Deuteronomium 13:12-18
Hier wordt het geval gesteld, dat een stad afvalt van haar trouw aan de God Israëls, en andere goden gaat dienen.
I. De misdaad wordt ondersteld bedreven te zijn:
1. Door een van de steden Israëls, die binnen hun rechtsgebied lag, de kerk oordeelt dan slechts hen, die binnen zijn, 1 Corinthiërs 5:12, 13. En zelfs toen hun geboden werd hun Godsdienst in de eerste beginselen er van, te vuur en te zwaard te bewaren, was het hun toch niet vergund om hem door vuur en zwaard te verbreiden. Zij die onder het rechtsgebied van een vorst geboren zijn en de wapens tegen hem opvatten worden als verraders behandeld, maar vreemdelingen, die hem aanvallen, zijn dit niet. De stad die hier afgodisch is geworden, wordt ondersteld vroeger de ware God te hebben aangebeden, maar zich nu naar andere goden te hebben gewend, hetgeen aanduidt hoe groot de misdaad is, en hoe ontzettend de straf zal zijn van hen die na de weg van de gerechtigheid gekend te hebben, er zich van afkeren, 2 Petrus 2:21.
2. Er wordt ondersteld, dat de misdaad door de massa van de bevolking bedreven is want wij kunnen denken dat, indien een aanzienlijk deel van de inwoners bij hun oprechtheid waren gebleven, alleen de schuldigen gedood zouden worden, en de stad gespaard zou blijven om der wille van de rechtvaardigen, die er in zijn want: zal de Rechter van de gehele aarde geen recht doen? Ongetwijfeld zal Hij het.
3. Zij worden ondersteld tot afgoderij te zijn gebracht door mannen, Belialskinderen, mannen die onder geen juk willen zijn, zoals de betekenis is van de uitdrukking, mannen, die God niet vrezen en geen mens ontzien, maar alle banden van wet en geweten van zich afschudden, voor alle deugd onvatbaar zijn geworden. Dat zijn degenen, die zeggen: "Laat ons andere goden dienen", die niet slechts hun zedeloze handelingen zullen toelaten, maar ze zullen goedkeuren en aanmoedigen. Belial is genomen voor de duivel, 2 Corinthiërs 6:15, en de kinderen Belials zijn zijn kinderen. Dezen hebben de inwoners van de stad afgetrokken, want een weinig van die oude zuurdesem zal, zo het niet intijds weggedaan wordt, het gehele deeg doorzuren.
II. Er wordt bevolen dat die zaak met grote zorg en nauwkeurigheid onderzocht zal worden, vers 14. Gij zult onderzoeken, en nasporen, en wel navragen. Zij moeten niet te werk gaan naar een los gerucht, of alleen op horen zeggen, neen, zij moeten de bewijzen onderzoeken en geen oordeel tegen hen uitspreken, of de bewijzen moeten duidelijk en onweerlegbaar zijn. Van God zelf wordt gezegd, dat Hij, eer Hij Sodom verwoestte, gezegd heeft: Ik zal nu afgaan en bezien of haar misdaden in overeenstemming zijn met het gerucht dat van haar uitging, Genesis 18:21. In rechtszaken is het nodig dat tijd, zorg en moeite besteed worden om de waarheid te ontdekken, en dat er zonder hartstocht, vooroordeel of partijdigheid een onderzoek worde ingesteld. De Joodse schrijvers zeggen dat particuliere personen, die zich aan afgoderij schuldig maakten, door de mindere gerechtshoven geoordeeld mochten worden, maar dat de afval van een stad voor het grote sanhedrin gebracht moest worden en zo het blijkt dat die stad aan afgoderij is vervallen, dan moesten zij twee geleerde mannen tot haar zenden om haar te vermanen en terug te brengen. Indien de inwoners zich bekeerden, dan was alles wel, indien niet, dan moest geheel Israël ten strijde tegen haar optrekken, om getuigenis af te leggen van hun verontwaardiging wegens afgoderij, en om de verspreiding van de besmetting tegen te gaan. III. Indien de misdaad bewezen was en de misdadigers onverbeterlijk bleken, dan moest de stad geheel en al verwoest worden. Als er nog enige rechtvaardige mensen in waren, dan zouden zij met hun gezinnen ongetwijfeld zo'n gevaarlijke plaats verlaten, waarna dan al de inwoners, mannen, vrouwen en kinderen ganselijk geslagen worden met de scherpte des zwaards, vers 15. Al de roof van de stad, beide winkelgoederen en huismeubelen, moet naar de marktplaats worden gebracht en verbrand worden, en de stad zelf in de as gelegd en nooit meer herbouwd worden, vers 16. Aan de krijgslieden wordt op straffe des doods verboden iets van de roof ten eigen gebruike aan te wenden, vers 17. Het waren verbannen zaken, en het was gevaarlijk zich daarmee in te laten, zoals wij in het geval van Achan bevinden.
1. God gebiedt deze strengheid om te tonen welk een ijverig God Hij is ten opzichte van de zaken van Zijn eredienst en hoe groot een misdaad het is, om andere goden te dienen. De mensen moeten weten dat God Zijn eer geen ander zal geven, noch Zijn lof de gesneden beelden.
2. Hij verwacht dat magistraten, hun eer en macht van Hem hebbende, Zijn eer zullen ter harte nemen, en hun macht zullen gebruiken tot vrees van de boosdoeners, want anders dragen zij het zwaard tevergeefs.
3. De getrouwe aanbidders van de ware God moeten alle gelegenheden waarnemen om hun rechtvaardige toorn tegen afgoderij te tonen, en nog veel meer tegen atheïsme, ongeloof en ongodsdienstigheid.
4. Er wordt hier te kennen gegeven dat het beste middel om Gods toorn af te wenden van een land hierin bestaat, dat er gerechtigheid wordt geoefend aan de bozen van dat land vers 17, opdat de Heere zich wende van de hitte Zijns toorns, die op het punt was te ontbranden tegen geheel de natie om de boosheid van die ene afvallige stad. Er is beloofd dat, zo zij aldus de boosheid zullen wegdoen uit hun land, God hen zal vermenigvuldigen. Zij zouden kunnen denken dat het onstaatkundig is en in strijd met de belangen van het volk om een gehele stad te verderven om een misdaad, die alleen de Godsdienst betreft, en dat zij spaarzamer moeten zijn met het bloed van de Israëlieten. "Hebt daar geen vrees voor", zegt Mozes, God zal u zoveel te meer vermenigvuldigen, het lichaam uws volks zal geen schade lijden door dit bedorven bloed er uit te laten wegvloeien.
Eindelijk Hoewel wij in de gehele geschiedenis van de joodse kerk geen voorbeeld vinden van de tenuitvoerlegging van deze wet, (Gibea werd niet om afgoderij, maar wegens onzedelijkheid verwoest) heeft God zelf toch wegens het verzuim om die wet toe te passen op de mindere steden, waar afgoden gediend werden, door het leger van de Chaldeeën haar ten uitvoer gelegd op Jeruzalem, de hoofdstad, die, wegens haar afval van God volkomen verwoest werd en zeventig jaren lang in puin lag. Hoewel afgodendienaars aan de straf van mensen kunnen ontkomen, (ook is deze wet naar de letter thans niet meer verbindend onder het Evangelie) zal toch de Heere onze God hen niet aan Zijn rechtvaardig oordeel laten ontkomen. Het Nieuwe Testament spreekt van gemeenschap met afgodendienaars als een zonde, die boven iedere andere, de Heere tergt, en Hem tart, alsof wij sterker zijn dan Hij. 1 Corinthiërs 10:21, 22.