2 Samuël 20:14-22
Wij zien hier het einde van Seba's opstand.
I. Toen de rebel door al de stammen Israëls omgezworven had en bevond dat zij bij nader bedenken niet zo bereid waren om David te verlaten, als zij in plotseling opkomende toom geweest waren, trok hij met de weinigen van zijn soort, die hij had kunnen verzamelen, Abel-Beth-Maacha binnen, een versterkte stad in het noorden, in het lot van Nafthali, waar wij de ligging er van vinden aangeduid in 2 Koningen 15:29 . Hier beschutte hij zich, hetzij met geweld of met toestemming van de inwoners maar zijn aanhangers waren merendeels Beërieten van Beëroth in Benjamin, vers 14. Een slecht man zal vele anderen slecht maken.
II. Joab trok zijn gehele krijgsmacht bijeen voor de stad, belegerde haar, rammeide de muren en maakte toebereidselen voor een algemene bestorming, vers 15. Volkomen terecht wordt die plaats met zo'n woede aangevallen, die een verrader durft herbergen, ook zal het niet beter vergaan aan dat hart, hetwelk toegeeft aan de rebellerende lusten, die niet willen dat Christus er in zal heersen.
III. Een verstandige, goede vrouw van de stad Abel brengt door haar wijs beleid die zaak tot een goed einde, zodat Joab tevreden is en de stad toch gespaard wordt. Hier is:
1. Haar onderhandeling met Joab en het verdrag met hem, dat hem verplicht het beleg op te heffen op voorwaarde dat hem Seba overgeleverd wordt. Het schijnt dat geen van de mannen van Abel, van de oudsten of magistraten, zich aanbood om met Joab te onderhandelen, zelfs niet toen zij tot de uiterste nood waren gebracht, hetzij omdat zij te dom waren, zich niet bekommerden om het algemeen belang of omdat zij bang waren voor Seba, of er aan wanhoopten goede voorwaarden van Joab te verkrijgen, of geen verstand genoeg hadden om het verdrag te maken. Maar die een vrouw heeft door haar wijsheid de stad gered. Er is geen verschil van sekse voor de ziel, al is de man ook het hoofd, dan volgt daar nog niet uit dat hij het monopolie heeft van de hersenen, en daarom behoort hij ook door generlei Salische wet het monopolie te hebben van de kroon, menig mannelijk hart, ja beter dan een mannelijk hart, is in een vrouwenborst gevonden, ook is de schat van de wijsheid niet minder kostelijk en te waarderen, omdat hij in het zwakkere hart huist.
In het verdrag tussen deze opgenoemde heldin en Joab:
A. Verkrijgt zij zijn gehoor en zijn aandacht vers 17. Het was zeker wel de eerste maal dat hij met een vrouw over krijgszaken heeft onderhandeld.
B. Zij redeneert met hem ten behoeve van haar stad.
a. Zij voert aan dat de stad vermaard was om haar wijsheid, vers 18, dat er sedert lang zo'n roep uitging van die stad om de bekwame, schrandere mannen, die er in woonden, dat zij de vraagbaak was geworden van het land, en iedereen zich onderwierp aan het gevoelen van haar oudsten. Hun uitspraak was een orakel, laat hen geraadpleegd worden en de zaak is ten einde en het geschil beslecht, want alle partijen berusten er in. Zal nu zo'n stad in de as gelegd worden, er niet mee worden onderhandeld? b. Dat de inwoners over het algemeen vreedzaam en getrouw zijn in Israël, vers 19. Zij kon niet alleen voor zichzelf spreken, maar ook voor allen wier zaak zij bepleitte, dat zij niet van een woelzieke, oproerige aard waren, maar bekend waren om hun trouw aan hun vorst en hun vredelievendheid onder elkaar, dat zij dus noch oproerig noch twistziek waren.
c. Dat zij een moeder was in Israël, een leidsvrouw en voedster van de naburige steden en het omliggende land, en behoorde tot het erfdeel des Heren, een stad van Israëlieten, niet van heidenen, de verwoesting er van zou een vermindering en verzwakking zijn van het volk, dat God zich ten erfdeel had verkoren.
d. Dat zij verwachtten dat hij hun de vrede zou toeroepen eer hij hen aanviel, overeenkomstig de welbekende krijgswet, Deuteronomium 20:10. De kanttekening geeft deze lezing van vers 18. In het begin (van het beleg) spraken zij openlijk, zeggende: Voorzeker zullen zij van Abel vragen, dat is: "De belegeraars zullen de verrader opeisen, ons vragen hem over te leveren, en zo zij dit doen, dan zullen wij spoedig tot een overeenkomst komen, en dan is er een einde aan de zaak". Aldus verwijt zij Joab stilzwijgend, dat hij hun geen vrede toegeroepen heeft maar hoopt dat het er nog niet te laat voor is geworden.
C. Joab en Abels voorspraak komen spoedig overeen, dat Seba's hoofd het rantsoen van de stad zal zijn. Hoewel Joab in een persoonlijke twist onlangs Amasa had verzwolgen en verdorven, wil hij toch, als hij handelt als legerhoofd, volstrekt de aantijging niet verdragen, dat hij behagen schept in bloedvergieten. Het zij verre, het zij verre van mij, dat ik behagen zou scheppen in verslinden en verderven of dit op het oog heb, behalve wanneer het voor het algemene welzijn noodzakelijk is, vers 20. De zaak is niet zo, onze twist is niet met uw stad, wij zouden ons leven willen wagen om haar te beschermen: onze twist is alleen met de verrader, die door u wordt geherbergd lever hem over en wij hebben afgedaan". Zeer veel kwaad zou voorkomen worden indien twistende partijen elkaar slechts wilden begrijpen. De stad biedt hardnekkig weerstand gelovende dat Joab het op haar verderf gemunt heeft, Joab valt haar met alle kracht en woede aan, gelovende dat al haar burgers verbondenen zijn van Seba, beide verkeren in dwaling, Iaat beide uit de waan gebracht worden, en de zaak is spoedig in orde. De enige vredesvoorwaarde is: de uitlevering van de verrader, zo is het in Gods handeling met de ziel, als zij belegerd wordt door overtuiging van zonde en benauwdheid. Zonde is de verrader, de beminde lust is de rebel, scheid daarvan, werp de overtreding van u, en alles zal wèl wezen. Geen vrede op andere voorwaarden. Deze wijze vrouw neemt het voorstel terstond aan: Zie, zijn hoofd zal tot u over de muur geworpen worden.
2. Haar verdrag met de burgers. Zij ging tot hen met haar wijsheid (en misschien had zij die even nodig in het handelen met hen als in het handelen met Joab) en bewoog hen om Seba's hoofd af te houwen, waarschijnlijk op order van hun regering, en het werd Joab over de muur toegeworpen. Hij kende het aangezicht van de verrader, en daarom zag hij niet verder, want hij bedoelde niet een van zijn aanhangers te laten lijden. De openbare veiligheid was verzekerd, en hij had geen begeerte naar openbare wraakoefening. Hierop brak Joab het beleg op en keerde terug naar Jeruzalem, met de trofeeën des vredes veeleer dan van de overwinning.