1 Timotheus 1:1-4
Hier hebben wij:
I. Het opschrift van den brief, door wie hij gezonden werd: Paulus, een apostel van Jezus Christus, aangesteld tot apostel naar het bevel van God en den Heere Jezus Christus, welke onze hoop is. Zijn geloofsbrieven waren onbetwistbaar. Hij had niet alleen een aanstelling, maar een bevel, niet alleen van God onzen Zaligmaker, maar ook van Jezus Christus, hij was een verkondiger van het Evangelie van Christus en een dienaar in het koninkrijk van Christus. God is onze Zaligmaker. Jezus Christus is onze hoop. Jezus Christus is de hoop des Christens, onze hoop is in Hem, al onze hoop voor het eeuwige leven is op Hem gebouwd, Christus is in ons de hoop der heerlijkheid, Colossenzen 1:27. Paulus noemt Timotheus zijn zoon, omdat hij het middel tot zijne bekering geweest was, en omdat deze hem als een zoon gediend had, gediend met hem in het Evangelie, Filippenzen 2:22. Timotheus was niet tekort geschoten in den plicht van een zoon voor Paulus, en Paulus had overvloedig de zorg en de tederheid van een vader voor hem.
II. De zegen is: Genade, barmhartigheid en vrede zij u van God onzen Vader. Sommigen hebben de opmerking gemaakt, dat in al de brieven aan de gemeenten de apostolische zegenbede is: genade en vrede, maar in die aan Timotheus en Titus: genade, barmhartigheid en vrede, alsof dienaren meer behoefte aan Gods barmhartigheid hebben dan andere mensen. Dienaren behoeven meer genade dan anderen, om hun roeping getrouw te vervullen, en zij behoeven meer barmhartigheid dan anderen, om vergeving voor hun overtredingen te krijgen. En indien Timotheus, die zulk een uitnemend dienaar was, behoefte had aan de barmhartigheid Gods en aan haar toeneming en voortduring, hoeveel temeer wij, dienaren in den tegenwoordigen tijd, die zo weinig van zijn uitnemenden geest hebben!
III. Paulus zegt Timotheus met welke bedoeling hij hem tot deze bediening aangewezen heeft. Ik heb u vermaand te Efeze te blijven. Timotheus was gaarne met Paulus medegegaan, het verdroot hem van hem te scheiden, maar Paulus verlangde het zo, het was nodig voor het algemeen welzijn. Ik vermaande u (of ik raadde u aan) enz. Hij had hem met gezag kunnen bevelen, maar door zijne liefde gaf hij er voorkeur aan hem den raad te geven. Zijn werk was nu deze gemeente en hare dienaren te versterken in het geloof. Opdat gij sommigen leert geen andere leer te leren, dan die zij ontvangen hebben, dat zij niets aan de Christelijke leer toevoegen, onder voorwendsel van die te verbeteren en haar gebreken weg te nemen, dat zij er niets aan veranderen, maar haar getrouw blijven zoals ze hun overgeleverd was.
1. Dienaren moet gelast worden niet alleen de ware leerstellingen van het Christelijk geloof te prediken, maar ook geen andere leer te verkondigen. Indien wij of een engel uit den hemel u een evangelie verkondigden, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt, Galaten 1:8.
2. Ten tijde der apostelen waren er mensen, die trachtten het Christendom te vervalsen. (Wij dragen niet, gelijk velen, het woord Gods te koop, 2 Corinthiërs 2:17). Ware dat niet het geval geweest, dan zou Timotheus deze opdracht niet ontvangen hebben.
3. Hij moest niet alleen zorg dragen dat hijzelf geen andere leer verkondigde, maar hij moest den anderen bevelen geen eigen denkbeelden bij het Evangelie te voegen, of er iets aan te ontnemen, maar het zuiver en onverminkt te verkondigen. Evenzeer moest hij voorkomen, dat ze zich begaven tot fabelen en oneindelijke geslachtsrekeningen en woordentwisten. Dat wordt dikwijls herhaald in deze beide brieven, 4:7, 6:4, 2 Timotheus 2:23, en evenzo in den brief aan Titus. Gelijk er onder de Joden waren, die het Judaïsme in het Christendom brachten, zo vond men er onder de heidenen, die het Christendom met het heidendom vermengden. "Wees tegen dezen op uwe hoede", zegt hij, "waakt tegen hen, of zij zullen het bederf en den ondergang van den godsdienst onder u zijn, want zij brengen meer twistvragen dan stichting voort." De twistvragen der dienaren stichten niet, en hetgeen aanleiding geeft tot oneindige woordenwisseling werpt de gemeente neer in plaats van haar op te bouwen. En naar mijne mening moeten, bij wijze van vergelijking, alle andere vragen, welke dienaren opwerpen, in plaats van door Gods Woord te stichten, door ons verworpen en zonder deelneming voorbijgegaan worden, zoals een onafgebroken opvolging van de bediening van de apostelen tot op onzen tijd, de besliste noodzakelijkheid van bisschoppelijke ordening, de overtuiging van den dienaar ten aanzien van de waarde en werking der sacramenten, die hij bedient. Die zijn alle even slecht als Joodse fabelen en oneindelijke geslachtsrekeningen, want zij leiden ons in onoplosbare moeilijkheden en dienen alleen om de grondslagen van de hoop der Christenen te schokken en hun harten te vervullen met ontmoedigende twijfelingen en vrezen. Goddelijke stichting is het doel, dat de dienaren beogen moeten met al wat zij spreken, opdat de Christenen mogen toenemen in godsvrucht en opwassen tot betere gelijkenis van den gezegenden God. Merk verder op, dat de goddelijke stichting moet zijn in het geloof, het Evangelie is het fondament waarop gebouwd moet worden, en het is door het geloof in de eerste plaats, dat wij tot God komen, Hebreeën 11:6, wij worden ook in dezelfden weg en door hetzelfde beginsel des geloofs opgebouwd. Verder moeten de dienaren zoveel mogelijk vermijden alles, wat aanleiding geven kan tot twistgesprekken, en moeten vooral ingaan op de grote en praktische onderwerpen van den godsdienst, omtrent welke geen verschil van gevoelen kan bestaan. Want zelfs twistgesprekken over grote en noodzakelijke waarheden trekken de geesten af van het hoofddoel des Christendoms, dat bestaat in wandel en gehoorzaamheid zowel als in geloof, opdat wij niet de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, maar de verborgenheid des geloofs in een rein geweten bewaren mogen.