2 Kronieken 34:14-28
Deze gehele paragraaf hebben wij, juist zoals zij hier gegeven is, gehad in 2 Koningen 22:8-20 en wij hebben niets te voegen bij hetgeen er daar over gezegd werd. Maar:
1. Wij kunnen er aanleiding uit nemen om God te danken, dat wij Bijbels hebben in grote getale, en dat zij in alle handen zijn of kunnen zijn, dat het boek van de wet en des Evangelies niet verloren is, niet schaars is, dat het woord des Heeren in deze zin niet dierbaar is.
Bijbels zijn juwelen, maar zij zijn, Gode zij dank, geen zeldzaamheid. De fontein van het water des levens is geen besloten wel, geen verzegelde fontein, maar overal verblijden de beekjes ervan de stad Gods.
`Usus communis aquarum' -Deze wateren vloeien ten gebruike van het algemeen. Hoeveel zullen wij te verantwoorden hebben, indien de grote dingen van Gods wet, aldus algemeen bekend zijnde, als het ware tot gemeengoed gemaakt, als vreemde dingen door ons geacht worden!
2. Hieruit kunnen wij leren, om, als wij het woord Gods lezen of horen, ons hart er door te laten bewegen, en een heilige vreze te koesteren voor die toorn Gods, die hier geopenbaard is over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen, zoals Josia's teder hart er door bewogen was.
Toen hij de woorden van de wet hoorde, scheurde hij zijn klederen, vers 19, en God had er een welbehagen in dat hij dat deed, vers 27.
Indien de dingen, vervat in de Schrift, nieuw voor ons waren, zoals zij het voor Josia zijn geweest, dan zouden zij voorzeker meer indruk op ons maken dan nu gewoonlijk het geval is, maar zij zijn er niet minder gewichtig om, en wij behoren er dus niet minder acht op te slaan, dat zij wèlbekend zijn. Scheur dus het hart, niet de klederen.
3. Ons wordt hier geleerd om, als wij onder overtuiging van zonde zijn en de toorn Gods vrezen, de Heere te vragen, dat heeft Josia hier gedaan, vers 21. Het is ons nodig te vragen, zoals zij van wie wij lezen in Handelingen 2:37 : "Wat zullen wij doen, mannen broeders? inzonderheid om met de stokbewaarder te vragen: Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?", Handelingen 16:30.
"Wilt gijlieden vragen, vraagt", Jesaja 21:12, en geloofd zij God, wij hebben de levende Godsspraken, die wij ten allen tijde kunnen raadplegen.
4. Wij worden hier gewaarschuwd voor het verderf, dat door de zonde over volken en koninkrijken gebracht wordt. Zij, die God verlaten, brengen kwaad over zichzelf, vers 24, 25, en ontsteken een vuur, dat niet uitgeblust zal worden, zo zal het vuur van Gods toorn wezen, als het raadsbesluit is uitgegaan tegen hen, die hardnekkig en onboetvaardig volharden in hun goddeloze wegen.
5. Wij worden hier aangemoedigd om ons te vernederen voor Gods aangezicht en Hem te zoeken, zoals Josia gedaan heeft, indien wij hierdoor niet kunnen overmogen om Gods toorn af te wenden van ons land, dan zullen wij toch onze eigen ziel bevrijden, vers 27, 28. En Godvruchtige mensen wordt hier geleerd om de dood niet te vrezen, maar welkom te heten, als zij er door weggenomen worden vóór de dag des kwaads. Zie hoe de eigenschap ervan wordt veranderd, door hem tot het voorwerp van een belofte te maken. "Gij zult met vrede in uw graf verzameld worden", evenals Noach onderdak gebracht worden in de ark als de zondvloed komt.