1 Samuël 5:1-5
I. Hier is de triomf van de Filistijnen over de ark, en zij waren er temeer verheugd om, en er trots op, haar in hun bezit te hebben, wijl zij hun voor de veldslag zoveel schrik en ontsteltenis had veroorzaakt, Hoofdstuk 4:7. Toen zij haar in handen hadden, heeft God hen in bedwang gehouden, zodat zij er geen geweld aan pleegden, haar niet in stukken braken, zoals aan de Israëlieten bevolen was te doen met de afgoden van de heidenen, zij betoonden er zelfs enige eerbied voor en brachten haar met zorg naar een plaats van veiligheid. Of zij de nieuwsgierigheid hadden om haar te openen en te lezen wat met de vinger Gods op de twee stenen tafelen, die er in waren, geschreven was, wordt ons niet gezegd, misschien zagen zij niet verder dan op de gouden buitenzijde er van en op de cherubim, die haar bedekten, zoals kinderen, die meer ingenomen zijn met de fraaien band van hun Bijbel, dan met de kostelijken inhoud ervan. Zij brachten haar naar Asdod, een van hun vijf steden, in welke de tempel van Dagon stond, daar stelden zij de ark Gods bij Dagon, vers 2. Hetzij:
1. Als een heilige zaak, waaraan zij Godsdienstigen eerbied wilden bewijzen in samenvoeging met Dagon, want de goden van de heidenen werden nooit beschouwd als afkerig te zijn van deelgenoten. De volken wilden hun goden niet veranderen, maar zij wilden ze wel vermenigvuldigen, en er nog aan toevoegen. Maar zij vergisten zich in de God Israëls, toen zij door de ark bij het beeld Dagon te stellen bedoelden Hem te eren, want Hij wordt in het geheel niet aangebeden, zo men Hem niet alleen aanbidt. De HEERE, onze God, is een enig HEERE.. Of liever:
2. Zij plaatsten haar daar als een trofee van overwinning, ter ere van Dagon, hun god, aan wie zij zeker een groot offer gingen brengen, zoals toen zij Simson gevangen hebben genomen. Richteren 16:23, 24, er in roemende dat zij thans over Israëls God hadden gezegevierd, gelijk toen over Israëls kampioen. Welk een smaad was dit voor Gods grote naam! Welk een nederwerping van de troon van Zijn heerlijkheid! Zal de ark, het symbool van Gods tegenwoordigheid, de gevangene zijn van de drekgod Dagon? Zo is het omdat God wil tonen van hoe weinig beduidenis of waarde de ark des verbonds is, als het verbond zelf verbroken en veronachtzaamd is, zelfs heilige zaken zijn geen zaken, waaraan Hij gebonden is of waarop wij kunnen vertrouwen. Zo is het, voor een tijd, opdat God des te meer verheerlijkt zal worden bij het afrekenen met hen die Hem aldus beledigen. Israël gestraft hebbende, dat de ark heeft verraden door haar in de handen van de Filistijnen over te leveren, zal Hij nu handelen met hen, die haar beledigden en haar uit hun handen wegnemen. Aldus zal zelfs de grimmigheid des mensen Hem loffelijk maken, en bevordert Hij Zijn eer, zelfs als Hij haar schijnt te veronachtzamen, Psalm 76:11. Spijze zal uitgaan van de eter.
II. Het triomferen van de ark over Dagon. Eenmaal en andermaal moest Dagon voor haar vallen. Indien zij bedoelden de ark eer aan te doen, dan heeft God hiermee getoond dat Hij geen prijs stelde op hun eerbewijzing, en haar niet wilde aannemen, want Hij wil geëerd worden, niet met enige god, maar boven alle goden. Hij zal schande aandoen, zegt bisschop Hall, aan hen, die samenstemming willen maken tussen Hem en Belial. Maar in werkelijkheid bedoelden zij de ark te smaden, en hoewel Dagon gedurende enige uren bij de ark stond, waarschijnlijk wel boven haar (de ark aan de voetbank van zijn voeten) bevonden toch zijn aanbidders, toen zij de volgenden morgen kwamen om hem eer te bewijzen in zijn tempel, dat hun triomf van korte duur was, Job 20:5.
