2 Samuël 20:1-3
Temidden van zijn triomf heeft David het verdriet van zijn koninkrijk beroerd te zien en zijn gezin onteerd.
I. Zijn onderdanen staan tegen hem op, hiertoe aangezet zijnde door een Belialsman, die zij volgen, terwijl zij de man naar Gods hart verlaten.
Merk op:
1. Dat dit gebeurde onmiddellijk nadat de opstand van Absalom onderdrukt was. Zolang wij in deze wereld zijn moeten wij het niet vreemd vinden, dat het einde van de ene verdrietelijkheid het begin is van een andere, soms roept de afgrond tot de afgrond.
2. Dat het volk pas teruggekeerd was tot zijn trouw, om haar plotseling weer te verlaten. Een verzoening, die pas tot stand is gekomen moet met grote voorzichtigheid gehanteerd worden, opdat de vrede niet weer verbroken wordt, voor hij nog geheel hersteld is. Als een gebroken been gezet is, moet het tijd hebben om weer vast te worden.
3. Dat de aanvoerder van deze rebellie was Seba, een Benjaminiet van geboorte, vers 1, maar die zijn woning had op het gebergte van Efraïm, vers 21. Simeï en hij waren beide van Sauls stam, en in beide leefde de oude wrok van dat huis. Tegen het koninkrijk van de Messias bestaat een erfelijke vijandschap in het zaad van de slang en een opeenvolging van pogingen om het omver te werpen, Psalm 2:1, 2, maar die in de hemel zit belacht hen.
4. Dat de aanleiding er toe de dwaze twist was, waarvan wij aan het einde van het vorige hoofdstuk gelezen hebben, tussen de oudsten van Israël en de oudsten van Juda over het terugbrengen van de koning. Het punt van eer, waarover de twist onder hen liep, was wie hunner het meeste deel had aan David. "Wij zijn talrijker", zeggen de oudsten van Israël. "Wij zijn hem nader verwant", zeggen de oudsten van Juda. Nu zou men denken dat David zeer veilig en gelukkig zijn zal, als zijn onderdanen er om twisten wie hem het meest zal liefhebben en het ijverigst zal zijn om hem eerbied te betonen, maar juist die strijd blijkt de aanleiding te wezen van een opstand. De mannen van Israël klaagden bij David over geringschatting, die hun door de mannen van Juda was aangedaan, had hij nu hun klacht gebillijkt, hun ijver geprezen en er hun dank voor betuigd, hij zou hen misschien in hun trouw aan hem hebben bevestigd, maar hij scheen partijdig te zijn voorzijn eigen stam, hun woorden hadden de overhand boven de woorden van de mannen Israëls, zoals sommigen de laatste woorden van het vorige hoofdstuk lezen. David was geneigd hen te rechtvaardigen, hetgeen de mannen Israëls, toen zij het bemerkten, in verontwaardiging deed weggaan. "Indien de koning zich door de mannen van Juda wil laten inpalmen, welnu wel mogen zij varen met elkaar, maar wij zullen een eigen koning over ons gaan aanstellen. Wij dachten tien delen te hebben aan David, maar dat wordt ons niet toegestaan, de mannen van Juda zeggen ons dat wij eigenlijk geen deel aan hem hebben, en daarom zullen wij er dan ook geen deel aan hebben, en nu zullen wij hem niet verder vergezellen naar Jeruzalem, en hem niet als onze koning erkennen". Dit werd bekend gemaakt door Seba, die waarschijnlijk een man van aanzien was, en een werkzaam aandeel had genomen in Absaloms opstand. De misnoegde Israëlieten volgden de wenk, en togen op van achter David om Seba te volgen, vers 2, dat is: de meerderheid deed dit, alleen de mannen van Juda bleven trouw aan David.
Leer hieruit:
a. Dat vorsten onstaatkundig handelen, als zij partijdig zijn in de opmerkzaamheid, die zij aan hun onderdanen schenken zoals het onverstandig voor ouders is, om het ene kind voor te trekken boven het andere kind.
b. Diegenen weten niet wat zij doen, die geringachting tonen voor de genegenheid hunner minderen, door er geen acht op te slaan. Van hen, wier liefde geminacht werd, kan de haat te vrezen zijn.
c. "Het begin des krakeels is gelijk een, die het water opening geeft" daarom is het verstandig hem te verlaten "eer hij zich vermengt," Spreuken 17:14. Hoe groot een hoop houts zal door een weinigje van dat vuur worden ontstoken!
d. Het verkeren of verdraaien van woorden is de verstoring van de vrede, en veel kwaad wordt gedaan door aan hetgeen gezegd of geschreven is een verkeerde uitlegging te geven, er gevolgtrekkingen uit af te leiden, die nooit bedoeld waren. De mannen van Juda hadden gezegd: de koning is ons na verwant, daarmee bedoelt gij, zeggen de mannen Israëls, dat wij geen deel aan hem hebben terwijl zij er dit volstrekt niet mee bedoeld hadden.
e. De mensen zijn zeer geneigd om in uitersten te vervallen. Wij hebben tien delen aan de koning, zeggen de mannen Israëls en in het volgende ogenblik, schier in een adem zeggen zij: Wij hebben geen deel aan hem. Heden: Hosanna! morgen: Kruis hem!
II. Zijn bijwijven opgesloten en levenslang gevangen gezet, en hijzelf in de noodzakelijkheid om dit te doen, omdat zij door Absalom verontreinigd waren, vers 3. David had, tegen de wet, de vrouwen vermenigvuldigd, en zij zijn een verdriet en een schande voor hem geworden. Haar, in wie hij een zondig genot had gevonden, was hij nu:
1. In plichtsbetrachting genoodzaakt van zich weg te doen, daar zij onrein voor hem waren geworden, door de lage onreinheid, die zijn zoon met haar bedreven had. Van haar, die hij heeft liefgehad, moet hij nu een walging hebben.
2. Uit voorzichtigheid genoodzaakt haar op te sluiten in afzondering, uit schaamte moeten zij niet buiten gezien worden, opdat het volk, door haar te zien, geen aanleiding zou hebben om te spreken van hetgeen Absalom haar gedaan heeft, hetgeen niet eens genoemd mag worden, 1 Corinthiers 5:1. Opdat die slechtheid in vergetelheid zou worden begraven, moeten zij in afzondering worden begraven.
3. In gerechtigheid genoodzaakt haar op te sluiten in de gevangenis, om haar te straffen voor haar gemakkelijk toegeven aan Absaloms lusten, toen zij misschien wanhoopten aan Davids terugkomst. Laat niemand kwaad doen en verwachten wèl te varen.