2 Samuël 14:21-27
I. Merk hier op: de orders, die gegeven worden om Absalom terug te brengen, de zaak, waarvoor de vrouw tot David gekomen was, was hem zo aangenaam, en haar beleid daarbij zo verstandig en verrassend, dat hij er door in een zeer vriendelijk, welwillend humeur kwam. "Ga heen" zegt hij tot Joab, "haal de jongeling Absalom weer", vers 21. Hijzelf was geneigd hem gunst te betonen, maar voor de eer van zijn gerechtigheid wilde hij het niet doen dan op voorspraak van anderen, hetgeen de methode van de Goddelijke genade kan voorstellen. Het is waar, God heeft gedachten van ontferming voor arme zondaren, Hij wil niet dat zij zullen omkomen, maar Hij is met hen verzoend door de Middelaar, die voor hen bij Hem tussenbeide treedt, en aan wie Hij deze orders heeft gegeven "Ga heen, haal hen weer. God was in Christus de wereld met zichzelf verzoenende, " en Hij is in dit land van onze ballingschap gekomen, om ons tot God te brengen. Joab, deze orders ontvangen hebbende:
1. Betuigt de koning dank voor de eer, die hij hem aandeed door hem te gebruiken voor een zaak, die zo algemene voldoening schonk, vers 22. Joab beschouwde het als een vriendelijkheid jegens hemzelf en (naar sommigen denken) als een aanduiding, dat hij hem nooit ter verantwoording zou roepen voor de moord, die hij gepleegd had. Maar indien hij dit dacht, dan vergiste hij zich, zoals wij zien in 1 Koningen 2:5, 6 .
2. Stelt niet uit om Davids orders ten uitvoer te brengen, hij bracht Absalom te Jeruzalem, vers 23. Ik zie niet hoe David gerechtvaardigd kan worden in zijn schorsen van de aloude wet, Genesis 9:6, "Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden," waarin een rechtvaardig magistraat zelfs "zijn broederen niet moet kennen en zijn zonen niet moet achten." Gods wetten waren nooit bedoeld om als spinnewebben te zijn, die de kleine vliegen vangen, maar de grote doorlaten. God heeft Absalom rechtvaardig tot een gesel gemaakt voor hem, wiens dwaas medelijden hem aldus gespaard heeft. Maar hoewel hij hem vergunde naar zijn eigen huis terug te keren, verbood hij hem toch aan het hof te komen, en wilde zelfs hem niet zien, vers 24. Hij legde hem onder dit verbod:
a. Om der wille van zijn eigen eer, om de schijn niet te hebben van zo'n groot misdadiger te steunen, noch hem al te gemakkelijk gratie te verlenen. Misschien had hij iets gehoord van zijn gedrag toen Joab hem ging halen, dat hem maar al te veel reden gaf om te denken dat hij geen werkelijk berouw had, daarom legde hij hem onder dit teken van zijn misnoegen, teneinde hem te doen ontwaken tot het besef van zijn zonde, en tot berouw en smart er over en zich met God te verzoenen, dan zou David op het eerste teken hiervan ongetwijfeld hem terstond weer in gunst hebben aangenomen.
II. Naar aanleiding hiervan wordt een bericht gegeven omtrent Absalom. Er wordt niets gezegd van zijn wijsheid of Godsvrucht, hoewel hij de zoon was van zo'n vroom vader lezen wij niets van zijn vroomheid. Ouders kunnen aan hun kinderen geen genade geven al geven zij hun ook nog zo'n goede opvoeding. Al wat hier van hem gezegd wordt, is:
1. Dat hij een zeer schoon man was, in geheel Israël werd niemand gevonden, die hem gelijk was in schoonheid, vers 25. Een armzalige lof voor iemand in wie niets anders gevonden werd dat loffelijk was. Schoon is wie schone daden doet. Menige bevlekte, verdorven ziel huist in een schoon lichaam, getuige die van Absalom, die bevlekt was door bloed en misvormd was door onnatuurlijke ongenegenheid voor zijn vader en vorst. In zijn lichaam was geen gebrek, maar in zijn ziel was er niets dan wonden en etterbuilen. Misschien was dit een reden, waarom zijn vader zo veel van hem hield, en hem beschermd heeft tegen de gerechtigheid. Diegenen hebben reden te vrezen, dat zij verdriet zullen hebben van hun kinderen, die meer ingenomen zijn met hun schoonheid dan met hun deugd.
2. Dat hij zeer fraai hoofdhaar had. Hetzij het de lengte er van was, of de kleur of de buitengewone zachtheid, er was iets in, waardoor het zeer kostbaar en een sieraad voor hem was, vers 26. Deze nota wordt van zijn haar genomen, niet zoals van het haar eens nazireërs-verre van hem was die strengheid van levenswijze-maar als van het haar van een pronker. Hij liet het groeien, totdat het een last voor hem was en zwaar op hem woog, maar zolang hij het enigszins kon dragen wilde hij het niet laten afknippen, gelijk hoogmoed geen koude gevoelt, zo gevoelt hij ook geen hitte, en hetgeen die hoogmoed streelt en bevredigt, daarover wordt niet geklaagd, al veroorzaakt het ook nog zoveel ongerief. Als hij van tijd tot tijd zijn hoofd toch beschoor, dan liet hij het wegen om er mee te pronken, opdat het gezien zou worden, hoe ver het het haar van andere mannen overtrof, het woog twee honderd sikkelen, naar sommiger berekening was dit gelijk aan drie pond en twee ons van ons gewicht, en met de olie en het poeder, inzonderheid als het met stofgoud gepoederd werd, (Josephus zegt dat dit toen de mode was) denkt bisschop Patrick, dat het volstrekt niet ongelooflijk is, dat het zoveel woog. Dit fraaie haar bleek zijn strop te zijn, Hoofdstuk 18:9.
3. Dat zijn gezin begon gebouwd te worden. Waarschijnlijk duurde het lang eer hij een kind had, en toen was het dat hij, wanhopende om er een te hebben, die pilaar voor zich had opgericht, vermeld in Hoofdstuk 18:18, om aan zijn naam te doen gedenken, maar daarna had hij drie zonen en een dochter, vers 27. Of misschien zijn deze zonen door de rechtvaardige hand Gods afgesneden, toen hij het komplot van zijn rebellie smeedde, en heeft hij toen die pilaar opgericht.