1. Dagon, dat is: het beeld, want dat was geheel de god, was op zijn aangezicht ter aarde gevallen voor de ark des Heeren, vers 3. Het scheen alsof God Zijn ark had vergeten, maar zie, hoe de psalmist spreekt van Zijn verschijnen ten laatste, om Zijn eer hoog te houden. Toen Hij Zijn sterkte in de gevangenis had gegeven, en alles teniet scheen te gaan, "toen ontwaakte de Heere, als een slapende, als een held, die juicht van de wijn", Psalm 78:65. En Hij voorkwam de algehele verwoesting van de Joodse kerk, omdat Hij "de toorn des vijands schroomde", Deuteronomium 32:26, 27. Er werd grote zorg gedragen om de beelden hunner goden op te richten, ze vast te stellen (de profeet merkt dit op, Jesaja 41:7, "hij maakt het vast met nagelen, dat het niet wankele", en wederom in Hoofdstuk 46:7) en toch heeft dit vaststellen en vastmaken aan Dagon niet gebaat, de ark Gods triomfeert over hem op zijn eigen mesthoop, in zijn eigen tempel, hij valt neer voor de ark, regelrecht naar haar toe (hoewel de ark aan zijn zijde was gesteld) heenwijzende, als het ware, naar de overwinnaar, voor wie hij genoodzaakt is zich te buigen. Het rijk van Satan zal gewis vallen voor het rijk van Christus, de dwaling voor de waarheid, onheiligheid voor Godsvrucht, en bederf voor genade in het hart van de gelovigen. Als de belangen van de Godsdienst nedergeworpen schijnen, kunnen wij ook dan nog vertrouwen dat de dag van hun triomf zal aanbreken? Groot is de waarheid, en zij zal zegevieren. Door op zijn aangezicht ter aarde te vallen voor de ark Gods-hetgeen de houding was van de aanbidding-heeft Dagon, als het ware, zijn aanbidders heengewezen naar de God Israëls om Hem hun hulde te brengen, als zijnde "groter dan alle goden", Exodus 18:11.
2. De priesters, die hun afgod op de grond vonden liggen, spoedden zich zoveel zij kunnen om hem weer op zijn plaats te stellen, eer het bekend werd dat hij gevallen was. Een armzalig ding, om er een god van te maken, dat, toen het gevallen was, hulp nodig had om weer op te staan, en verdwaasde ellendelingen waren zij, die om hulp konden bidden tot de afgod, die zelf hulp nodig had, ja eigenlijk hun hulp afsmeekte. Hoe konden zij hun overwinning toeschrijven aan Dagon als Dagon zelf niet bestand is voor de ark? Maar zij zijn besloten dat Dagon nog hun god zal zijn, en daarom stelden zij hem weer in zijn plaats. Bisschop Hall merkt hierbij op: Het is rechtvaardig in God dat zij, die geen genade hebben, ook geen vernuft hebben, en het is het werk van het bijgeloof, om de mensen in de stokken en stenen te veranderen die zij aanbidden. Die ze maken worden hen gelijk. En wat doen de hedendaagse voorstanders van het anti-Christendom anders dan Dagon opheffen, en zich moeite geven om hem weer op zijn plaats te stellen, en de dodelijke wonde te genezen, die aan het beest is toegebracht? Maar als de reformatie de zaak Gods is, voor welke het is begonnen te vallen, dan zal het niet overmogen, maar gewis voor haar ter aarde vallen.
