken.
1. De aanwijzing van drie steden in Kanaän voor dat doel, Mozes had er reeds drie voor aangewezen aan deze zijde van de Jordaan, het land, waarvan hij de verovering gezien heeft en nu gebiedt hij hun, als zij aan de overziJde van de Jordaan gevestigd zullen zijn, er nog drie voor af te zonderen, vers 1-3,7. Het land moest verdeeld worden in drie districten zoveel mogelijk aan elkaar gelijk en in het midden van elk moest een vrijstad wezen, zodat van iedere hoek van het land er één bereikt kon worden. Zo is Christus geen toevlucht op een afstand, waarvoor wij moeten opklimmen ten hemel of nederdalen naar de afgrond, maar het woord is nabij ons, en in het woord Christus, Romeinen 10:8. Het Evangelie brengt de behoudenis tot onze deur, en daar klopt het om binnengelaten te worden. En om de vlucht voor de doodslager gemakkelijk te maken, moesten er gebaande wegen zijn, die naar de vrijsteden voerden, en waarschijnlijk waren, dit straatwegen. De Joden zeggen dat de magistraten van Israël op een zekeren dag van het jaar boden uitzonden, om te zien of die wegen zich in goeden staat bevonden, en zij moesten struikelblokken uit de weg ruimen, bruggen, die beschadigd waren repareren, en, waar twee wegen zich kruisten moesten zij een handwijzer plaatsen, met een vinger, die de rechten weg wees, en waarop met grote letters---Toevlucht, Toevlucht, gegraveerd was. In toespeling hierop moeten Evangeliedienaren het volk de weg wijzen naar Christus, hen helpen en terechtwijzen om door het geloof de toevlucht tot Hem te nemen. Zij moeten bereid zijn om hun vooroordelen weg te nemen, en hen heen helpen over hun moeilijkheden. En, geloofd zij God, de weg van de heiligheid is voor allen, die hem in waarheid zoeken, een grote weg, zo duidelijk en zo gebaand, dat die deze weg wandelen, zelfs de dwazen, niet zullen dwalen.
2. Het gebruik dat van deze steden gemaakt moet worden, vers 4-6.
a.Er wordt verondersteld dat iemand zonder het te bedoelen de dood veroorzaakt van zijn naaste (niet uit drift of met voorbedachten rade) maar zuiver en alleen bij ongeluk, zoals wanneer het ijzer van een bijl afschiet van de steel, met welk voorbeeld hier gegeven elk geval van die aard vergeleken moest worden, om daarnaar te worden beoordeeld. Zie, hoe het menselijk leven dagelijks in gevaar is, welke dood ons dikwijls omringt, en hoe nodig het ons dus is om altijd bereid te zijn. Hoe worden de kinderen van de mensen verstrikt ten bozen tijd wanneer dezelve haastig over hen valt! Prediker 9:12. Een boze tijd is het voorwaar, als dit niet alleen aan de gedode gebeurt, maar ook aan degene, die hem gedood heeft!
b. Er wordt verondersteld dat de bloedverwanten van de verslagene geneigd zullen wezen om zijn bloed te wreken uit liefde voor hem en ijver voor de openbare gerechtigheid. Hoewel de wet niet toeliet, dat een andere belediging of toegebrachte schade gewroken zal worden door de dood van de schuldige, werd dit aan de wreker van het bloed van een nabestaande wèl toegestaan, omdat de toorn van zijn hart, opgewekt door zo ontzettend een geval, in aanmerking werd genomen, en zo hij hem, die de manslag had gepleegd, al was het ook bij ongeluk, doodde, dan zou hem dit niet als moord toegerekend worden, indien hij het deed voordat de vluchteling de vrijstad had bereikt zelfs al zou het ook uitgemaakt worden, dat diens daad niet des doods waardig was. Aldus wilde God aan de mensen een grote afschuw en vrees inboezemen voor de zonde van moord. Indien zelfs een toevallige manslag aldus iemand in gevaar bracht van zijn leven, dan voorzeker moet hij, die, hetzij uit wrok en met voorbedachten rade, of in plotseling opkomende drift, iemands bloed vergiet naar de kuil toevlieden, en men ondersteune hem niet Spreuken 28:17, en toch stelt het Nieuwe Testament de zonde van moord voor als nog meer snood en meer gevaarlijk, dan zij zelfs door deze wet wordt voorgesteld, 1 Johannes 3:15, gij weet, dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende.
c. Er is bepaald dat, indien een bloedwreker zo onredelijk mocht zijn, dat hij voldoening eist voor bloed, dat bij ongeluk werd vergoten, de vrijstad hem moet beschermen, die de doodslag heeft gepleegd. Zonden van onwetendheid stellen ons wel aan de toorn Gods bloot, maar er is hulp beschikt, indien wij er door geloof en bekering gebruik van maken. Paulus, die een vervolger is geweest, heeft barmhartigheid verkregen, omdat hij het in onwetendheid gedaan heeft, en Christus heeft gebeden voor hen, die Hem kruisigden: Vader! vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.
