2 Samuël 13:30-39
I. Hier is de verschrikking, die over David kwam door een vals gerucht, te Jeruzalem verspreid, dat Absalom al de zonen des konings had verslagen, vers 30. Losse geruchten zullen gewoonlijk wat erg is nog erger maken, en het eerste bericht nopens een zaak als deze, stelt haar schrikkelijker voor dan zij later blijkt te wezen. Laat ons dan niet verschrikt worden door kwade tijdingen zolang zij nog niet bevestigd zijn, maar als wij het ergste horen het beste hopen, of tenminste hopen op betere. Deze valse tijdingen gaven aan David voor het ogenblik evenveel smart, alsof zij waar waren geweest, hij scheurde zijn klederen, en legde zich neer ter aarde, terwijl het toch nog slechts een los gerucht was, vers 31. Het was goed dat David genade had, hij had haar zeer nodig, want hij had sterke hartstochten.
II. De herstelling van de vergissing op tweeërlei wijze:
1. Door de slimme gissing van Jonadab, de zoon van Davids broeder, die hem zeggen kon: Amnon alleen is dood, niet al de zonen des konings, vers 32, 33, en hem ook kon zeggen, dat hij gedood was op bevel van Absalom, en dat het plan ertoe beraamd was van de dag af, dat hij zijn zuster Tamar had verkracht. Welk een slecht mens was hij, dat hij, dit alles wetende of reden hebbende om het te vermoeden, er David niet eerder mee bekend gemaakt heeft, zodat deze middelen had kunnen beramen om de twist bij te leggen! Dat zou Jonadabs plicht geweest zijn indien hij als een eerlijk man had gehandeld, David had dan tenminste Amnon niet het gevaar in de mond laten lopen, door hem verlof te geven om naar Absaloms huis te gaan. Als wij niet alles doen wat wij kunnen om kwaad te voorkomen, dan maken wij er ons medeplichtig aan. "Wanneer wij zeggen: Zie, wij weten dat niet, zal Hij die de harten weegt, dat niet merken", of wij het al of niet wisten? Zie Spreuken 24:11, 12. Laat het zijn, dat Jonadab niet zo schuldig was aan Amnons dood als aan zijn zonde, maar zulke vrienden blijken zij te wezen, naar wie men luistert als zij goddeloosheden aanraden: hij, die niet zo vriendelijk wilde wezen om Amnons zonde te voorkomen, wilde ook de vriendelijkheid niet hebben om zijn verderf te voorkomen daar hij dit toch gekund schijnt te hebben.
2. Door de behouden terugkomst van al de zonen des konings behalve Amnon. Zij en hun dienaren werden spoedig door de wacht ontdekt, vers 34, 35, en kwamen spoedig aan om te tonen dat zij in leven waren, maar de stellige tijding te brengen, dat Absalom zijn broeder Amnon had vermoord. De droefheid, die David gevoeld had om hetgeen niet was maakte hem nu te beter instaat om te dragen wat wel was door hem, toen hij beter ingelicht was, aanleiding te geven om God te danken, dat niet al zijn zonen dood waren, maar dat Amnon dood was, op zo verraderlijke barbaarse wijs vermoord door zijn eigen broeder, was toch genoeg om de koning en het hof van de koning en het koninkrijk in rouw te dompelen. Droefheid is nooit meer redelijk dan wanneer er ook zonde in het geval is.
III. Absaloms vlucht voor de gerechtigheid. Absalom nu vluchtte terstond, vers 34. Thans was hij even bevreesd voor de zonen des konings als zij voor hem geweest zijn, zij vloden voor zijn boosaardigheid, hij voor hun gerechtigheid. Geen deel van het land Israëls kon hem een schuilplaats verlenen. De vrijsteden gaven geen bescherming aan een moedwillige moordenaar. Hoewel David Amnons bloedschande ongestraft liet, kon Absalom zich toch niet vleien zijn vergeving te verkrijgen voor deze moord, zo uitdrukkelijk was de wet in dit geval, en zo welbekend Davids gerechtigheid en zijn vrees voor bloedschuld. Daarom begaf hij zich zo spoedig mogelijk naar de bloedverwanten van zijn moeder, en werd ontvangen door zijn grootvader Thalmai, koning van Gesur, vers 37, en daar werd hij gedurende drie jaren beschermd, vers 38, David hem niet opeisende, en Thalmai zich niet verplicht rekenende om hem terug te zenden, behalve in het geval dat hij opgeëist werd.
IV. Davids onrust om zijn afwezigheid. Geruime tijd droeg hij rouw om Amnon, vers 37, maar mettertijd verminderde die droefheid, hij had zich getroost over Amnon, dat hij dood was, ook zijn verfoeiing van Absaloms zonde nam maar al te veel af, inplaats van hem te verafschuwen als een moordenaar, verlangde zijn ziel om naar Absalom uit te trekken, vers 39 In het eerst kon hij het niet van zich verkrijgen om recht aan hem te doen, nu is hij bijna bereid om hem weer in gunst aan te nemen. Dit was Davids zwakheid. God moet iets in zijn hart gezien hebben, dat verschil maakte anders zouden wij gedacht hebben dat hij evenzeer als Eli, zijn zonen meer eerde dan God.