2 Kronieken 11:1-12
Hoe de tien stammen het huis van David verlieten, lazen wij in het vorige hoofdstuk. Zij waren tevoren al los van dat geslacht, 2 Samuël 20:1, 2, en nu verwerpen zij het gehelen el niet bedenkende hoezeer het algemeen belang er door geschaad zal worden, en hoe dit Israël naar beneden zal brengen van de hoogte van eer en heerlijkheid, waartoe het onder de laatste regering gekomen was.
Maar aldus moest het koninkrijk, zowel als het huis van David, getuchtigd worden.
1. Als een stoutmoedig man brengt Rehabeam eindelijk een leger op de been, om de opstandelingen ten onder te brengen, vers 1.
Juda en Benjamin waren niet slechts besloten hem trouw te blijven, maar waren bereid om hem krachtdadig bij te staan in de poging om zijn rechten te herwinnen.
Juda was zijn eigen stam, die hem erkende enige jaren voordat de anderen het deden, Benjamin was de stam, waarin Jeruzalem of tenminste het grootste ceel ervan, was gelegen, hetgeen misschien een reden was, waarom die stam hem bleef aanhangen.
2. Maar als een nauwgezet man heeft hij, toen God hem verbood om zijn voornemen te volvoeren, er in gehoorzaamheid aan Hem van afgelaten, hetzij omdat hij het Goddelijk gezag eerbiedigde of omdat hij wist, dat hij toch niet voorspoedig zou zijn indien hij tegen Gods bevel zou heengaan, maar in plaats van het verlorene te herwinnen, in gevaar zou zijn om ook wat hij nog had te verliezen.
Het is gevaarlijk om tegen de wil van God een zaak te ondernemen, maar inzonderheid om tegen Zijn wil oorlog te gaan voeren. God noemt hem, vers 3, Rehabeam, de zoon van Salomo, om te kennen te geven dat dit besloten was om de zonde van Salomo, en het zou vruchteloos zijn om zich tegen een raadsbesluit Gods te verzetten. Zij gehoorzaamden de woorden des Heeren, en hoewel dit een min en verachtelijk aanzien had, en het hun ten smaad zou zijn onder hun naburen, wilde God het toch aldus, en zo legden zij dan de wapenen neer.
3. Als een voorzichtig man versterkte hij zijn eigen land. Hij zag dat het doelloos was om te trachten de opstandelingen ten onder te brengen. Enige goede woorden zouden hun afval hebben kunnen voorkomen, maar nu kan de gehele krijgsmacht van zijn rijk hen niet terugbrengen, de zaak is geschied, en er moet in berust worden, het is zijn wijsheid om er zich zo goed mogelijk in te schikken. Misschien hebben dezelfde jonge raadslieden, die hem geadviseerd hebben om het volk een ruw antwoord te geven, hem aangezet om tegen hen te gaan krijg voeren, in weerwil van het verbod van God, maar hij had er reeds duur genoeg voor betaald, dat hij naar hun raad geluisterd heeft, en daarom kunnen wij onderstellen dat nu naar de oude raadslieden gehoord werd, en zij rieden hem aan zich aan de wil van God te onderwerpen betreffende hetgeen verloren was, maar er zich nu op toe te leggen om wat hij had te behouden. Het was waarschijnlijk op hun raad:
a. Dat hij zijn grenzen versterkte en velen van de voornaamste steden van zijn rijk, voor werker weerbaarheid onder Salomo's vreedzame regering niet genoegzaam gezorgd was. b. Hij voorzag ze van een genoegzamer voorraad levensmiddelen en wapenen, vers 11, 12.
Omdat God hem verbood te strijden, is hij niet somber en gemelijk gaan neerzitten, zeggende dat hij nu ook niets voor de openbare veiligheid wilde doen, maar heeft zich verstandig tegen aanvallen bereid. Zij, die geen veroveraars kunnen zijn, kunnen toch wel bouwers wezen.