3. De afzondering van nog drie steden voor dit gebruik, indien God later hun grondgebied zou uitbreiden en de heerschappij van hun Godsdienst zich daarover zou uitstrekken, opdat alle plaatsen, die onder het bestuur van de wet van Mozes kwamen voor andere gevallen, ook het voordeel van de wet mochten hebben voor dit geval, vers 8-10. Hier is:
a. Een aanduiding van Gods genaderijk voornemen, om hun landpalen uit te breiden, zoals Hij aan hun vaderen heeft beloofd, indien zij door hun ongehoorzaamheid de vervulling van die belofte niet verbeurden, waarvan de voorwaarden hier zorgvuldig herhaald wordt, zodat, indien zij niet werd vervuld, de schuld en de smaad op hen was, en niet op God. Hij heeft beloofd het te geven, wanneer gij al dit gebod zalf waarnemen om dat te doen, en anders niet.
b. Een bevel aan hen, om in het nieuw-veroverde grondgebied nog drie steden af te zonderen, welk getal aanduidt dat dit nieuw-veroverde land even groot zal wezen als dat, hetwelk zij in de beginne veroverd hadden. Waarheen de grens van Israël gebracht werd, overal moet dit voorrecht er mee gaan, opdat het bloed van de onschuldige niet vergoten wordt, vers 10. Hoewel God de verlosser en bewaarder is van alle mensen, en tere zorg heeft over ieders leven, is toch het bloed van Israëlieten Hem zeer bijzonder dierbaar, Psalm 72:14. De geleerde Ainsworth merkt op dat de Joodse schrijvers zelf erkennen, dat de voorwaarde niet nagekomen zijnde, de belofte van de uitbreiding van hun grenzen ook nooit vervuld is geworden, zodat het nooit nodig is geweest om nog drie steden tot vrijsteden af te zonderen, maar (zeggen zij) de heilige, gezegende God heeft het toch niet tevergeefs geboden, want in de dagen van Messias, de Vorst, zullen drie andere steden aan deze zes toegevoegd worden. Zij verwachten dat dit naar de letter vervuld zal worden, maar wij weten dat de belofte in Christus haar geestelijke vervulling heeft, want de grenzen van het Israël des Evangelies zijn uitgebreid, overeenkomstig de belofte en in Christus, de Heere onze gerechtigheid, is een toevlucht bereid voor allen, die tot Hem gaan. II. Er is bepaald, dat de vrijsteden geen toevlucht zouden bieden aan een moedwillige moordenaar, maar dat deze vandaar gehaald en aan de bloedwreker overgeleverd zou worden, vers 11-13.
1. Dit toont aan dat moedwillige moord nooit door de burgerlijk magistraat beschermd moet worden, hij draagt het zwaard van de gerechtigheid tevergeefs, indien hij hen aan de scherpte er van laat ontkomen, die onder bloedschuld liggen, waarvan hij door zijn ambt de wreker is. Gedurende de heerschappij van het pausdom in Engeland, voor de reformatie waren sommige kerken en kloosters tot toevluchtsoorden gemaakt voor allerlei misdadigers die er heenvloden, moedwillige moordenaars niet uitgezonderd, zodat (gelijk Stamford zegt in zijn Pleas of the Crown, lib.2. ctr. 38.) de regering niet Mozes volgt, maar Romulus, en het was niet voor de laatste jaren van de regering van Hendrik VIII, dat dit voorrecht van toevlucht voor moedwillige moordenaars werd ingetrokken, toen men hierin, zoals in andere zaken, meer acht begon te slaan op het woord van God dan op de voorschriften van Rome.
2. Hierop kan gewezen worden om aan te tonen, dat in Jezus Christus geen toevlucht wordt gevonden voor trotse zondaren, die in hun schulden wandelen. Indien wij aldus moedwillig zondigen, en er mee voortgaan, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden, Hebreeën 10:26. Zij, die van hun zonde de toevlucht nemen tot Christus, zullen in Hem veilig zijn, maar niet zij, die denken door Hem beschut te worden in hun zonden. De zaligheid zelf kan de zodanigen niet zaligmaken, de Goddelijke gerechtigheid zal hen zelfs uit de vrijstad weghalen, daar zij op bescherming er van geen recht hebben.