3. In de volgenden nacht is Dagon ten tweeden male gevallen, vers 4.. Zij stonden vroeg op, hetzij om als gewoonlijk hun gebeden te richten tot hun god, of vroeger dan gewoonlijk, daar zij wensten te weten of Dagon in de nacht is blijven staan, en tot hun grote verbazing bevinden zij dat het nu nog erger met hem is dan tevoren. Hetzij nu de stof waarvan het beeld gemaakt was al of niet breekbaar was, het feit lag er toe: het hoofd en de handen waren afgehouwen, en lagen aan de dorpel. Zodat er niets van hem overbleef dan de romp, of zoals de lezing is in de kanttekening het visachtige deel, want (zoals de gissing is van vele geleerden) het bovenste deel van dit beeld was in menselijke gedaante, het benedenste deel in die van een vis, zoals de meerminnen voorgesteld worden. Aan zo'n kracht van de dwaling waren de afgodendienaars overgegeven, zo verijdeld zijn zij geworden in hun overleggingen, en zo ellendig verduisterd was hun dwaas hart, dat zij beelden aanbaden, niet slechts van schepselen, maar van onbestaanbare dingen, het blote verdichtsel van hun verbeelding. Wel door zijn val is nu het wanstaltig monster:
a. zeer bespottelijk en verachtelijk. Een prachtige figuur maakt Dagon thans, nu de val hem ontleed heeft, en aangetoond, hoe het menselijk deel en het vischachtige deel kunstmatig aan elkaar gevoegd zijn, terwijl men aan zijn onwetende aanbidders misschien had doen geloven, dat het door een wonder was geschied.
b. Gebleken zeer machteloos te zijn, onwaardig om te worden aangebeden of om er op te vertrouwen, want hoofd en handen verloren hebbende bleek hij even ontbloot te zijn van wijsheid als van macht, voor altijd onbekwaam om hun te raden of hen te helpen, of voor hen te handelen. Dit hadden zij er nu van, dat zij hem weer op zijn plaats gesteld hadden, het zou beter geweest zijn hem, toen hij gevallen was, maar te laten liggen. Maar hun, die met God strijden en willen oprichten hetgeen Hij heeft nedergeworpen, kan het niet beter vergaan, Maleachi 1:4. Hierdoor heeft Hij de ark "root gemaakt en haar heerlijk gemaakt, toen zij haar gehoond en verachtelijk hadden gemaakt. Tevens heeft Hij getoond wat het einde zal wezen van al hetgeen in tegenstand met Hem wordt opgericht, "omgordt u, doch wordt verbroken", Jesaja 8:9.
4. De dorpel van Dagons tempel werd altijd daarna als heilig beschouwd, en mocht niet betreden worden, vers 5. Sommigen denken dat op dit bijgelovig gebruik van de aanbidders van Dagon gewezen wordt in Zefanja 1:9, waar God dreigt hen te zullen straffen die, in navolging van deze Dagon aanbidders, over de dorpel springen. Men zou nu gedacht hebben dat dit onbetwistbaar bewijs van de zegepraal van de ark over Dagon de Filistijnen overtuigd zou hebben van hun dwaasheid, om zo'n onzinnig ding te aanbidden, en dat zij van nu voortaan hun hulde gebracht zouden hebben aan zijn overwinnaar, maar inplaats van bekeerd te worden van hun afgoderij werden zij er in verhard en, zoals het gewoonlijk gaat met boze mensen en bedriegers, vervielen zij van kwaad tot erger, 2 Timotheus 3:13. Inplaats van Dagon te verachten om de wille van de dorpel, die hem onthoofd had, zijn zij schier bereid de dorpel te aanbidden, omdat hij het blok was waarop Dagon onthoofd was, en zullen zij nooit de voet zetten op hetgeen waar Dagon zijn hoofd op had verloren, hen beschaamd makende, die de Zoon van God vertreden en het bloed van het testament onrein achten. Maar deze hun bijgelovige handeling zal er toe bijdragen om Dagons schande te vereeuwigen, want met de gewoonte zal ook de reden er van aan het nageslacht worden overgeleverd, en als de kinderen, die geboren worden, zullen vragen waarom op de dorpel van Dagons tempel niet getreden mag worden dan zal hun gezegd worden, dat Dagon voor de ark des Heeren op zijn aangezicht ter aarde is gevallen. Aldus zal zelfs uit hun bijgeloof Gode eer worden toegebracht. Er wordt ons niet gezegd dat zij het gebroken beeld hebben gerepareerd, waarschijnlijk hebben zij eerst gemaakt dat de ark Gods wegkwam, en toen hebben zij hem saamgeflanst en weer op zijn plaats gesteld, want het schijnt dat zij "hun ziel niet konden redden, noch zeggen: Is er niet een leugen in onze rechterhand?" Jesaja 44:20.