3. En zij, die valse leraars (
Vers 14), zullen door gierigheid, waarvan zij vervuld zijn en waaraan zij zich overgeven, met gemaakte, verdichte woorden (
Romeinen 16:18), van u een koopmanschap maken, op allerlei wijze winst van u proberen te trekken (
Judas 1:16.
1 Timotheus 6:5, waarover het oordeel van het verderf van overlang, omdat reeds vanouds over zulke misdadigers de straf gekomen is, niet leeg is, niet rust, niet stil is, zodat het eerste voorbeeld nog zou moeten worden gegeven; en hun verderf sluimert niet, zodat het eerst nog wakker zou moeten worden gemaakt, om hun ten dele te worden.
Wij hebben reeds in Vers 1 gelezen, waarmee de valse leraars zich bezondigen en het verderf over zich brengen zullen. Nu zegt de apostel ook, welk onheil zij door hun verderfenissen of "ongebondenheid" en door hun winzucht zullen teweegbrengen, want die beide hoofdzonden, ongebondenheid en gierigheid (luxuria et avariti a), die hand aan hand plegen te gaan, vinden wij ook hier bij elkaar. Hun teugelloosheid, de uitspattingen, waaraan zij zich overgeven, zullen velen aantrekken, zodat zij dezelfde weg gaan. En als nu zij, die geen Christenen zijn, zo velen zo'n leven zien leiden, zullen zij de weg van de waarheid lasteren. Dit is het ene onheil, dat de valse leraars teweegbrengen; het tweede, dat erger is, doen zij door rusteloos begeren naar aards gewin, naar have en goed. Zoals zij de weg van de waarheid daardoor schade veroorzaken, dat zij, die hun uitspattingen navolgen, een kwade naam bij de niet Christenen teweegbrengen, zo zoeken zij hun voordeel daarmee, dat zij in de gemeente door hen zelf verzonnen leringen te koop bieden, waarvoor men hun dankbaar moet zijn en zoals nu in Vers 1 datgene, waarmee zij zich verzondigen, niet genoemd was, zonder dat ook tevens werd gezegd, welk lot zij zich daardoor op de hals haalden, zo volgt ook de benaming van het onheil, dat zij veroorzaken, dadelijk op de verzekering dat het gericht niet te ontkomen is.
Dwalingen, vooral zulke, die het vlees vrij spel gaven, hebben een aanstekelijke kracht en de leer van de dwaalleraars, waarvan hier sprake is, was dan ook werkelijk zo'n valse vrijheids-leer; zij verwarden Christelijke vrijheid met teugelloze willekeur. De stout antinomistische richting, die wij in de tweede eeuw bij de Karpokratianen en andere Gnostieken aantreffen, reikt met haar wortels in het midden van de eerste eeuw.
Deze mensen, zo zegt de apostel, met hen, die hun weg na wandelen, zullen bewerken, dat men het Christendom verklaart voor een leer en een gemeente van stelselmatige onzedelijkheid. Dit is duidelijk dezelfde gedachte, die ook in de eerste brief (1 Petrus 2:12, 15; 3:13, 16; 4:4, 14, een fundamenteel gezichtspunt vormt. In snode en stoffelijke winzucht, zegt de apostel verder, zullen zij met u handel drijven d. i. u tot middelen gebruiken van hun bedrieglijke winzucht, met verdichte redenen of met zodanige geschiedenissen en leringen, die zijn verzonnen en zo ingericht, dat de mensen zich daarvoor graag geld laten ontnemen, of tot andere stoffelijke doeleinden laten misbruiken. Het is de mededeling van een bombastische leer, opgesierde, zelf verzonnen mystieke verhalen. Voor deze werden in die tijd van godsdienstige oplossing van Joden- en Heidendom gemakkelijk aanhangers gevonden, die offervaardig waren, vooral onder de meer gegoede standen, zodat vele mensen, daartoe geschikt, zich op die rijke geldwinning gingen toeleggen, vooral Joden, voor wie het voordelige van de zaak duidelijk was, omdat bedriegerij en vervalsing met hun slechte aard zeer verwant waren en Apokryfisch-gnostische, geheime leringen toen ook onder hen sterk waren ingedrongen.
Reeds hier begint de apostel zich de brief van Judas tot voorbeeld te nemen en met zijn woorden en voorstellingen zich aan deze aan te sluiten. Hij had zeker het doel om deze brief, die vooral de Christenen uit de Joden op het oog had, voor de Christelijke kerk uit de Heidenen geschikt te maken (evenals hij in zijn eersten brief op krachtige wijze het Oude Testament brengt tot de Christenen uit de Heidenen, die nu op de voorgrond van het Godsrijk staan). Daaruit is te verklaren, dat hij wat in de brief van Judas ziet op de Joodse traditie terzijde laat. Als de kritiek van onze tijd in die afhankelijke verhouding van Petrus tot Judas een hoofdgrond heeft menen te vinden, om deze brief van de eerstgenoemde apostel voor onecht te verklaren, dan gaat hij van moderne beschouwingen uit, terwijl wij reeds in de boeken van het Ouden Testaments opmerken, dat latere profeten, hoewel in menig opzicht groter dan de vorige, toch voorspellingen opnemen van de vroegere in hun schriften (vgl. bijv. Jesaja 2:2, met Micha 4:1) en zo opnieuw op de voorgrond stelden.