2 Petrus 2:7-9
Wanneer God verwoesting over de goddelozen zendt, beschikt Hij verlossing voor de rechtvaardigen, en wanneer Hij vuur en zwavel doet regenen over de kwaden, bedekt Hij het hoofd van de rechtvaardigen, en Hij zal hen verbergen in den dag der benauwdheid. Dat zien wij in het voorbeeld van de bewaring van Lot. Merk hier op:
1. De tekening, die van Lot gegeven wordt, hij wordt den rechtvaardige genoemd. Hij was dat door de keuze, die gewoonlijk in zijn hart overheersende was, en door den algemenen gang van zijn wandel. God houdt de mensen niet voor rechtvaardig of onrechtvaardig naar een enkele daad, maar naar de doorgaande richting van hun leven. En hier is een rechtvaardig man midden onder een hoogst-bedorven en ontaard geslacht, dat in zijn geheel van alle goed geweken was. Hij volgde de menigte niet in het doen van het kwade, maar wandelde oprecht in een stad van ongerechtigheid.
2. Den indruk, dien de zonden van anderen op dezen rechtvaardigen man maakten. Ofschoon de zondaar vermaak schept in zijne ondeugden, zijn zij een verdriet en kwelling voor den rechtvaardige. In slecht gezelschap kunnen wij niet ontkomen aan schuld of verdriet. De zonden van anderen moeten ons tot ergernis zijn, anders is het onmogelijk ons zelven rein te bewaren.
3. Hier wordt bijzonder melding gemaakt van den duur van het verdriet en de ergernis van dezen rechtvaardige: dag op dag. Het voortdurend horen en zien van hun goddeloosheid verzoende hem er niet mede en verstompte den afschrik niet, die er door veroorzaakt werd. Zo was de rechtvaardige, dien God bewaarde van het ontzettend oordeel, dat alles om hem heen verwoestte. Hierdoor wordt ons geleerd hoe God Zijn volk weet te verlossen en Zijn vijanden te straffen. Hier wordt verondersteld dat de rechtvaardigen hun verzoekingen en beproevingen moeten ondergaan. De duivel en zijn werktuigen zullen sterk op hen aandringen om hen te doen vallen, en indien wij den hemel zullen binnentreden, moet het door vele beproevingen heengaan. Het is dus onzen plicht daarop te rekenen en er ons toe voor te bereiden.
A. De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn. Hij zondert de godzaligen voor zich zelven af, en zo er slechts een in vijf steden is, toch kent Hij hem. Waar een groter aantal is, kan Hij er dus niet onwetend van zijn of een hunner over het hoofd zien.
B. De wijsheid Gods is nooit verlegen om middelen en wegen ter verlossing van Zijn volk. Zij schijnen soms geheel en al verloren te zijn, zij zien dikwijls geen middel tot ontkoming, maar Hij weet een menigte middelen.
C. De verlossing van de godzaligen is het werk van God, Hij gebruikt die om daarin te openbaren Zijne wijsheid om den weg te banen en Zijne macht om hen uit de verzoeking te verlossen, ten einde te voorkomen dat zij in de zonde vallen en door hun moeilijkheden ten onder gaan.
D. God maakt een groot onderscheid in Zijne handelwijzen met de godzaligen en de bozen. Wanneer Hij Zijn volk van den ondergang redt, levert hij zijn vijanden over aan wel verdiende verwoesting. De onrechtvaardige heeft geen deel in de redding, die God voor den rechtvaardige bewerkt. De onrechtvaardigen worden bewaard tot den dag des oordeels. a. Er is een dag des oordeels. God heeft een dag bepaald, waarop Hij de wereld zal oordelen.
b. De bewaring van onbekeerlijke zondaren is alleen een bewaring voor den dag der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods.